RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4329
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, het college
(gemachtigde: mr.dr. B. Wallage).
1. Deze uitspraak gaat over een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verzoeker stelt dat het college onrechtmatig heeft gehandeld door signalen van zijn kwetsbaarheid en hulpbehoefte niet als een melding in de zin van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) aan te merken en geen onderzoek te verrichten. Volgens verzoeker heeft dit geleid tot schade.
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het gestelde handelen en nalaten niet kan worden aangemerkt als een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. De bestuursrechter is daarom onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
3. Verzoeker heeft het college bij brief van 20 februari 2025 aansprakelijk gesteld voor door hem gestelde schade als gevolg van het handelen en nalaten van het college. Op 13 maart en 9 juli 2025 heeft hij deze aansprakelijkstelling uitgebreid en nader toegelicht. Daarbij heeft hij vergoeding gevorderd van € 2.225.000,-. De aansprakelijkheidsverzekeraar van de gemeente heeft aansprakelijkheid afgewezen.
4. Bij verzoekschrift van 24 juli 2025 heeft verzoeker de rechtbank verzocht om toekenning van schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Awb, eveneens tot een bedrag van € 2.225.000,-. Verzoeker heeft nadere stukken ingediend op 13 november en 3 december 2025 en op 26 januari 2026. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Verzoeker is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
5. De rechtbank heeft het verzoek op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.
Omvang van het geding
6. Verzoeker heeft naast het verzoek om toekenning van schadevergoeding ook andere verzoeken gedaan, waaronder verzoeken tot het bevelen van besluitvorming, het verlenen van ondersteuning en het vaststellen van onrechtmatigheid. Ter zitting heeft verzoeker deze nevenvorderingen ingetrokken. De rechtbank beoordeelt daarom alleen het verzoek om schadevergoeding.
Juridisch kader
7. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter een bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van schade als de schade is veroorzaakt door een onrechtmatig besluit (onderdeel a), een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een besluit (onderdeel b), of het niet tijdig nemen van een besluit (onderdeel c). De bevoegdheid van de bestuursrechter is daarmee beperkt tot schade die voldoende samenhangt met besluitvorming.
8. Voor toepassing van onderdeel b volgt uit de memorie van toelichting dat deze bepaling uitsluitend kan worden toegepast indien de voorbereidingshandeling samenhangt met een besluit en de onrechtmatigheid van dat besluit is komen vast te staan. Uit de rechtspraak volgt dat feitelijk handelen alleen onder artikel 8:88 van de Awb kan vallen indien het kan worden aangemerkt als een voorbereidingshandeling van een besluit. Ontbreekt die samenhang met besluitvorming, dan valt het geschil buiten het bereik van deze bepaling.
Toepassing op deze zaak
9. Verzoeker stelt dat het college signalen van zijn kwetsbaarheid en hulpbehoefte had moeten aanmerken als een melding in de zin van de Wmo 2015 en op basis daarvan een onderzoek had moeten starten. Volgens hem heeft het college dit nagelaten en heeft dit ertoe geleid dat hij geen passende ondersteuning heeft ontvangen en schade heeft geleden. Eiser wijst daarbij op verschillende contactmomenten met de gemeente in de periode voorafgaand aan en na de ontruiming van zijn woning, onder meer in verband met zijn schulden, de dreigende ontruiming en zijn situatie daarna. Die periode was voor hem ingrijpend. Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat met name het moment waarop zijn bankrekening werd afgesloten voor hem het punt was waarop hij dringend hulp nodig had. Hij heeft naar voren gebracht dat hij zich in die tijd kwetsbaar voelde en ondersteuning nodig had.
10. Het college heeft aangevoerd dat geen melding in de zin van de Wmo 2015 is gedaan en dat verzoeker geen aanvraag om maatschappelijke ondersteuning heeft ingediend. De contacten waarop verzoeker wijst vonden volgens het college plaats binnen andere trajecten, zoals schuldhulpverlening en bijstandsverlening. Volgens het college is daarom geen onderzoeksplicht en geen besluitplicht ontstaan.
11. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker geen aanvraag om maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo 2015 heeft ingediend. Verzoeker heeft dit ter zitting bevestigd. Daardoor is geen verplichting ontstaan voor het college om een besluit te nemen. Daarom is geen sprake van het niet tijdig nemen van een besluit in de zin van artikel 8:88, eerste lid, onder c, van de Awb. Het door verzoeker gestelde nalaten – het niet aanmerken van signalen als melding en het niet starten van een onderzoek – kan onder deze omstandigheden evenmin worden aangemerkt als een handeling ter voorbereiding van een besluit als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, onder b, van de Awb. Voor toepassing van deze grondslag moet de handeling samenhangen met een besluit waarvan de onrechtmatigheid vaststaat. Nu het college geen besluit heeft genomen, ontbreekt die samenhang.
12. De door verzoeker gestelde schade valt niet onder de in artikel 8:88 van de Awb genoemde categorieën. De rechtbank is daarom niet bevoegd om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen.
13. Met deze beslissing geeft de rechtbank geen inhoudelijk oordeel over de vraag of het college tegenover verzoeker zorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank komt aan die beoordeling niet toe. Als verzoeker zijn schadevordering verder wil laten beoordelen, kan hij zich wenden tot de burgerlijke rechter.
Conclusie en gevolgen
14. De bestuursrechter is onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Verzoeker is vrijgesteld van de verplichting tot betaling van griffierecht.
Beslissing
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. van Niejenhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. A.C. van de Biesebos, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.