RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling StrafrechtZittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16-028649-02
Beslissing op grond van artikel 6:6:10 van het Wetboek van Strafvordering van de meervoudige kamer voor strafzaken van 26 mei 2026
in de zaak van de officier van justitie tegen de ter beschikking gestelde:
[betrokkene] ,
geboren op [1973] te [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] , [woonplaats] ,
onder verantwoordelijkheid van [verblijfplaats] ,
hierna: de betrokkene.
1. De stukken
In het dossier van de rechtbank zitten de volgende stukken:
- het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 mei 2005, waarbij de betrokkene ter beschikking is gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege omdat hij zich heeft schuldig gemaakt aan moord;
- stukken waaruit blijkt dat de terbeschikkingstelling (hierna: tbs) is ingegaan op 26 mei 2011;
- de beslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 april 2025 tot verlenging van de termijn van de tbs met twee jaar, waarbij de verpleging van overheidswege is beëindigd onder voorwaarden, en de ten behoeve van die beslissing uitgebrachte adviezen en rapportages;
- de voortgangsverslagen over de periode van 24 april 2025 tot en met 24 januari 2026;
- het Pro Justitia-rapport van 6 maart 2026, opgesteld door A.E. Haan, psycholoog;
- het advies van 27 maart 2026 van Reclassering Nederland, opgemaakt door E. Maurits, om de tbs te beëindigen;
- de vordering van de officier van justitie van 10 april 2026, tot verlenging van de tbs met een jaar.
2. De procesgang
Tijdens het onderzoek in raadkamer op 12 mei 2026 zijn gehoord:
- de betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat,
- de deskundige E. Maurits, reclasseringswerker, en
- de officier van justitie.
Daarnaast zijn de nabestaanden van het slachtoffer in de gelegenheid gesteld het woord te voeren over de voorwaarden die direct de belangen van de nabestaanden raken.
3. Het standpunt van de reclassering
Het standpunt van de reclassering blijkt uit het onder 1 genoemde advies. De deskundige heeft ter zitting het advies van de reclassering toegelicht. Het standpunt luidt – zakelijk weergegeven – dat er bij de betrokkene nog steeds sprake is van een stoornis. Het risico op recidive wordt, bij beëindiging van de maatregel, ingeschat als laag.
De reclassering ziet voor zichzelf geen rol meer weggelegd en adviseert dan ook de tbs-maatregel onvoorwaardelijk te beëindigen.
4. Het standpunt van de deskundige die niet aan de reclassering verbonden is
De psycholoog concludeert dat er bij de betrokkene nog steeds sprake is van een stoornis. De psycholoog acht het risico op recidive bij een beëindiging van de tbs laag. Ook nadat de betrokkene in mei 2025 een eigen woning heeft betrokken is zijn leven stabiel gebleven. Alle risicofactoren lijken daarmee al lange tijd goed onder controle terwijl de beschermende facturen zijn versterkt.
De deskundige adviseert de tbs niet meer te verlengen.
5. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft naar aanleiding van het verhandelde op de zitting zijn vordering tot verlenging van de tbs met een jaar gehandhaafd. De officier van justitie is van oordeel dat het daadwerkelijke risico op recidive niet kan worden ingeschat, omdat er nog altijd onvoldoende zicht bestaat op de binnenwereld van de betrokkene. Bovendien is in het tbs-traject mogelijk met een gemankeerd delictscenario gewerkt, omdat de betrokkene wisselend heeft verklaard over zijn gebruik van alcohol voorafgaand aan het plegen van het delict waarvoor de tbs is opgelegd. Tot slot heeft de betrokkene verklaard een aantal onderdelen van zijn leven, zoals het aangaan van relaties en het drinken van alcohol, uit te willen stellen tot na het beëindigen van de tbs-maatregel. Daardoor kan nu niet worden beoordeeld welke gevolgen veranderingen op die onderdelen voor het recidiverisico zouden kunnen hebben.
6. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de vordering van de officier van justitie af te wijzen, zodat de tbs eindigt. De raadsman stelt zich op het standpunt dat de adviezen van de deskundigen moeten worden gevolgd; daar zijn zij immers voor ingeschakeld. Omdat het risico op recidive laag is, bestaat er geen grond meer de tbs te verlengen.
7. Beoordeling
Inleiding
In deze procedure moet de rechtbank beoordelen of er grond bestaat de tbs van de betrokkene te verlengen, zoals dat door de officier van justitie is gevorderd. Leidend daarbij is het zogeheten gevaarscriterium: de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen moet verlenging van de tbs eisen. Bij de beoordeling van het gevaarscriterium speelt het recidiverisico – de kans dat de betrokkene opnieuw in gewelddadig gedrag vervalt – een centrale rol.
Maximering
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn verlengingsbeslissing van 24 april 2025 overwogen dat de tbs van de betrokkene niet in duur is beperkt. Verlenging is dus mogelijk.
Stoornis en/ of gebrekkige ontwikkeling van geestvermogens
Uit de Pro Justitia-rapportage van 6 maart 2026 blijkt dat er nog steeds sprake is van een stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling bij de betrokkene. Wel bestaat al langere tijd een verschil van inzicht tussen de rapporterende deskundigen over de precieze gedragskundige kwalificatie. Afwisselend wordt de betrokkene gediagnosticeerd met een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met schizoïde trekken of met een autismespectrumstoornis. Hoewel de psycholoog de eerste diagnose het meest passend acht, wordt benadrukt dat het vooral een academische discussie is welke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling met de meeste zekerheid kan worden geclassificeerd. Voor de risicotaxatie en het geadviseerde risicomanagement maakt dit beperkte verschil in diagnose geen wezenlijk verschil, aldus de psycholoog.
De inschattingen van het gevaar op herhaling
Over het risico dat de betrokkene opnieuw in gewelddadig gedrag vervalt, wordt al een aantal jaren betrekkelijk positief gerapporteerd door de deskundigen die de betrokkene hebben onderzocht.
In 2024 en 2025 is, in het kader van de toen voorliggende voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging, uitgebreid gerapporteerd en op de zitting gesproken over dit risico. Destijds heeft de rapporterend psychiater het recidiverisico ingeschat als laag. Bij het wegvallen van ieder kader aan toezicht en zorg zou dit kunnen oplopen tot matig. Het zou echter ook kunnen, aldus de toenmalig rapporterend psychiater, dat bij verdere resocialisatie het recidiverisico laag blijft. In algemene zin werd het risico op gewelddadig gedrag door de psychiater als laag beoordeeld, omdat er geen enkele indicatie was dat de betrokkene in algemene zin een gewelddadig of agressieve man zou zijn.
De toenmalig rapporterend psycholoog heeft het risico op gewelddadig gedrag destijds ingeschat op laag bij verlenging van de tbs-maatregel. Bij beëindiging van de maatregel zou dat risico op korte termijn ook laag blijven, maar op langere termijn op kunnen lopen tot matig als de spanningen bij de betrokkene oplopen.
De kliniek waarbinnen de betrokkene destijds werd verpleegd, deelde deze risico-inschatting, en adviseerde daarom de dwangverpleging voorwaardelijk te beëindigen. De betrokkene moest in zijn resocialisatietraject nog één stap zetten. Hij verbleef al sinds 1 juli 2023 in een trainingswoning (een woning waar iedere dag een aantal uur begeleiding aanwezig is) en moest de stap maken naar een omklapwoning (een woning die eerst op naam staat van de kliniek, en daarna op naam van de betrokkene kan komen, en waar geen vaste begeleiding meer aanwezig is).
Zowel de rechtbank als, in hoger beroep, het hof heeft deze adviezen gevolgd, de tbs verlengd en de dwangverpleging voorwaardelijk beëindigd. Op de zitting in hoger beroep heeft zowel het hoofd behandeling van de kliniek als de reclassering positief geadviseerd over een voorwaardelijke beëindiging van de tbs. De betrokkene functioneerde stabiel en zou zich, in de woorden van het hoofd behandeling, ook op langere termijn staande moeten kunnen houden in de maatschappij.
Voor de huidige vordering tot verlenging is opnieuw gerapporteerd door de reclassering en een niet aan de reclassering verbonden psycholoog.
De reclassering schat het recidiverisico in als laag. De betrokkene is goed in staat
zelfstandig te functioneren op de praktische gebieden. Hij heeft zaken als huisvesting,
dagbesteding en financiën goed op orde en heeft hier geen tot nauwelijks ondersteuning in nodig. De betrokkene heeft daarnaast aangetoond langdurig abstinent te kunnen blijven, ook na het afschalen van toezicht en de verruiming van zijn eigen verantwoordelijkheden. De reclassering ziet daarom voor zichzelf geen rol meer weggelegd.
De psycholoog is van oordeel dat het risico dat betrokkene opnieuw in gewelddadig gedrag zal vervallen, laag is. De psycholoog beschrijft dat betrokkene de afgelopen 22 jaar geen enkel agressief of gewelddadig incident heeft veroorzaakt. Dat rechtvaardigt, volgens de psycholoog, de conclusie dat het huidige functioneren van de betrokkene inmiddels los kan worden gezien van het gruwelijke delict waarvoor hij ter beschikking is gesteld. Het feit dat de betrokkene sinds de voorwaardelijke beëindiging en de stap naar een omklapwoning meer vrijheden heeft gekregen, heeft niet geleid tot een verhoging van het recidiverisico. Deze toegenomen vrijheden lijken hem eerder meer rust te hebben gegeven. Daarmee is er vanuit gedragsdeskundig oogpunt geen grond meer om te adviseren de maatregel te verlengen, aldus de psycholoog.
Beëindiging
De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat geconcludeerd moet worden dat het gevaarscriterium op de betrokkene niet meer van toepassing is. De betrokkene heeft, in de 22 jaar sinds het delict waarvoor hij veroordeeld is, geen gewelddadige of agressieve incidenten meer veroorzaakt. Alle betrokken deskundigen zijn het er (wederom) over eens dat het risico dat betrokkene opnieuw in gewelddadig gedrag vervalt, laag is. De betrokkene functioneert stabiel en lijkt juist te gedijen bij zijn toenemende vrijheden, in plaats van dat daardoor spanningen ontstaan. De betrokkene heeft daarmee ook de laatst te zetten stap in zijn tbs-traject gezet, zonder dat dit tot een toename van het risico op herhaling heeft geleid. De betrokkene blijkt bestand tegen stress en komt zijn afspraken na. Bij die stand van zaken is er geen objectieve omstandigheid aan te wijzen die een verlenging van de tbs kan rechtvaardigen.
Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, vormt de mogelijkheid dat gedurende de tbs-maatregel geen volledig inzicht in de belevingswereld van de betrokkene is verkregen, niet zo’n objectieve omstandigheid. Het mogelijk – de reclassering rapporteert dat inzicht wel te hebben verkregen – ontbreken van dat inzicht vormde voor de in de afgelopen jaren aangezochte deskundigen geen belemmering om steeds opnieuw een (positief) advies over de kans op herhaling te geven. Evenmin bestaat er concrete aanleiding voor het oordeel dat de betrokkene, na het eindigen van de tbs-maatregel, zijn leven wezenlijk anders in zal richten. Dat hij mogelijk nieuwe relaties aangaat, van baan wisselt en op vakantie zal gaan omdat hij dat weer mag, gaf voor de deskundigen geen aanleiding negatiever of met meer voorzichtigheid te adviseren over het recidiverisico. Het dwingt ook de rechtbank niet tot de conclusie dat de betrokkene, in geval van die gewijzigde omstandigheden, weer een gevaar voor anderen zal vormen.
De rechtbank zal de tbs van de betrokkene om deze redenen niet verlengen.
Daarbij realiseert de rechtbank zich dat dit de beslissing is waar de nabestaanden al lange tijd voor zullen hebben gevreesd. Het delict waar de betrokkene voor is veroordeeld, heeft de maatschappij diep geschokt en voor veel verdriet gezorgd bij de familie en vrienden van het slachtoffer. Die gevoelens verdwijnen niet door enkel tijdsverloop. Hoe begrijpelijk en invoelbaar ook, zijn dat echter geen gevoelens waar de rechtbank zich door kan laten leiden bij deze beslissing. Zoals gezegd is leidend het gevaarscriterium, waarin de bedoeling van de tbs-maatregel tot uiting komt, die in essentie is gericht op een veilige terugkeer van een tbs-gestelde in de maatschappij. In dit geval heeft de maatregel ertoe geleid dat nu geoordeeld kan worden dat dit doel is bereikt. Aan het gevaarscriterium wordt niet meer voldaan. De conclusie is dan dat de betrokkene geacht moet worden veilig te zijn teruggekeerd in de maatschappij.
8. De beslissing
De rechtbank wijst af de vordering tot verlenging van de termijn van terbeschikkingstelling van [betrokkene] voornoemd.
Deze beslissing is genomen door mr. L.C. Michon, voorzitter, mrs. L.M.M. Heppe en T.M. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
De griffer is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.