RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16/034333-25; 16/250914-25 (t.t.z. gevoegd)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 3 februari 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1995] in [geboorteplaats] (Marokko),
gedetineerd in de [verblijfplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 20 januari 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
16/034333-25
op 1 februari 2025 in [plaats 1] [slachtoffer 1] opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, van het leven heeft beroofd door haar meermalen met een mes in de borststreek te steken;
16/250914-25
op 1 februari 2025 in [plaats 1] [slachtoffer 2] heeft mishandeld door met een vlakke hand tegen haar gezicht en/of zijkant van haar hoofd te slaan.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich ten aanzien van parketnummer 16/034333-25 op het standpunt dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1 (voornaam)] ) opzettelijk heeft gedood. Niet bewezen kan worden dat de verdachte dat met voorbedachten rade heeft gedaan, waardoor hij van dat deel van de beschuldiging (de impliciet primair ten laste gelegde moord) moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van parketnummer 16/250914-25 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de mishandeling heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De advocaat stelt zich ten aanzien van parketnummer 16/034333-25 op het standpunt dat niet kan worden bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade en verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van dat deel van de beschuldiging.
Voor het overige voert de advocaat geen verweer over het bewijs van de feiten.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Op 1 februari 2025 werd [plaats 1] opgeschrikt toen midden in een woonwijk, op klaarlichte dag, een jong meisje werd doodgestoken. Al snel werd duidelijk dat het om de 11-jarige [slachtoffer 1] ging. Haar vader, moeder en andere familieleden kwamen snel ter plaatse. [slachtoffer 1 (voornaam)] was de dag daarvoor elf jaar geworden en gaf op de dag van het fatale incident haar verjaardagsfeestje. Zij was buiten met haar broertje, nichtje en neefje. Vlak voor het fatale moment liep [slachtoffer 1 (voornaam)] samen met hen in de [straat] . Een aantal meter voor hen uit liep een man. Deze man draaide zich plotseling om, liep op de kinderen af, greep [slachtoffer 1 (voornaam)] vast en stak haar meerdere keren met een mes, zonder daarbij iets te zeggen. [slachtoffer 1 (voornaam)] viel vervolgens op de grond. Haar broertje, nichtje en neefje zijn uit angst en in paniek weggerend.
Bij aankomst van de politie en de ambulance werd direct alle hulp ingezet. Er werd nog geprobeerd om [slachtoffer 1 (voornaam)] te reanimeren en er werd ter plaatse een open hart operatie uitgevoerd, maar deze hulp mocht niet meer baten. [slachtoffer 1 (voornaam)] is ter plekke overleden.
De verdachte is vrijwel meteen daarna aangehouden in de tuin van de [straat] [nummeraanduiding 1] , het adres waar hij al langere tijd verbleef.
Voorafgaand aan het dodelijke steekincident werd diezelfde dag in [plaats 1] een vrouw op straat, uit het niets en zonder directe aanleiding, door een voor haar onbekende man tegen de zijkant van haar hoofd geslagen.
Bewezenverklaring feit 16/034333-25 en feit 16/250914-25
De rechtbank oordeelt dat de doodslag van [slachtoffer 1 (voornaam)] (het impliciet subsidiaire feit onder parketnummer 16/034333-25) en de mishandeling van [slachtoffer 2] (het feit onder parketnummer 16/250914-25) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat het de verdachte is geweest die op 1 februari 2025 in [plaats 1] eerst [slachtoffer 2] heeft mishandeld en daarna [slachtoffer 1 (voornaam)] opzettelijk met twee messteken om het leven heeft gebracht. Dit heeft op de zitting ook niet ter discussie gestaan. De verdachte wist zich op de zittingen nog nauwelijks iets te herinneren van de gebeurtenissen, en ook niet van de dagen die daaraan zijn voorafgegaan of van de dagen na de aanhouding. Ook bij de politie heeft de verdachte zich weinig weten te herinneren, ondanks de vele uren verhoor en de vele snippers informatie die hem tijdens het verhoor zijn gevoed. Tijdens het politieverhoor op 30 april 2025 heeft hij wel verklaard over beide gebeurtenissen. Kortgezegd heeft hij verklaard dat hij in [slachtoffer 2] een demon ontwaarde en dat hij dat waarschijnlijk ook in [slachtoffer 1 (voornaam)] heeft gezien. Hoewel de rechtbank die verklaring niet gebruikt voor het bewijs van de doodslag, blijkt daaruit wel dat de verdachte nooit heeft ontkend dat hij de feiten heeft gepleegd.
Net als de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen aanknopingspunten bevat dat de verdachte weloverwogen en na kalm beraad (met voorbedachten rade) heeft gehandeld bij het doodsteken van [slachtoffer 1 (voornaam)] . Nergens uit blijkt dat de verdachte een plan heeft opgevat iemand dood te steken en dat hij dat plan doelbewust en overdacht ten uitvoer heeft gebracht. De rechtbank zal de verdachte daarom gedeeltelijk vrijspreken van dit deel van de beschuldiging onder parketnummer 16/034333-25. Met andere woorden: moord kan niet worden bewezen, maar de doodslag van [slachtoffer 1 (voornaam)] door de verdachte wel.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart dus bewezen dat de verdachte:
parketnummer 16/034333-25
op 1 februari 2025 te [plaats 1] , [slachtoffer 1] (geboren op [2014] ), opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen, met kracht met een mes, in de borststreek van die [slachtoffer 1] gestoken;
parketnummer 16/250914-25 op 1 februari 2025 te [plaats 1] , [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door met een vlakke hand tegen de zijkant van het hoofd van die [slachtoffer 2] te slaan.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Ten aanzien van 16/034333-25 : doodslag;
Ten aanzien van 16/250914-25 : mishandeling.
Strafbaarheid van de feiten
De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Standpunten van de officier van justitie en de verdediging
Zowel de officier van justitie als de advocaat stellen zich op het standpunt dat de verdachte niet strafbaar is. De verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij bij het begaan van het bewezen verklaarde volledig ontoerekeningsvatbaar was.
Oordeel van de rechtbank
Toetsingskader
In het strafrecht is het uitgangspunt dat elke dader verantwoordelijk wordt gehouden voor het door hem of haar gepleegde strafbare feit. Daarop is een uitzondering. In artikel 39 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) staat dat hij die een feit begaat dat hem vanwege een psychische stoornis niet kan worden toegerekend, niet strafbaar is. Ontoerekeningsvatbaarheid is een schulduitsluitingsgrond. Van ontoerekeningsvatbaarheid is sprake als aan drie vereisten is voldaan:
1) er is een psychische stoornis (of psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap) op het moment van de gepleegde feiten;
2) er is sprake van een direct verband tussen de bewezen verklaarde feiten en de ten tijde van die feiten bij de verdachte aanwezige stoornis;
3) de stoornis is zodanig dat deze in de weg staat aan toerekening van de strafbare feiten aan de verdachte.
In het arrest van 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1295 heeft de Hoge Raad aan dit toetsingskader een nadere invulling gegeven. De Hoge Raad heeft hierin bepaald dat de rechter kan beslissen dat het feit niet aan een verdachte kan worden toegerekend als - kortgezegd - de verdachte als gevolg van zo’n stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was óf niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit.
Voor de vraag of het feit aan de verdachte kan worden toegerekend, moet ook worden beoordeeld of het aan de verdachte zelf is te wijten dat hij in de toestand van een psychische stoornis is gekomen, bijvoorbeeld omdat hij verdovende middelen heeft gebruikt.
Het is aan de rechtbank zelf om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het begaan van de bewezen verklaarde feiten sprake was van een stoornis, maar om een oordeel te kunnen geven over deze vragen wordt doorgaans de expertise van gedragsdeskundigen ingeroepen om de rechtbank te adviseren over de persoonlijkheid van de verdachte en over de eventuele aanwezigheid van een stoornis.
De Pro Justitia-rapportage
Bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten, en dus bij de beantwoording van de vraag of de gepleegde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend, heeft de rechtbank in het bijzonder kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van het Pieter Baan Centrum (PBC) van 30 september 2025, opgesteld door psychiater [H] en psycholoog [I] (hierna: de deskundigen). Uit het PBC-rapport blijkt het volgende.
Voorgeschiedenis
Bij de verdachte was in zijn jeugd geen sprake van ernstige gedragsproblemen, maar vanaf zijn zestiende is een duidelijke knik in zijn functioneren te zien. De verdachte begon met cannabisgebruik en gokken, trok zich steeds verder terug en het lukte hem meermalen niet om vervolgopleidingen af te ronden. De verdachte kreeg vermoedelijk vanaf zijn zeventiende voor het eerst te maken met beginnende psychotische symptomen en vanaf zijn twintigste werd hij voor het eerst met een paranoïde psychose opgenomen. In de jaren daarna volgden vanwege zijn psychotische klachten en symptomen veel psychiatrische opnames en ambulante behandelingen in verschillende psychiatrische instellingen, vaak ook in een gedwongen kader. Er was daarnaast ook sprake van het gebruik van verdovende middelen en van gokken. De verdachte kwam herhaaldelijk in contact met politie en justitie, vooral vanwege overlast en vanwege vermogens- en geweldsdelicten. Van begin 2022 tot begin 2024 was de verdachte opgenomen in verschillende forensische klinieken en na een korte periode van beschermd wonen in [plaats 2] verhuisde hij naar familie in [plaats 1] .
Psychische stoornis
Volgens de deskundigen was er ten tijde van de bewezen verklaarde feiten sprake van schizofrenie en van stoornissen in het cannabis- en cocaïnegebruik.
De schizofrenie, waarvan al bijna tien jaar sprake is, kenmerkt zich bij de verdachte vooral door hallucinaties (het horen van geruis en stemmen, het zien van beelden) en paranoïde-, grootheids- en betrekkingswanen. Deze symptomen gaan gepaard met verlies van realiteitstoetsing, waardoor de verdachte in een psychotische toestand niet in staat is tot zelfreflectie. Mogelijk zijn sommige van de psychotische symptomen, zoals de auditieve hallucinaties, continu en daarmee chronisch aanwezig. Inmiddels zijn er ook zogenoemde negatieve symptomen van schizofrenie zichtbaar, zoals affectvervlakking en sombere stemmingen, zelfverwaarlozing en sociale isolatie. Als de verdachte in een psychotische toestand verkeert, gaat dit bij hem opvallend vaak gepaard met (dreigende) agressie. Deze agressieve, gewelddadige component kan een direct gevolg zijn van bijvoorbeeld opdrachtgevende stemmen, maar kan ook een gevolg zijn van (voor anderen niet voorspelbare en niet navolgbare) paranoïde interpretaties van omstandigheden of gebeurtenissen, welke interpretaties boosheid of woede bij de verdachte doen toenemen. Deze agressieve component bij de verdachte is geen uiting van onderliggende persoonlijkheidsproblematiek. Uit de levensgeschiedenis blijkt dat de verdachte vóór aanvang van zijn schizofrenie weinig probleemgedrag liet zien en dat hij nadien in meer stabiele periodes een zachtaardige en vermijdende indruk maakte, zonder nadrukkelijke problemen in de impuls- en agressieregulatie. Wanneer er wel sprake was van agressie, was er ook steeds sprake van een verslechtering van de psychiatrische toestand van de verdachte, soms in combinatie met middelengebruik. Dit was ook het geval bij antisociaal gedrag.
Hoewel bekend is dat de verdachte van tijd tot tijd roesmiddelen gebruikt die van negatieve invloed kunnen zijn geweest op de aard en omvang van psychotische symptomen, is het evident dat de verdachte in samenhang met zijn schizofrenie ook zonder middelengebruik psychotisch kan worden en dat zijn psychoses ernstiger en langduriger verlopen dan past bij uitsluitend middelengebruik. De schizofrenie van de verdachte wordt gecompliceerd door gebruik van roesmiddelen. Het gaat hierbij vooral om cannabis en cocaïne. De verdachte gebruikte vanaf ongeveer zijn zestiende dagelijks cannabis en voelde zich hieraan verslaafd. Het cannabisgebruik was zodanig van aard en omvang dat van een matig ernstige stoornis in het gebruik van cannabis moet worden gesproken. Het cocaïnegebruik stond minder op de voorgrond en wordt als een lichte stoornis geclassificeerd.
Het middelengebruik kan als uiting van een inadequate zelfregulering worden gezien. De verdachte kan zelf de overtuiging hebben dat deze middelen, als een vorm van 'zelfmedicatie', een gunstig effect hebben op zijn psychische klachten (zowel bij uitingen van negatieve symptomen van schizofrenie zoals afvlakking en somberheid, als bij angst door hallucinaties en beginnende wanen). In werkelijkheid neemt zijn psychosegevoeligheid echter daardoor toe, verergert het de al bestaande psychotische symptomen en kan het onderliggende agressieve tendensen faciliteren. De verdachte heeft, als er eenmaal sprake is van een psychotische ontregeling, geen of onvoldoende besef van deze consequenties van zijn middelengebruik: hij is dan, in samenhang met zijn verslavingsgevoeligheid, te veel bezig met het in het hier en nu zoeken van verlichting van de psychotische symptomen en kan door het afnemend realiteitsbesef niet meer overzien wat de consequenties op de wat langere termijn zijn. Voor zover hij daar wel besef van heeft, is door de aanhoudende psychotische symptomen en het afnemende overzicht zijn zelfregulering zo gebrekkig dat hij niet in staat kan worden geacht overeenkomstig dat besef te handelen.
Direct verband tussen stoornis en bewezen verklaarde feiten, en de toerekening
Eind 2024 had de verdachte herhaaldelijk bij zijn behandelaar aangegeven dat hij vanwege bijwerkingen wilde stoppen met zijn antipsychotische medicatie. Omdat de verdachte destijds relatief goed functioneerde, werd ingestemd met een vergroting van het interval (dat wil zeggen: een verlaging van de dosering) van de antipsychotische depotmedicatie, ondanks het feit dat bij eerdere verlagingen gebleken was dat hij snel psychotisch en agressief kon decompenseren. Waar hij gewend was aan een interval van drie weken, kreeg hij op 9 januari 2025 pas na 5 weken zijn volgende depot. De verdachte was hierdoor minder beschermd tegen nieuwe psychotische ontregelingen.
In januari 2025 verslechterde het psychiatrisch functioneren van de verdachte: het lukte hem steeds slechter zijn leven op orde te houden, hij maakte minder contact en voelde zich somberder worden. Diverse factoren zijn hierbij van invloed geweest. De (externe) dag- en weekstructuur was weggevallen omdat hij vanaf begin januari - zonder concrete invulling - vakantie van zijn werk had opgenomen. Daarbij ontbrak het hem al langer aan sociale inbedding en was hij vaak alleen: hij had geen vrienden en geen relatie en met zijn familie had hij beperkt contact. Perspectief op andere (begeleide) woonvormen ontbrak. Voor wat betreft de hulpverlening had hij het gevoel dat hij, sinds de overdracht aan de ambulante zorg vanuit [plaats 2] naar [plaats 3] , tussen wal en schip was geraakt en hij niet als vanzelfsprekend kon terugvallen op hem bekende behandelaren. Met het voorgaande waren meerdere, zeer ongunstige factoren aanwezig voor het ontstaan van een nieuwe psychotische episode, ook los van het latere middelengebruik.
De verdachte raakte door de combinatie van deze factoren toenemend in de ban van een paranoïde psychose. Hoewel het duidelijk is dat de verdachte in de weken voor het ten laste gelegde steeds slechter functioneerde, is het in dit onderzoek niet duidelijk geworden hoe en wanneer hij precies meer last kreeg van de - nagenoeg steeds aanwezige - auditieve hallucinaties en van de paranoïde waanvorming. In een verklaring bij de rechter-commissaris beschreef de verdachte dat hij in die periode auditieve en visuele hallucinaties en paranoïde wanen had die hem angstig maakten. Hij sprak van het gevoel waarbij hij zich moest verdedigen tegen demonen. De paranoïde psychose ging ook nu gepaard met divers (verward) probleemgedrag en ook agressieve uitingen.
In de dagen na zijn aanhouding op 1 februari 2025 was het vanwege zijn ontregelde toestand niet mogelijk om hem te verhoren. Twee dagen na zijn aanhouding werd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) gesproken van een psychotisch toestandsbeeld met forse agitatie en achterdocht. Vanwege de aanhoudende afwerende, geagiteerde en agressieve houding van de verdachte en het ontbreken van ziektebesef en -inzicht werd antipsychotische dwangmedicatie opgestart.
Over het middelengebruik van de verdachte
Of er kort voor de gepleegde feiten sprake is geweest van middelengebruik, is niet vastgesteld. De deskundigen rapporteren dat eventueel middelengebruik bij de verdachte, wanneer hij in een psychotische toestand verkeert, onderliggende agressieve tendensen kan luxeren of faciliteren, maar dat tegelijkertijd van de verdachte bekend is dat agressie tijdens een psychotische episode ook kan plaatsvinden zonder voorafgaand middelengebruik (zoals recent nog het geval is geweest nadat de verdachte vanuit het PBC werd teruggeplaatst in het PPC). Omdat de verdachte alleen ernstig gewelddadig gedrag laat zien tijdens psychotische episodes, menen de deskundigen dat de psychotische toestand van de verdachte hierbij de bepalende factor is.
Conclusie van de deskundigen
Gelet op het voorgaande oordelen de gedragsdeskundigen dat de ernstige psychotische toestand waarin de verdachte verkeerde, zijn handelen ten tijde van beide bewezen verklaarde feiten volledig bepaalde. Vanwege deze volledige doorwerking adviseren zij beide feiten niet aan de verdachte toe te rekenen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat het PBC-rapport zorgvuldig tot stand is gekomen en de daarin opgenomen overwegingen en conclusies gedragen worden door een grote hoeveelheid (medische) informatie over de verdachte (over eerdere opnames tijdens psychotische episodes), alsook door geobserveerde gedragingen van de verdachte in detentie en in het PBC. De verdachte is in totaal zes weken in het PBC opgenomen en geobserveerd. Daarnaast zijn er gesprekken gevoerd met de verdachte en het sociale netwerk van de verdachte en werd kennisgenomen van politiemutaties. Het onderzoek is uitgevoerd door een multidisciplinair team, dat bestond uit een psychiater, een psycholoog, een forensisch milieuonderzoeker en een groepsleider, een proces-begeleidend gedragskundige en een jurist en heeft geresulteerd in een uitgebreid rapport. Het PBC-rapport, in combinatie met de rest van het strafdossier en het onderzoek op de zitting, geven de rechtbank dan ook voldoende informatie om tot een zorgvuldige strafrechtelijke beoordeling te kunnen komen over de strafbaarheid van de verdachte. Hierbij vindt de rechtbank het van belang om op te merken dat wat de verdachte op de zitting heeft verteld over middelengebruik en psychoses ook al bekend was tijdens het onderzoek in het PBC en dat de deskundigen die informatie al hebben meegenomen bij de beantwoording van de vragen over (on)toerekenbaarheid. Dit geeft dan ook geen aanleiding om nadere vragen te stellen aan de deskundigen.
Uit het dossier volgt dat de verdachte in de periode voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten sterk verward gedrag vertoonde. Zo blijkt uit het strafdossier (en het PBC-rapport) dat de verdachte in de nacht van 30 op 31 januari 2025 buiten op straat verward en soms agressief heeft staan schreeuwen, daarbij tegen zijn hand praatte en lange tijd in natte kleding over straat heeft gestruind. Bij zijn aanhouding maakte de verdachte ook een sterk verwarde indruk en zei hij vreemde dingen. Na zijn aanhouding was hij niet in staat om verhoord te worden, vloog hij de hulpofficier van justitie tijdens de voorgeleiding aan en verbeterde zijn toestand pas langzaam na het inzetten van dwangmedicatie. Met de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat de psychose de verdachte volledig in zijn greep had en dat ten tijde van het plegen van de delicten zijn denken en doen volledig door de psychose werden beheerst. Uit het dossier blijken verschillende omstandigheden waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat de verdachte enig besef heeft gehad van het strafbare en moreel onjuiste van zijn handelen. Zo heeft hij het door hem gebruikte mes op het schuurtje in de tuin gegooid en werd zijn jas, waarop bloed van [slachtoffer 1 (voornaam)] zat, in een kliko in de tuin aangetroffen; verdachte lijkt bezig te zijn geweest sporen uit te wissen. Voor zover hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte in staat was om in enige mate de wederrechtelijkheid van zijn gedragingen te begrijpen, was hij, als gevolg van de bij hem aanwezige stoornis, in ieder geval niet in staat om overeenkomstig zijn begrip van wederrechtelijkheid te handelen.
Oordeel over de verwijtbaarheid van de psychose
Op de zitting is de vraag ter sprake gekomen of de verdachte zelf verwijtbaar heeft gehandeld en door middelengebruik heeft bijgedragen aan het ontstaan en de ernst van de psychose. De verdachte verklaarde op de zitting namelijk dat hij ermee bekend is dat drugsgebruik zijn psychoses kunnen verergeren.
Ten aanzien van het eventuele drugsgebruik van de verdachte overweegt de rechtbank allereerst dat niet objectief is vastgesteld of de verdachte daadwerkelijk onder invloed van verdovende middelen verkeerde ten tijde van zijn aanhouding. Vanwege de psychotische toestand van de verdachte en de daarmee gepaard gaande agressie kon dat niet worden vastgesteld; het was niet mogelijk een alcohol- en een drugstest af te nemen. De rechtbank ziet echter wel aanwijzingen in het dossier dat de verdachte voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten mogelijk drugs heeft gebruikt. Hierbij wijst de rechtbank onder andere op de verklaring van de verdachte zelf tegen zijn broer, in een getapt gesprek vanuit de penitentiaire instelling.
Ook als meer bekend zou zijn over wanneer, welke soort en in welke hoeveelheid de verdachte verdovende middelen heeft gebruikt, kan de rechtbank niet vaststellen dat dat gebruik ook daadwerkelijk de psychose heeft getriggerd of verergerd. Van belang is daarbij dat door de deskundigen expliciet is overwogen dat juist de combinatie van andere ongunstige factoren in het leven van de verdachte (waaronder het wegvallen van dag- en weekstructuur en het ontbreken van sociale inbedding) in de periode voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten heeft geleid tot psychotische episoden en dat dit los staat van het eventuele latere middelengebruik. Er waren dus andere factoren die de psychose hebben veroorzaakt. Het middelengebruik, als hiervan al sprake zou zijn, is niet de bepalende factor geweest bij het ontstaan van de psychose.
Daar komt bij dat de deskundigen rapporteren dat bij de verdachte de agressie tijdens een psychotische episode ook kan plaatsvinden zonder voorafgaand middelengebruik. Omdat de verdachte alleen ernstig gewelddadig gedrag laat zien tijdens psychotische episodes, menen de deskundigen dat de psychotische toestand van de verdachte hierbij de bepalende factor is en niet het eventuele middelengebruik. Als dit wel een bepalende factor was, zouden de psychotische klachten van de verdachte moeten opklaren na een periode dat de verdachte niet gebruikt, maar dat is niet gebeurd. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het eerdergenoemde gegeven dat de verdachte na de opname in het PBC en bij de terugplaatsing in het PPC weer agressief gedrag vertoonde en een medegedetineerde had geslagen.
De verdachte zette – tot slot – middelengebruik ook in om juist tijdens een psychotische episode aan ‘zelfmedicatie’ te doen. De deskundigen schrijven daarover op dat de verdachte dan de consequenties daarvan niet kan overzien. Hij zit dan teveel in het hier en nu en zijn gedrag wordt volledig bepaald door wanen en angsten die hem dan overspoelen.
Het is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat het middelengebruik, voor zover daarvan al sprake is geweest, een zodanige invloed heeft gehad op het ontstaan of het verdiepen van de psychose dat de verdachte dat kan worden verweten; van ‘culpa in causa’ is in zoverre geen sprake. Ook zijn er geen andere redenen op grond waarvan de verdachte kan worden verweten dat hij in een psychose is gekomen. Het interval tussen de medicatie-depots was weliswaar vergroot, maar dit was met akkoord van de psychiater gedaan. De verdachte heeft zijn depot in januari 2025 gehaald. Het eerstvolgende depot stond gepland op 6 februari 2025.
Conclusie
Gelet op dat wat hiervoor is overwogen concludeert de rechtbank dat de verdachte, als hij ten tijde van het begaan van de bewezen verklaarde feiten al in staat was om de wederrechtelijkheid van zijn gedragingen te begrijpen, niet in staat was om overeenkomstig dat begrip te handelen, omdat zijn handelen volledig werd bepaald door de psychose, terwijl hem hiervan geen verwijt kan worden gemaakt. Dit maakt dat het bewezen verklaarde in het geheel niet aan de verdachte kan worden toegerekend en dat de rechtbank de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar acht. Met andere woorden: de rechtbank is van oordeel dat een samenloop van omstandigheden, waar de verdachte zelf geen verwijt van kan worden gemaakt, tot de psychose van de verdachte heeft geleid. Door die psychose deed de verdachte wat hij deed. Hij kon op dat moment niet anders en heeft strafrechtelijk gezien geen schuld. In ons strafrechtsysteem is het dan niet mogelijk om een straf op te leggen. Dat zou indruisen tegen het fundamentele uitgangspunt ‘geen straf zonder schuld’.
De verdachte is niet strafbaar. De rechtbank zal de verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.
5. Maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna ook: tbs-maatregel) met dwangverpleging wordt opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt om, overeenkomstig het advies van de deskundigen, aan de verdachte de tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat geen enkele straf of maatregel het verdriet van de ouders, het broertje en de zus en de andere nabestaanden ongedaan kan maken en traumatische herinneringen kan uitwissen. De rechtbank realiseert zich dat een gebeurtenis zoals deze, in een deel van de samenleving – waaronder de nabestaanden – een sterk gevoel oproept dat de verdachte een gevangenisstraf moet ondergaan en zo lang mogelijk uit de samenleving moet worden geweerd. De ouders van [slachtoffer 1 (voornaam)] hebben op de zitting ook benadrukt dat geen enkele straf [slachtoffer 1 (voornaam)] kan terugbrengen, maar dat het achterwege laten van een straf voor hen voelt als een onrecht dat boven op hun verlies wordt gelegd.
De rechtbank begrijpt dat er een behoefte bestaat aan vergelding in de vorm van een gevangenisstraf, maar als wordt geoordeeld dat de verdachte niet strafbaar is, dan kan de rechtbank hem ook geen straf opleggen.
Dit betekent niet dat er geen gevolgen voor de verdachte zijn. Het opleggen van een maatregel behoort wel tot de mogelijkheden. Dit zal de rechtbank ook doen.
Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd
De verdachte heeft zich op 1 februari 2025 in psychotische toestand schuldig gemaakt aan twee geweldsdelicten. Allebei de feiten waren gericht tegen een willekeurig slachtoffer dat de verdachte niet kende en met wie hij geen interactie heeft gehad. De slachtoffers hebben op geen enkele manier aanleiding gegeven voor wat hen is overkomen, zij hadden niets misdaan.
De 11-jarige [slachtoffer 1 (voornaam)] werd door de verdachte aangezien voor een demon, waartegen hij zich moest verdedigen. Terwijl zij op straat was met haar broertje, neefje en nichtje, heeft hij haar volkomen onverwacht van het leven beroofd door haar plotseling vast te pakken en meermalen met een mes in haar borststreek te steken. Dit gebeurde op klaarlichte dag in een woonwijk en in het bijzijn van jonge kinderen tussen de 5 en 13 jaar. De kinderen hebben gezien hoe de verdachte op [slachtoffer 1 (voornaam)] instak. Uit pure angst en paniek dat de verdachte ook hen zou aanvallen, zijn zij weggerend, waarbij het 11-jarige neefje van [slachtoffer 1 (voornaam)] voor zijn ouders nog een tijd onvindbaar is geweest, omdat hij is gevlucht en een paar straten verderop in paniek willekeurige mensen om hulp heeft gevraagd. Een buurmeisje en klasgenootje van [slachtoffer 1 (voornaam)] zag het op relatief korte afstand gebeuren, en het lukte haar in blinde paniek niet om (meteen) haar huis in te vluchten, terwijl de verdachte haar kant op liep. Dat dit enorm beangstigend moet zijn geweest voor al deze jonge kinderen, heeft geen nadere uitleg nodig.
De verdachte heeft onherstelbaar en persoonlijk leed toegebracht aan de nabestaanden van [slachtoffer 1 (voornaam)] . Haar dood was volstrekt willekeurig. Dit alles maakt het handelen van de verdachte voor alle betrokkenen nog onverteerbaarder, onbegrijpelijker en ondraaglijker.
Op de zitting is door een vriendin van de familie namens de ouders van [slachtoffer 1 (voornaam)] gebruik gemaakt van het spreekrecht. Zij heeft op indringende wijze naar voren gebracht hoe groot het verdriet binnen het gezin en de hele familie is vanwege de dood en het plotselinge verlies van hun [slachtoffer 1 (voornaam)] . De pijn is onbeschrijfelijk en het gemis is overal. Zij willen dat [slachtoffer 1 (voornaam)] herinnerd wordt zoals zij was. Niet als slachtoffer in een dossier. Niet als een naam in een strafzaak, maar als hun kind: een mooi en lief meisje, dat hield van lachen, later astronaut wilde worden en zich wilde inzetten voor mensen die het minder hebben. Zij zat nog vol met plannen en dromen, maar aan al deze plannen en dromen is abrupt een einde gekomen.
Niet alleen hebben hun kinderen hun grote zus verloren, maar het 5-jarige broertje van [slachtoffer 1 (voornaam)] heeft ook gezien dat zij werd doodgestoken; een beeld dat hij de rest van zijn leven met zich mee moet dragen. De wereld is voor hem geen veilige plek meer en iedereen buiten is een mogelijke moordenaar. De ouders van [slachtoffer 1 (voornaam)] verwoordden dit als: levend, maar tegelijk dood. Eén kind doodgestoken en begraven en één kind dood in zijn gedachten.
Het leven van de nabestaanden is voorgoed en ingrijpend veranderd. Met het gemis van [slachtoffer 1 (voornaam)] zullen zij de rest van hun leven geconfronteerd blijven. Dat [slachtoffer 1 (voornaam)] geliefd was en dagelijks gemist wordt, blijkt ook uit de aanwezigheid van veel andere nabestaanden en vrienden op de zitting. Ook hun verdriet was voelbaar voor de rechtbank.
De gebeurtenis heeft niet alleen bij de direct betrokkenen, getuigen en buurtbewoners in [plaats 1] , maar ook daarbuiten een schok veroorzaakt. Dit soort incidenten, waarbij personen slachtoffer worden van willekeurig (ernstig) geweld, zorgen voor gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.
Naast het doden van [slachtoffer 1 (voornaam)] heeft de verdachte ook een vrouw mishandeld door haar zonder enige aanleiding tegen haar hoofd te slaan. Dit feit zal op zichzelf al een vervelende en angstige ervaring voor het slachtoffer zijn geweest. De wetenschap dat diezelfde persoon niet veel later [slachtoffer 1 (voornaam)] van het leven beroofde, zal voor haar extra beangstigend zijn.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Uit de eerdergenoemde PBC-rapportage van 20 september 2025 volgt dat de kans op herhaling van ernstig gewelddadig gedrag op korte termijn als zeer hoog wordt ingeschat als de verdachte op zichzelf zou zijn aangewezen. Dat wordt vooral veroorzaakt door het feit dat de verdachte, vanwege de blijvende aanwezigheid van zijn schizofrenie, in korte tijd ernstige psychotische symptomen kan ontwikkelen. Het recidivegevaar is ook hoog omdat nieuwe psychotische episoden vrijwel steeds gepaard gaan met agressie. Deze agressie kan zich richten op willekeurige personen. Ook de voorgeschiedenis leidt tot een hoog recidiverisico. Hierbij zijn de schizofrenie, eerder geweld, problemen met middelengebruik en een gebrekkige respons op behandeling en toezicht en daarnaast werk- en relationele problemen, relevante risicofactoren. Ook binnen de huidige omstandigheden (met zorg, medicatie, begeleiding, beveiliging en toezicht) zijn er aanmerkelijke risicofactoren, waarbij vooral het voortduren van psychotische symptomen, de instabiliteit op alle fronten, de gebrekkige respons op behandeling en toezicht en het matige zelfinzicht van de verdachte relevante risicofactoren vormen. Van belang is dat dit risico onder klinische omstandigheden hoog blijft als de verdachte in een floride psychotische toestand terecht zou komen. Tegenover deze hoeveelheid aan risicofactoren staan weinig beschermende factoren, die bovendien niet doorslaggevend zijn.
Volgens de deskundigen is een langdurige intensieve psychiatrische behandeling van de schizofrenie nodig om het hoge risico op nieuwe geweldsdelicten te verminderen. De basis daarvan wordt gevormd door een adequate behandeling met medicatie (antipsychotica), gecombineerd met abstinentie van middelengebruik.
Bij voldoende stabilisatie zullen ook psycho-educatie en aandacht voor vroegsignalering en terugvalpreventie aan de orde zijn, net als het opbouwen van een sociaal- en familienetwerk en het vinden van passend werk of dagbesteding.
Een eventuele resocialisatie zal stap voor stap en zorgvuldig gemonitord moeten verlopen.
Omdat het recidiverisico op geweldsdelicten ook bestaat tijdens klinische opnames, moet de
noodzakelijke behandeling volgens de deskundigen plaatsvinden in een kliniek met het hoogste beveiligingsniveau, dat wil zeggen een forensisch psychiatrisch centrum, binnen het kader van een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.
Oplegging tbs-maatregel met dwangverpleging
De rechtbank sluit zich aan bij het advies van de gedragsdeskundigen over de noodzaak van een langdurige intensieve psychiatrische behandeling om een goede behandeling mogelijk te maken en het recidiverisico terug te dringen. De rechtbank stelt vast dat wordt voldaan aan de eisen die de wet stelt aan oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging. Bij de verdachte bestond ten tijde van het plegen van de feiten een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, zoals blijkt uit het hiervoor weergegeven PBC-rapport. De bewezen verklaarde doodslag is een misdrijf waarop een gevangenisstraf van meer dan vier jaar staat gesteld. Daarnaast eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging, omdat sprake is van een hoog recidiverisico. Gelet op de bevindingen van de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat de tbs ook noodzakelijk is. Alleen dan is er een stevig kader waarin langdurige behandeling van de verdachte kan plaatsvinden.
De rechtbank zal aan de verdachte de tbs-maatregel met dwangverpleging opleggen.
Ongemaximeerd
De maatregel zal worden opgelegd wegens doodslag. Dit is een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer anderen, zodat de maatregel niet gemaximeerd is en dus niet beperkt is tot de duur van vier jaar.
De rechtbank legt hiermee de zwaarste maatregel op die het strafrecht kent. Hoewel deze maatregel, net als een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf, ook vrijheidsbeneming inhoudt en deze, als aan de voorwaarden is voldaan, onbeperkt kan worden verlengd, realiseert de rechtbank zicht dat deze uitkomst door de nabestaanden en andere betrokkenen mogelijk als onrechtvaardig zal worden ervaren. In deze zaak botst de ernst van het feit en het daardoor aangerichte leed bij de nabestaanden, met de volledige ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Het is daardoor ingewikkeld, zo niet onmogelijk om tot een oordeel te komen dat voor iedereen als rechtvaardig wordt gevoeld.
6. In beslag genomen voorwerpen
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het in beslag genomen mes, met bijhorende foedraal en verpakking, moet worden onttrokken aan het verkeer, omdat het bewezen verklaarde feit (16/034333-25) daarmee is begaan en het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
Met betrekking tot de overige in beslag genomen voorwerpen verzoekt de officier van justitie om deze te bewaren ten behoeve van de rechthebbende.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het in beslag genomen mes met foedraal en bijbehorende verpakking, onttrekken aan het verkeer. Met betrekking tot deze voorwerpen is het onder 16/034333-25 bewezen verklaarde feit begaan. Daarnaast zijn deze voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
Over de andere in beslag genomen voorwerpen kan de rechtbank geen beslissing nemen, omdat er geen beslaglijst in het dossier zit en het voor de rechtbank onvoldoende duidelijk is welke overige in beslag genomen voorwerpen de officier van justitie bedoelt.
7. Vorderingen benadeelde partij
In de zaak met parketnummer 16/034333-25 hebben verschillende personen zich, al dan niet via hun wettelijke vertegenwoordiger, gesteld als benadeelde partij en een vordering tot schadevergoeding ingediend.
Vorderingen van de benadeelde partijen
[A] , de vader van [slachtoffer 1 (voornaam)] , vordert een schadevergoeding van € 68.853,80. Dit bedrag bestaat uit € 13.853,80 voor vergoeding van materiële schade (kosten van lijkbezorging) en € 55.000,- voor vergoeding van immateriële schade (waarvan € 20.000,- als affectieschade en € 35.000,- als schokschade).
[B] , de moeder van [slachtoffer 1 (voornaam)] , vordert een schadevergoeding van € 20.000,-. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (affectieschade).
[C] en [slachtoffer 1] , het broertje en zusje van [slachtoffer 1 (voornaam)] , vorderen allebei een schadevergoeding van € 17.500,-. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (affectieschade).
[D] en [E] , het nichtje en neefje van [slachtoffer 1 (voornaam)] , vorderen allebei een schadevergoeding van € 20.000,-. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (schokschade).
[G] vordert een schadevergoeding van € 15.182,16. Dit bedrag bestaat uit € 182,16 voor vergoeding van materiële schade (reiskosten voor de behandelafspraken bij de psycholoog) en € 15.000,- voor vergoeding van immateriële schade (schokschade).
[F] vordert een schadevergoeding van € 6.839,44. Dit bedrag bestaat uit € 1.839,44 voor vergoeding van materiële schade (kosten voor behandelingen bij de psycholoog en de reiskosten voor de behandelsessies) en € 5.000,- voor vergoeding van immateriële schade als schokschade.
Alle benadeelde partijen verzoeken de schadevergoeding te verhogen met de wettelijke rente. Daarnaast verzoeken zij om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en om een vergoeding voor de gemaakte proceskosten.
Voor zover de schadevergoeding is gevorderd namens de minderjarige [C] , [slachtoffer 1] , [D] , [E] en [G] wordt daarnaast verzocht om de toe te wijzen schadevergoeding over te maken op een rekening met een BEM-clausule.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat alle vorderingen van de benadeelde partijen in zijn geheel kunnen worden toegewezen, omdat deze voldoende zijn onderbouwd.
Ten aanzien van de vordering van [A] stelt de officier van justitie zich subsidiair op het standpunt dat als de rechtbank rekening wil houden met de samenloop tussen de gevorderde affectieschade en schokschade, de schokschade niet verder gematigd moet worden dan naar € 20.000,-.
De schadevergoedingen moet vermeerderd worden met de wettelijke rente en daarnaast moet telkens de schadevergoedingsmaatregel opgelegd worden. Ook moet ten aanzien van de minderjarige benadeelde partijen de schadevergoeding overgemaakt worden op een rekening met een BEM-clausule.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de hoogte van de schadevergoedingen te matigen, omdat de deskundigen hebben geconcludeerd dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was, de verdachte niet de intentie heeft gehad om [slachtoffer 1 (voornaam)] opzettelijk van het leven te beroven en daarnaast sprake is van samenloop tussen de affectieschade en schokschade.
Voor het overige voert de advocaat geen verweer over de (hoogte van de) vorderingen en refereert hij zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Algemene overwegingen
Voordat de rechtbank overgaat tot de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen, zal zij eerst het toepasselijke juridische kader schetsen.
Derden die als gevolg van het overlijden van iemand schade lijden, hebben slechts de aanspraken op schadevergoeding waarin artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voorziet. Het gaat dan om derving van levensonderhoud (lid 1), kosten van lijkbezorging (lid 2) en affectieschade (lid 3). Daarnaast is in de rechtspraak aanvaard dat er ook ruimte bestaat voor een vergoeding van schade die iemand lijdt door confrontatie met een schokkende gebeurtenis, de zogenoemde schokschade.
Affectieschade
Op grond van artikel 6:108 BW hebben naasten van slachtoffers recht op vergoeding van affectieschade. Affectieschade is het nadeel (de pijn en verdriet) dat zij lijden/ondervinden doordat een persoon met wie diegene een hechte affectieve band heeft, als gevolg van het strafbare feit is overleden. Een beperkte kring van personen kan voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komen (genoemd in artikel 6:108 lid 4 BW onder a tot en met g). Zij hebben recht op affectieschade zonder dat zij verplicht zijn om de aard en de ernst van hun schade nader te motiveren. De hoogte van de schadevergoeding wordt bepaald op basis van standaardbedragen die zijn vastgelegd in het Besluit vergoeding affectieschade.
Schokschade
Schokschade komt voor toewijzing in aanmerking als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van een hevige emotionele schok door (i) het waarnemen van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt, kan – afhankelijk van de omstandigheden – dus ook onrechtmatig handelen tegenover degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt (het secundaire slachtoffer).
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:958) blijkt dat de rechter bij de beoordeling van een verzoek tot vergoeding van schokschade, en dus bij de beoordeling van de onrechtmatigheid tegenover het secundaire slachtoffer, onder meer de volgende gezichtspunten moet betrekken:
de aard, de toedracht en de gevolgen van het tegen het slachtoffer gepleegde feit, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het slachtoffer toegebrachte leed;
de wijze waarop de benadeelde partij wordt geconfronteerd met de tegen het slachtoffer gepleegde feit en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of de benadeelde partij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen tegenover het primaire slachtoffer, of nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre de confrontatie onverhoeds was;
de aard en hechtheid van de relatie tussen het slachtoffer en de benadeelde partij.
Deze gezichtspunten moeten in hun onderlinge samenhang worden beschouwd, waarbij niet op voorhand aan een van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Als een van deze gezichtspunten geen duidelijke indicatie voor het aannemen van onrechtmatigheid geeft, kan onrechtmatigheid desondanks worden aangenomen als de omstandigheden daarvoor, bezien vanuit de andere gezichtspunten, voldoende zwaarwegend zijn.
Het bestaan van geestelijk letsel kan in het algemeen alleen worden aangenomen als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Een diagnose is daarvoor niet vereist, maar het bestaan van geestelijk letsel moet wel kunnen worden vastgesteld op grond van een rapportage van een bevoegde en bekwame deskundige, zoals een psychiater, huisarts of psycholoog. Als sprake is van geestelijk letsel, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.
Benadeelde partij [A]
Materiële schade (kosten van lijkbezorging)
valt op grond van artikel 51f, tweede lid, Sv en artikel 6:108, tweede lid, BW binnen de kring van gerechtigden die gedragen kosten van lijkbezorging kan vorderen. De opgevoerde materiële schadepost heeft betrekking op kosten van lijkbezorging en is niet betwist. De kosten bestaan onder andere uit kosten samenhangend met het mortuarium, verzorging van het lichaam, vervoer en luchtvracht ten behoeve van repatriëring van het lichaam van Nederland naar Eritrea, waar [slachtoffer 1 (voornaam)] begraven is. De rechtbank is van oordeel dat deze schadepost voldoende onderbouwd is. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de lijkbezorging van € 13.853,80 daarom in zijn geheel toewijzen.
Immateriële schade (affectieschade)
De rechtbank wijst het verzoek tot vergoeding van de affectieschade toe op grond van artikel 6:108 BW. [slachtoffer 1 (voornaam)] is als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit overleden. [A] heeft recht op vergoeding van affectieschade omdat hij de vader van [slachtoffer 1 (voornaam)] is. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade bedraagt de toe te kennen schadevergoeding € 20.000,-.
Immateriële schade (schokschade)
De rechtbank is van oordeel dat [A] in aanmerking komt voor vergoeding van schokschade, gelet op de hiervoor uiteengezette gezichtspunten van de Hoge Raad.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van doodslag, een extreem feit met fatale gevolgen voor [slachtoffer 1 (voornaam)] (eerste gezichtspunt). Daarnaast had [A] , als vader van de minderjarige en thuiswonende [slachtoffer 1 (voornaam)] , een nauwe hechte relatie met haar (derde gezichtspunt). Uit de toelichting op de vordering en uit het dossier volgt dat [A] kort na het steekincident op de plaats delict aanwezig was. Hij werd daarbij direct geconfronteerd met het lichaam van zijn dochter, die met haar steekverwondingen op straat lag en daar uiteindelijk ook is overleden (tweede gezichtspunt). De rechtbank twijfelt er niet aan dat deze confrontatie een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht bij [A] en ook niet dat daaruit geestelijk letsel is voortgevloeid. Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de confrontatie heeft geleid tot geestelijk letsel in de vorm van PTSS, in combinatie met gecompliceerde rouw. De klachten bestaan onder meer uit dagelijkse herbelevingen van het moment waarop hij zijn dochter aantrof, nachtmerries en aanhoudende somberheid. De benadeelde partij heeft gegevens verstrekt waaruit blijkt dat dit geestelijke letsel is vastgesteld door een GZ-psycholoog en waaruit volgt dat intensieve traumagerichte behandeling noodzakelijk is.
Samenloop affectieschade en schokschade
In het geval van samenloop tussen schokschade en affectieschade zal de rechtbank aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs moeten afwegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van de schokschade, rekening wordt gehouden met die aanspraak op affectieschade. Gelet op de omstandigheden van dit geval, waaronder de ernst van het feit en de langdurige gevolgen die dit feit zullen hebben voor de benadeelde partij, ziet de rechtbank aanleiding om de schokschade naar billijkheid te begroten op het gevorderde bedrag van € 35.000,- en wijst de vordering tot vergoeding van de schokschade tot dat bedrag toe.
Benadeelde partij [B]
De rechtbank wijst het verzoek tot vergoeding van de affectieschade toe op grond van artikel 6:108 BW. [slachtoffer 1 (voornaam)] is als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit overleden. De benadeelde partij heeft, als moeder van [slachtoffer 1 (voornaam)] , recht op vergoeding van affectieschade. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade bedraagt de toe te kennen schadevergoeding € 20.000,-.
Benadeelde partijen [C] en [slachtoffer 1]
Vanwege de onderlinge samenhang tussen de vorderingen van het broertje en zusje van [slachtoffer 1 (voornaam)] zal de rechtbank deze vorderingen gezamenlijk bespreken.
De rechtbank wijst de verzoeken tot vergoeding van de affectieschade toe op grond van artikel 6:108 BW. [slachtoffer 1 (voornaam)] is als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit overleden en haar broertje en zusje stonden naar het oordeel van de rechtbank zonder meer in zodanige nauwe persoonlijke relatie tot [slachtoffer 1 (voornaam)] , dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij als naasten worden aangemerkt. Uit de vorderingen blijkt dat zij een nauwe en hechte affectieve band hadden met [slachtoffer 1 (voornaam)] , samen in hetzelfde gezin opgroeiden en intensief contact hadden met elkaar. Dit volgt ook uit het dossier, waar onder andere uit blijkt dat [C] op de bewuste dag samen met [slachtoffer 1 (voornaam)] buiten aan het spelen was.
Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade bedraagt de toe te kennen schadevergoeding € 17.500,- per benadeelde partij. De rechtbank zal voor beiden dit bedrag toewijzen.
Benadeelde partijen [D] en [E]
De rechtbank is van oordeel dat [D] en [E] allebei in aanmerking komen voor vergoeding van schokschade. Met inachtneming van de gezichtspunten zoals genoemd in 7.4.1. stelt de rechtbank vast dat dat [D] en [E] respectievelijk het nichtje en neefje van [slachtoffer 1 (voornaam)] waren en een nauwe en hechte familieband met haar hadden. Op het moment van het bewezen verklaarde feit speelden zij ook samen met [slachtoffer 1 (voornaam)] buiten. Zowel [D] als [E] zijn directe getuige geweest van de geweldshandelingen die tegen [slachtoffer 1 (voornaam)] zijn gepleegd door de verdachte. Zij waren allebei ontzettend bang dat de verdachte hen ook zou neersteken en zijn toen in paniek weggerend. De rechtbank vindt het evident dat de benadeelde partijen door deze plotselinge en onverwachte gewelddadige aanval een hevige emotionele schok hebben opgelopen waaruit geestelijk letsel is voortgevloeid. Zo heeft de confrontatie onder meer geleid tot ernstige emotionele ontregeling en klachten zoals paniekaanvallen, vermijding, slaapproblemen en verhoogde waakzaamheid. Volgens hun behandelaar komt de aard en intensiteit van hun klachten overeen met de kenmerken van PTSS. Dit geestelijk letsel is ook voldoende onderbouwd (en niet betwist).
Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank de vorderingen tot vergoeding van de schokschade in zijn geheel toe. Rekening houdend met uitspraken van rechters in vergelijkbare zaken zal de rechtbank de gevorderde schokschade vaststellen op het gevorderde bedrag van € 20.000,- per benadeelde partij.
Benadeelde partij [G]
Immateriële schade (schokschade)
De rechtbank is van oordeel dat ook [G] (hierna: [G (voornaam)] ) in aanmerking komt voor vergoeding van schokschade. Met inachtneming van het toetsingskader onder 7.4.1. beoordeelt de rechtbank de vordering als volgt.
Als gevolg van het handelen van de verdachte is [slachtoffer 1 (voornaam)] overleden, waardoor aan het eerste gezichtspunt is voldaan. Daarnaast heeft de destijds 11-jarige [G (voornaam)] het incident direct zien gebeuren en zag zij dat [slachtoffer 1 (voornaam)] werd aangevallen door de verdachte, op de grond viel en nog probeerde op te staan. Toen de verdachte vervolgens haar richting op rende, vreesde zij voor haar leven. Het lukte haar niet de voordeur zelf open te krijgen en zij riep in paniek dat de verdachte niet naar haar toe moest komen.
Als gevolg van het incident heeft [G (voornaam)] zich tot een psycholoog gewend. Uit de stukken die door de advocaat van de benadeelde partij zijn overgelegd, volgt dat [G (voornaam)] als gevolg van deze gebeurtenis onder meer PTSS heeft opgelopen. Zij heeft onder andere last van herbelevingen, hyperalertheid en angstklachten. Dit geestelijk letsel is ook voldoende onderbouwd (en niet betwist).
Daar komt bij dat [G (voornaam)] en [slachtoffer 1 (voornaam)] vriendinnen, klasgenoten en buurtgenoten waren van elkaar. Dit is op zichzelf niet doorslaggevend voor het toekennen van schokschade. Hoewel er onvoldoende gebleken is van een zeer nauwe relatie, is de rechtbank van oordeel dat uit de onderlinge samenhang van de hiervoor benoemde gezichtspunten, waarbij bijzonder gewicht toekomt aan de eerstgenoemde twee gezichtspunten, voldoende aanleiding is om onrechtmatig handelen van de verdachte tegenover de benadeelde partij aan te nemen.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om de schokschade naar billijkheid te begroten op het gevorderde bedrag van € 15.000,-. Dit bedrag zal worden toegewezen.
Materiële schade (reiskosten naar therapie)
De vordering tot vergoeding van de materiële schade is voldoende onderbouwd en door en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom toe voor het gehele gevorderde bedrag van € 182,16.
Benadeelde partij [F]
Immateriële schade (schokschade)
Hoewel er geen verweer is gevoerd tegen de gevorderde schade van de benadeelde partij, moet de rechtbank ambtshalve beoordelen of er een grondslag is op grond waarvan de benadeelde partij in aanmerking komt voor de gevorderde schokschade voor het bedrag van € 5.000,-. De rechtbank doet dit aan de hand van de in 7.4.1. uiteengezette gezichtspunten van de Hoge Raad.
Wat betreft het eerste gezichtspunt stelt de rechtbank vast dat sprake is van doodslag, een feit met fatale gevolgen voor het primaire slachtoffer, [slachtoffer 1 (voornaam)] .
De rechtbank stelt verder vast dat de benadeelde partij niet fysiek aanwezig was bij het onrechtmatige handelen tegenover [slachtoffer 1 (voornaam)] . [F] had weliswaar zijn dochter in paniek aan de telefoon tijdens het fatale incident, omdat zij de voordeur niet open kreeg, maar op dat moment was niet duidelijk wat er precies gebeurde. [F] werd met het gepleegde strafbare feit tegenover [slachtoffer 1 (voornaam)] geconfronteerd bij het achteraf bekijken van de camerabeelden van zijn deurbel, waarop het hele incident was gefilmd. Deze beelden bekeek hij zodat hij wist wat zijn dochter had gezien en hij haar dan beter zou kunnen helpen. Deze confrontatie kan, hoe ingrijpend dit ook moet zijn geweest, niet worden aangemerkt als onverhoeds omdat hij, gelet op de toen bij hem bekende informatie, op een heftige confrontatie bedacht kon zijn. Bovendien is deze confrontatie naar haar aard, namelijk achteraf nadat het feit al heeft plaatsgevonden en digitaal via camerabeelden die ook nog eens van een zekere afstand waren gefilmd, hoewel indringend, minder indringend te noemen dan een rechtstreekse fysieke confrontatie. De rechtbank is van oordeel dat hiermee niet is voldaan aan het tweede gezichtspunt.
Daar komt bij dat ook niet is voldaan aan het derde gezichtspunt. Het enkele feit dat [F] de vader is van een vriendinnetje en klasgenoot van het slachtoffer en in de buurt woont, is onvoldoende om te spreken van een hechte affectieve relatie.
De rechtbank is van oordeel dat het via de telefoon zien en horen van de paniek van zijn dochter [G (voornaam)] , het zien van de reanimatie van [slachtoffer 1 (voornaam)] , het zien van het bloed van [slachtoffer 1 (voornaam)] op de handen van een buurman en het zien van het incident op de cameradeurbeelden achteraf, hoewel indringend, toch van onvoldoende gewicht zijn om tot toewijzing van schokschade te komen. Ook alles bij elkaar genomen vormen de stellingen van de benadeelde partij op dit punt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grondslag voor toekenning van schokschade. Het is invoelbaar dat het gehele incident, maar ook de gedachte “Wat als het met [G (voornaam)] anders was gelopen…”, een forse impact op hem hebben (gehad). Gelet op het voorgaande staat de benadeelde partij echter in een te ver verwijderd verband, waardoor niet gezegd kan worden dat de verdachte ook onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij. De benadeelde partij wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot vergoeding van schokschade.
Materiële schade
[F] heeft € 1.839,44 gevorderd aan materiële schade (kosten voor behandelingen bij de psycholoog en de reiskosten voor de behandelsessies). De rechtbank oordeelt, zoals hierboven uiteen is gezet, dat niet gezegd kan worden dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [F] . Hierdoor is van rechtstreekse schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van de verdachte geen sprake. De vordering zal daarom ook voor dit deel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ten aanzien van alle vorderingen van de benadeelde partijen
Geen matiging
De rechtbank verwerpt het verweer van de advocaat dat de ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte of het feit dat hij niet de intentie had om [slachtoffer 1 (voornaam)] te doden, een reden moet zijn om de schadevergoedingen te matigen. De omstandigheid dat de verdachte het strafbare feit onder invloed van een psychische stoornis heeft verricht maakt de schade niet minder en is geen reden om de schade niet volledig aan hem toe te rekenen (art. 6:165 BW). Er is dus geen reden tot matiging.
Wettelijke rente
De hiervoor toegewezen bedragen die de verdachte aan de benadeelde partijen moet vergoeden, worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de datum van het ontstaan van de schade.
De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2025, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Voor zover het gaat om de vergoeding van de materiële schade, zal
de vergoeding van de kosten van lijkbezorging, zoals gevorderd door [A] worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2025 (factuurdatum);
de vergoeding van de reiskosten voor therapie, zoals gevorderd door [G] , worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2025 (het midden van alle behandeldata).
Schadevergoedingsmaatregel
Daarnaast legt de rechtbank ten behoeve van alle benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar de Staat dit voor hen doet. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast, zoals hieronder in de beslissing weergegeven.
Met betrekking tot het bepalen van de duur van de gijzeling geldt dat in totaal niet meer dan één jaar gijzeling mag worden opgelegd. In deze zaak moet de verdachte (grote) geldbedragen aan meerdere benadeelde partijen betalen. Gelet op het totale bedrag waarvoor de schadevergoedingsmaatregelen in deze zaak worden opgelegd, zou het aantal dagen gijzeling (opgeteld per maatregel) het maximum van één jaar overschrijden. De rechtbank heeft het aantal dagen gijzeling daarom naar evenredigheid berekend, zodanig dat het maximum van in totaal 365 dagen niet wordt overschreden. Het aantal dagen gijzeling is hieronder in de beslissing weergegeven. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Kwijting
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
BEM-clausule
Omdat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [C] , [D] , [E] en [G] minderjarig zijn, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn of haar wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding ten aanzien van [A] , [B] , [C] , [slachtoffer 1] , [D] , [E] en [G] volledig worden toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die deze benadeelde partijen hebben gemaakt. Deze kosten worden op dit moment begroot op nihil.
Omdat de vordering tot schadevergoeding van [F] niet-ontvankelijk wordt verklaard, moet de benadeelde partij de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt in het kader van deze vordering. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.
8. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde maatregel en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende artikelen 36b, 36c, 36f, 37a, 37b, 57, 60a, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
-
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten van parketnummer 16/034333-25 en 16/250914-25 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte niet strafbaar voor het bewezenverklaarde en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging;
maatregel
- gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;
beslag (16/034333-25)
- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
het mes (G3476398), met bijbehorend foedraal (G3476108) en verpakking (G3476110);
vorderingen tot schadevergoeding ten aanzien van 16/034333-25
benadeelde partij [A]
benadeelde partij [B]
Benadeelde partij [C]
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
Benadeelde partij [D]
Benadeelde partij [E]
Benadeelde partij [G]
Benadeelde partij [F]
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, mr. J.P. Verboom en mr. S.E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 16/034333-25
hij op of omstreeks 1 februari 2025 te [plaats 1] , [slachtoffer 1] (geboren op [2014] ),opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg meermalen, althans eenmaal, met kracht met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de borststreek, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] gestoken/gesneden;
in de zaak met parketnummer 16/250914-25 hij op of omstreeks 1 februari 2025 te [plaats 1] , [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door met een vlakke hand tegen het gezicht en/of de zijkant van het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer 2] te slaan.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
Bewijsmiddelen parketnummer 16/250914-25 (mishandeling [slachtoffer 2] )
De verdachte heeft bij de politie bekend dat hij het feit onder parketnummer 16/250914-25, namelijk de mishandeling van [slachtoffer 2] , heeft gepleegd, zoals dit in paragraaf 4.4 bewezen is verklaard. Door hem of namens hem is ook niet om vrijspraak van dit feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
- de (bekennende) verklaring van de verdachte tijdens het politieverhoor op 30 april 2025;
- een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] .
Bewijsmiddelen parketnummer 16/034333-25 (doodslag [slachtoffer 1 (voornaam)] )
Een proces-verbaal van de (deurbel)camerabeelden [straat] [nummeraanduiding 2] , voor zover inhoudende:
Naar aanleiding van het dodelijk steekincident op de [straat] in [plaats 1] werden de camerabeelden van de woning aan de [straat] [nummeraanduiding 2] in [plaats 1] afgegeven.
Gegevens camerabeelden:
Datum: 01-2-2025.
Op het moment dat [G (voornaam)] de naam [slachtoffer 1 (voornaam)] riep zag ik in de verte over de stoep iemand aankomen met een witte broek en een blauwe jas en met lang donker krullend haar (nader te noemen [slachtoffer 1 (voornaam)] ).
Ik zie dat 3 kinderen achter [slachtoffer 1 (voornaam)] aanliepen.
Ik zag rechts in beeld een man aan komen lopen met een witte jas en blauwe broek. Deze man heeft donker kort haar (nader te noemen verdachte).
Ik zie dat de verdachte naast de kinderen loopt en ineens naar rechts draait richting de 4 kinderen.
In de verte is te zien dat verdachte iemand vast pakt.
Ik zie dat de verdachte iemand vast heeft en zwaaiende bewegingen maakt met zijn rechterarm.
Ik zie de verdachte worstelen met iemand en zie dat zijn rechterarm naar voren beweegt.
Ik zie dat de verdachte ineens abrupt omdraait in de richting van [slachtoffer 1 (voornaam)] en een stap in haar richting zet.
Ik zie dat de benen (de witte broek) van [slachtoffer 1 (voornaam)] naar beneden zakken op het moment dat de verdachte zich omgedraaid had.
Ik zie dat [slachtoffer 1 (voornaam)] plat op de grond ligt.
Een proces-verbaal van bevindingen over signalement verdachte, inclusief toegevoegde foto’s, voor zover inhoudende:
Op 1 februari 2025 werd de verdachte [verdachte] op heterdaad aangehouden voor doodslag op een 11 jarig meisje. Van het incident zijn beelden van de [straat] [nummeraanduiding 2] in [plaats 1] .
Op de beelden is de verdachte te zien. Ik kan de verdachte als volgt omschrijven:
- man
- licht getint uiterlijk
- donkere korte haren
- spijkerbroek
- gestreept shirt onder zijn jas
- lichtkleurige jas
Door collega's van de forensische opsporing is een foto gemaakt van de verdachte na zijn aanhouding. Hierop is te zien dat de uiterlijke kenmerken gelijk zijn en dat de verdachte een zelfde gestreept shirt draagt.
Een proces-verbaal van aanhouding van de verdachte, voor zover inhoudende:
Op 1 februari 2025 hoor ik dat de verdachte zich zou bevinden in de wijk of in de woning aan de [straat] [nummeraanduiding 1] . Vervolgens zie ik iemand in de tuin van nummer [nummeraanduiding 1] . Ik kan de man als volgt omschrijven:
- licht getint.
- gestreepte trui
- spijkerbroek
Ik vroeg aan de verdachte of hij iets van legitimatie bij zich had. In de pasjeshouder in zijn broekzak zat een Nederlands Identiteitskaart. Hierop stonden de volgende gegevens: [verdachte] [1995] .
Een proces-verbaal van forensisch onderzoek, aantreffen jas verdachte, voor zover inhoudende:
Op 1 februari 2025 kwamen wij voor forensisch onderzoek aan op de locatie [straat] [nummeraanduiding 1] in [plaats 1] .
Wij zagen een grijze container in de tuin staan. Wij zagen aan de zijkant van de container een sticker met hierop " [straat] [nummeraanduiding 1] ". Wij zagen in de container een beige jas. Wij zagen dat deze jas verfrommeld in de container zat.
Sporendrager:
SIN: AAQT2918NL
Object: Kleding (jas)
Kleur: beige.
Een proces-verbaal van forensisch onderzoek, aantreffen mes, voor zover inhoudende:
Op 2 februari 2025 kwamen wij voor forensisch onderzoek aan op de locatie [straat] ter hoogte van huisnummer [nummeraanduiding 1] , [postcode] [plaats 1] .
Middels een drone en camerabeelden heeft het drone-team een mes aangetroffen op het dak van de schuren van huisnummer [nummeraanduiding 1] en [nummeraanduiding 3] .
Sporendrager:
SIN: AAMT6166NL
Object: Mes
Bijzonderheden: aangetroffen op schuur van huisnummer [nummeraanduiding 3] / [nummeraanduiding 1] .
Een geschrift, te weten een NFI-rapport van het DNA-onderzoek aan het mes, voor zover inhoudende:
Verspreid over het lemmet van het mes (AAMT6166NL) zijn vijf bloedsporen bemonsterd en als AAMT6166NL#01 tot en met #05 veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.
Het heft van het mes is bemonsterd. . De bemonstering is als AAMT6166NL#06 veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.
Een geschrift, te weten een NFI-rapport van het DNA-onderzoek aan de jas van de verdachte, voor zover inhoudende:
Onderstaande bemonsteringen zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek.
AAST8697NL#01 jas AAQT2918NL: bloedspoor buitenzijde achterzijde
AAST8698NL#01 jas AAQT2918NL: deel bloedspoor thv re steekzak
AAST8699NL#01 jas AAQT2918NL: deel bloedspoor vo.z re arm.
Een geschrift, te weten een forensisch pathologisch onderzoek van 6 maart 2025, voor zover inhoudende:
Overledene: [slachtoffer 1] .
Geboortedatum: [2014] .
Aan de borstkas waren twee huiddefecten met beide aansluitend twee wondkanalen (in totaal vier wondkanalen), zijnde bij leven opgelopen steekletsels. De huiddefecten waren circa 6,5 cm en circa 8,5 cm van lengte. De maximale diepte van de steekkanalen betrof circa 19,8 cm.
Bij forensisch pathologisch onderzoek op het lichaam van [slachtoffer 1] , 11 jaar oud geworden, wordt het overlijden zonder meer verklaard door twee steekletsels
aan de borstkas.