RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.314954.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 26 mei 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2008] in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,
(hierna: [verdachte] ).
1. Zitting
De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 12 mei 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 20 november 2025 in Almere, samen met anderen, [slachtoffer] heeft afgeperst.
Subsidiair is dit ten laste gelegd als diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld, samen met anderen.
feit 2
op 20 november 2025 in Almere samen met anderen in het openbaar geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , terwijl het door [verdachte] gepleegde geweld lichamelijk letsel tot gevolg had.
feit 3
op 20 november 2025 in Almere heeft geprobeerd om [slachtoffer] van het leven te beroven door met een vuurwapen in zijn richting te schieten.
Subsidiair is dit ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als bedreiging.
feit 4
op 20 november 2025 in Almere, samen met een of meer anderen, een vuurwapen bij zich heeft gehad.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat [verdachte] de feiten 1 subsidiair, 2, 3 primair en 4 heeft gepleegd. Van feit 1 primair (afpersing) moet [verdachte] worden vrijgesproken.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft de rechtbank verzocht om [verdachte] vrij te spreken van de feiten 1 primair en subsidiair, 3 primair, subsidiair en meer subsidiair en 4. Feit 2 kan wel worden bewezen, maar niet waar het gaat om de honkbalknuppel en het wapen. Van die onderdelen moet [verdachte] worden vrijgesproken.
De advocaat heeft verschillende verweren gevoerd over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak voor de feiten 1 primair, 3 en 4
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 primair, 3 primair, subsidiair en meer subsidiair en 4 niet zijn bewezen en zal [verdachte] daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
Wat betreft de onder 1 primair ten laste gelegde afpersing geldt dat aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat de goederen van hem zijn weggenomen en niet dat hij deze onder dwang heeft moeten afstaan. De rechtbank komt daarom tot een vrijspraak van de onder 1 primair ten laste is gelegde afpersing in vereniging.
Wat betreft de feiten 3 en 4 geldt dat de aangever heeft verklaard dat hij hoorde dat er geschoten werd en dat hij werd geslagen met een voorwerp dat op een revolver leek. Op de camerabeelden is een knal te horen en een lichtflits te zien. Meer dan dat zit er niet in het dossier. Een vuurwapen is niet gevonden, er is geen onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van een huls of schotresten op de mouwen van [verdachte] , op de camerabeelden is geen vuurwapen te zien en [verdachte] heeft verklaard dat hij geen vuurwapen in handen heeft gehad en dat ook niet heeft gezien. De rechtbank vindt dat er onder die omstandigheden te veel onduidelijkheid bestaat over de aanwezigheid van een vuurwapen dan wel een voorwerp dat daarop lijkt, laat staan dan het [verdachte] is geweest die daarmee heeft geschoten. [verdachte] zal daarom worden vrijgesproken van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten.
Bewijsmiddelen voor de feiten 1 subsidiair en 2
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 subsidiair (diefstal met geweld) en 2 (openlijke geweldpleging) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewijsoverwegingen voor de feiten 1 subsidiair en 2
Op grond van het dossier stelt de rechtbank vast dat er sprake was een onderliggend conflict tussen aangever [slachtoffer] enerzijds en [verdachte] anderzijds. Op enig moment hebben zij afgesproken om elkaar te ontmoeten bij [locatie] in Almere. Daar in de buurt bevindt zich ook de autogarage van medeverdachte [medeverdachte 1] , de vader van [verdachte] . Tijdens deze ontmoeting had zowel [slachtoffer] als [verdachte] een groep van meerdere mensen bij zich. [slachtoffer] is tijdens deze ontmoeting in elkaar geslagen door drie mensen uit de groep van [verdachte] , onder wie [verdachte] zelf, en daarbij zijn meerdere spullen van [slachtoffer] afgepakt.
[verdachte] heeft ontkend dat hij de spullen van [slachtoffer] heeft gestolen. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft echter verklaard dat hij de zoon van de eigenaar van de garage, waarmee hij [verdachte] bedoelt, tijdens de mishandeling hoorde zeggen: “Ik pak je jacka, ik neem je patta’s mee”. Onderweg terug naar de garage kreeg [medeverdachte 2] de schoenen van de aangever in zijn handen gedrukt, waarna hij ze in de garage heeft gelegd. Anders dan de advocaat ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 2] te twijfelen. [verdachte] heeft in raadkamer verklaard dat hij de afpersing bekent. Op de zitting heeft [verdachte] verklaard dat hij toen de betekenis van het woord ‘afpersing’ niet voldoende kende en zijn advocaat heeft op de zitting bepleit dat het alleszins redelijk is om te veronderstellen dat [verdachte] als minderjarige niet wist wat met de juridische term ‘afpersing’ bedoeld werd. De rechtbank vindt het echter onaannemelijk dat [verdachte] niet heeft begrepen wat hij zei, temeer daar hij dit in raadkamer in aanwezigheid van zijn advocaat heeft verklaard die daar niet op terug is gekomen en hij daarvoor ook al door politie en de rechter-commissaris was verhoord, die hem de verdenking zullen hebben uitgelegd. De rechtbank vindt niet bewezen dat [verdachte] deze diefstal met geweld samen met anderen heeft gepleegd, zodat hij van dat onderdeel van de tenlastelegging onder 1 subsidiair zal worden vrijgesproken.
Gelet op hetgeen is overwogen in paragraaf 3.3.1 spreekt de rechtbank [verdachte] ook vrij van hetgeen is tenlastegelegd onder de feiten 1 en 2 als het gaat om het (vuur)wapen.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
1. subsidiair
op 20 november 2025, te Almere,
- een jas (merk: Nike) en
- sneakers (merk: Nike) en
- huissleutels en
- een OV-chipkaart en
- een identiteitskaart en
- een bankpas,
die aan die [slachtoffer] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door
- met die [slachtoffer] af te spreken en
- een bivakmuts te dragen en zichtbaar voor die [slachtoffer] een honkbalknuppel te tonen en
- achter die [slachtoffer] aan te rennen en
- die [slachtoffer] omver te trappen (waardoor die [slachtoffer] op de grond viel) en
- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag die [slachtoffer] meermalen tegen het lichaam te slaan/stompen en te schoppen;
2
op 20 november 2025, te Almere, op [locatie] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- die [slachtoffer] omver te trappen (waardoor die [slachtoffer] op de grond viel) en
- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag die [slachtoffer] meermalen, tegen het lichaam te slaan/stompen en te schoppen,
terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge had.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1 subsidiair: diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;
Feit 2: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en [verdachte] zijn strafbaar.
5. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:
een jeugddetentie van 231 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 150 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met daarbij de door SAVE geadviseerde bijzondere voorwaarden;
een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 80 uur, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft aangevoerd dat de voorwaarden van ITB Harde Kern en elektronische monitoring niet langer passend zijn, gelet op wat resteert van de bewezenverklaring. Aan [verdachte] moet een flink lagere straf worden opgelegd dan door de officier van justitie is geëist.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan [verdachte] op een jeugddetentie van 81 dagen, met aftrek van het voorarrest dat net zo lang heeft geduurd, en daarnaast een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 80 uren, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met daarbij de door SAVE geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld en aan openlijke geweldpleging richting hetzelfde slachtoffer. Het slachtoffer is door meerdere mensen behoorlijk toegetakeld en heeft daar nadien de nodige klachten van ondervonden. De aanleiding voor de ruzie was een onderliggend conflict met betrekking tot een openstaande drugsschuld van het slachtoffer bij [verdachte] . [verdachte] noch het slachtoffer heeft daar volledige openheid over gegeven. [verdachte] heeft met zijn handelen laten zien dat hij geen respect heeft voor andermans eigendommen. Hij heeft ook een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het geweld is op of aan de openbare weg gebeurd en verschillende mensen waren hier vanuit hun auto getuige van. Door dit soort geweld in het openbaar voelen mensen zich bang en onveilig op straat.
Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van [verdachte] van 3 april 2026. Daaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor verkeersfeiten, maar niet voor vergelijkbare feiten als waar hij nu voor veroordeeld wordt.
Ook heeft de rechtbank gekeken naar een advies van SAVE van 1 mei 2026. Daarin staat dat [verdachte] tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis positief heeft gereageerd op de geboden structuur en het toezicht. Hij heeft zich over het algemeen aan de gemaakte afspraken gehouden. Tegelijkertijd acht SAVE de veiligheidsrisico’s nog steeds reëel aanwezig. Het risico op nieuwe spanningen of confrontaties blijft bestaan, zodat SAVE het noodzakelijk acht dat [verdachte] voorlopig blijft functioneren binnen een strak en gestructureerd kader. Dit is ook in het belang van zijn persoonlijke ontwikkeling. Geadviseerd wordt om aan [verdachte] op te leggen een jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest, een voorwaardelijke jeugddetentie met daarbij de voorwaarden die ook al aan de schorsing verbonden zijn en daarnaast een onvoorwaardelijke werkstraf, zodat [verdachte] ervaart wat de consequenties van zijn handelen zijn.
Op de zitting heeft de jeugdreclasseringswerker van SAVE verklaard dat [verdachte] zich over het algemeen goed aan de afspraken houdt, maar dat het niet vanzelf gaat. Hij blijft grenzen opzoeken, bagatelliseert veel, denkt gemakkelijk over school en beseft niet altijd de zorgen van anderen over zijn veiligheid.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor minderjarigen bij een diefstal met geweld is een taakstraf vanaf 60 uur, dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie. Het oriëntatiepunt voor openlijke geweldpleging is een taakstraf van 40 uur, dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie. De oriëntatiepunten voor dergelijke feiten voor volwassenen zijn fors hoger. De rechtbank neemt in aanmerking dat [verdachte] zeventien en een half jaar oud was toen de feiten werden gepleegd.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan [verdachte] een jeugddetentie op, gelijk aan de duur van het voorarrest. Dit betekent dat [verdachte] niet terug hoeft naar de gevangenis. Daarnaast wordt aan hem opgelegd een voorwaardelijke taakstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank vindt het noodzakelijk dat aan [verdachte] bijzondere voorwaarden worden opgelegd, gelet op het risico op herhaling en gelet op de zorgen die er zijn over [verdachte] . Aan deze voorwaardelijke taakstraf zal de rechtbank daarom de door SAVE geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden.
De rechtbank zal de dadelijke uitvoerbaarheid bevelen, zodat deze voorwaarden en het toezicht direct gelden. Zoals hierboven al werd opgeschreven vinden de bewezen verklaarde feiten hun oorsprong in een kennelijk onderliggend conflict in de verdovende middelen sfeer, waarover [verdachte] noch [slachtoffer] het achterste van hun tong hebben laten zien. Dit conflict lijkt dan ook nog steeds aanwezig te zijn, zodat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat [verdachte] wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
De voorlopige hechtenis
Gelet op vorenstaande zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
6. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 3.559,10 voor de feiten 1 en 2, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 559,10 voor vergoeding van materiële schade en € 3.000,00 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
Airpods Pro: € 149,00;
Nike windrunner jas: € 99,99;
Nike schoenen: € 169,00;
Zorgkosten mondzorgpoli/spoedtandarts: € 141,11.
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade kan worden toegewezen, hoofdelijk, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Omdat de immateriële schade niet is onderbouwd, moet de benadeelde partij voor dat deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij wat betreft de gevorderde materiële schade, met uitzondering van de tandartskosten, niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de door hem bepleite vrijspraak voor feit 1. Er zijn verder geen bonnen overgelegd waaruit de ouderdom van de goederen blijkt. De waarde ervan moet lager worden geschat dan de schade die is gevorderd. Voor de gevorderde immateriële schade ontbreekt enige onderbouwing, zodat ook daarvoor primair niet-ontvankelijkheid moet volgen en subsidiair het toe te kennen bedrag aanzienlijk moet worden gematigd.
Oordeel van de rechtbank
Het gedeelte van de vordering dat ziet op de tandartskosten is voldoende onderbouwd en namens [verdachte] niet betwist. De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde feiten. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering is namens [verdachte] betwist. Gelet op deze betwisting is de namens de benadeelde partij gegeven onderbouwing onvoldoende. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Vergoeding van immateriële schade is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de door [verdachte] gepleegde strafbare feiten. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 1.000,00 billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 20 november 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval hebben zowel [verdachte] als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat [verdachte] aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 1.141,11 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 november 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald.
Als een verdachte niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast. Gelet op de jonge leeftijd van [verdachte] in deze zaak vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling daarom op 0 dagen.
Omdat [verdachte] het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit, waarvoor schadevergoeding wordt toegekend, samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding en proceskosten niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.
7. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen: 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
8. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart de feiten 1 primair, 3 primair, subsidiair en meer subsidiair en 4 niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
strafbaarheid [verdachte]
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het onder 1 subsidiair en 2 bewezenverklaarde;
straf en/of maatregel
- veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van 81 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
- veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, van 80 uren;
- beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen jeugddetentie;
- bepaalt dat de taakstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- als voorwaarden gelden dat [verdachte] :
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa eerste tot en met het derde van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] gedurende de proeftijd:
* zich houdt aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling te weten Samen Veilig Midden Nederland waarbij hij zes maanden intensieve begeleiding aanvaardt in het kader van ITB Harde Kern;
* zich onder behandeling zal stellen van Fundament Plus, of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [2007] , met uitzondering van eventuele mediation, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
* zich niet zal bevinden in de directe omgeving van de [straat] in Almere, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht. Het gebied waar deze voorwaarde betrekking op heeft, wordt begrensd door de Hogering (N702), de Markerdreef, de Spoordreef, de Waddendreef en de Muziekdreef, waarbij geldt dat deze straten zelf buiten het gebied vallen, zoals indicatief is aangegeven op de onderstaande afbeelding);
* gedurende het toezicht aanwezig zal zijn op de navolgende locatie: Boelijn 110 in 1319 CS Almere, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de jeugdreclassering daar toestemming voor geeft;
* zich ter controle van het locatiegebod en locatieverbod onder elektronische monitoring zal stellen van Reclassering Nederland;
* een aaneengesloten blok van 12 resp. 15 uur heeft ter invulling van zijn activiteiten (sport, hobby’s, school, werk, behandeling), zoals met de jeugdreclassering wordt afgesproken;
* meewerkt aan een positieve daginvulling, waaronder schoolgang en een positieve vrijetijdsbesteding;
* zich houdt aan de aanwijzingen van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden Nederland Jeugdreclassering te Flevoland, ook indien deze aanwijzingen inhouden dat [verdachte] zich onder behandeling van een bepaalde deskundige of bepaalde instelling zal stellen gedurende de proeftijd;
- waarbij de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland Jeugdreclassering te Flevoland opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de jeugdreclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] (feiten 1 en 2)
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. K. de Meulder en mr. M. Rasterhoff, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.M. van Zwet als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
De oudste rechter, jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan [verdachte] is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
1
hij, op of omstreeks 20 november 2025, te Almere, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van
- een jas (merk: Nike) en/of
- sneakers (merk: Nike) en/of
- huissleutels en/of
- een OV-chipkaart en/of
- een identiteitskaart en/of
- een bankpas,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n)
door
- met die [slachtoffer] af te spreken en/of
- een bivakmuts/masker te dragen en/of zichtbaar voor die [slachtoffer] een (honkbal)knuppel te tonen en/of
- met een (vuur)wapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp meermalen, althans eenmaal, te schieten en/of
- achter die [slachtoffer] aan te rennen en/of
- die [slachtoffer] met een (vuur)wapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op/tegen zijn (voor)hoofd te slaan en/of die [slachtoffer] omver te trappen (waardoor die [slachtoffer] op de grond viel) en/of
- ( terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een
(honkbal)knuppel op/tegen zijn hoofd en/of in zijn buik, althans het lichaam te slaan/stompen en/of te schoppen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 20 november 2025, te Almere, althans in Nederland, tezamen en
in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- een jas (merk: Nike) en/of
- sneakers (merk: Nike) en/of
- huissleutels en/of
- een OV-chipkaart en/of
- een identiteitskaart en/of
- een bankpas,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- met die [slachtoffer] af te spreken en/of
- een bivakmuts/masker te dragen en/of zichtbaar voor die [slachtoffer] een
(honkbal)knuppel te tonen en/of
- met een (vuur)wapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp
meermalen, althans eenmaal, te schieten en/of
- achter die [slachtoffer] aan te rennen en/of
- die [slachtoffer] met een (vuur)wapen, althans een op een vuurwapen gelijkend
voorwerp op/tegen zijn (voor)hoofd te slaan en/of die [slachtoffer] omver te trappen
(waardoor die [slachtoffer] op de grond viel) en/of
- ( terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een
(honkbal)knuppel op/tegen zijn hoofd en/of in zijn buik, althans het lichaam te
slaan/stompen en/of te schoppen;
2
hij, op of omstreeks 20 november 2025, te Almere, althans in Nederland, op [locatie] , in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- die [slachtoffer] met een (vuur)wapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op/tegen zijn (voor)hoofd te slaan en/of die [slachtoffer] omver te trappen (waardoor die [slachtoffer] op de grond viel) en/of
- ( terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een
(honkbal)knuppel op/tegen zijn hoofd en/of in zijn buik, althans het lichaam te slaan/stompen en/of te schoppen,
terwijl het door verdachte gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge had;
3
hij, op of omstreeks 20 november 2025, te Almere, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, (al rennend) meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de richting van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 november 2025 te Almere, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (al rennend) meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de richting van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 november 2025 te Almere, in elk geval Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door (al rennend) meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in de richting van die [slachtoffer] te schiete;
4
hij, op of omstreeks 20 november 2025, te Almere, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie II en/of III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, van een nu nog onbekend merk, type en kaliber, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.
Bijlage II: Bewijsmiddelen voor feit 1 subsidiair en feit 2
Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 20-21
Plaats delict: [locatie] Almere. Pleegdatum: 20 november 2025.
Ik liep samen met vijf andere vrienden bij [locatie] te Almere. Toen ik daar liep, zag ik opeens een groepje jongens achter mij aanlopen. Toen ik tijdens het rennen naar achter keek, werd ik op mijn voorhoofd geslagen. Hierdoor viel ik op de grond. Toen ik op de grond lag, voelde ik daarna een harde klap op mijn gezicht ter hoogte van mijn voorhoofd. Ik voelde daarna dat ik op mijn gezicht werd geslagen en geschopt, ik werd door verschillende mensen getrapt tegen mijn hoofd. Ik heb maar een iemand herkend en dat was [verdachte] . Ik zag ook dat er een knuppel was. Ze hebben mijn spullen ook afgepakt, ze hebben mijn jas meegenomen, het was een zwarte gewatteerde jas van het merk Nike, grijs zwarte sneakers van het merk Nike P6000, mijn huissleutels, mijn OV chipkaart, mijn identiteitskaart en bankpas.
Een Letselonderzoek en -verslag van de GGD, p. 8-10
Samenvatting letsel: er zijn twee open snijwonden op het voorhoofd. Er is een bloeduitstorting (hematoom) ter hoogte van het rechter jukbeen, boven de rechter oogkas en boven het neusbot. Bij druk op de bovenrand van de rechter oogkas is er pijn. In de bovenkaak is een tand afgebroken, waarbij waarschijnlijk de zenuw blootligt. De gemelde toedracht past goed bij het letsel.
Een proces-verbaal van bevindingen, p. 119-120
Op videofragment getiteld [bestandsnaam] .MP4 zie ik, verbalisant, het volgende. Ik zie dat de opname begint op 2025-11-20 om 21:19:45 uur. Ik zie dat er meerdere personen de achtervolging inzetten naar het slachtoffer. Ik zie dat het slachtoffer op het fietspad op [locatie] stilhoudt, en dat er in eerste instantie drie personen op hem af komen. Om 21:20:03 zie ik dat de eerste persoon die bij het slachtoffer komt hem direct vasthoudt, het lijkt of hij hem omver trapt, het slachtoffer valt direct op de grond. Ik zie dat er een tweede en derde persoon bij komen. De eerste en de tweede persoon zijn donker gekleed, ik zie dat de derde persoon een fel licht, gelig gekleurd kledingstuk aan heeft. Ik zie dat alle drie de personen meerdere keren met zowel vuistslagen en schoppen uithalen naar het slachtoffer dat dan nog steeds op de grond ligt. Om 21:21:03 lopen alle personen weer weg, na een aantal meter besluit één persoon nog een keer terug te lopen en het slachtoffer nogmaals een trap te geven. Allen lopen zij daarna gezamenlijk en kalm weer in de richting van de kruising waar zij vandaan kwamen gerend. Om 21:21:32 verdwijnen zij uit beeld.
Een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] , p. 177, 179 en 182
Ik zag toen de man van de garage naar buiten gaan met een honkbalknuppel. Ik ben toen meegegaan. Hij begon toen te rennen, ik rende achter hem aan. Ik vroeg aan hem: wat is er aan de hand? Hij zei iets over roven. Ik zei tegen hem dat hij mij de
honkbalknuppel moest geven. Ik zag toen dat er nog twee andere jongens bij kwamen, zij renden ook. Beiden hadden iets van een bivakmuts op. Ik zag daarna dat het een jongen was die ik woensdag ook zag bij de garage, ik denk dat hij een zoon van de eigenaar is. Ik hoorde hem tijdens de mishandeling tegen het slachtoffer zeggen: "Ik pak je jacka, ik neem je patta’s mee”. Ik zag dat hij zijn jas enzo had meegenomen. De jongen met de bivakmuts heeft mij onderweg de schoenen gegeven. Ik had een gele werkoveral aan. De andere twee jongens met de bivakmutsen hebben die man gepakt. Zij hebben die man geslagen en geschopt. Die mannen hebben hem echt afgetakeld, geslagen en geschopt.
Een proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] in raadkamer van 4 december 2025
Ik beken de afpersing.
De verklaring van [verdachte] op de zitting van 12 mei 2026
Ik wil de openlijke geweldpleging bekennen. Ik heb mijn handen en benen gebruikt om [slachtoffer] te mishandelen. Wij gingen naar [locatie] voor de ontmoeting. Toen liep het uit de hand. [slachtoffer] stopte met rennen en is toen in elkaar geslagen door drie mensen. Ik was er één van. Ik had een bivakmuts op. Er is geslagen, gestompt en geschopt.