RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/174878-24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1955 in [geboorteplaats] ,
wondende aan de [adres 1] , [postcode] in [plaats 1] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van
7 oktober 2025 en op die datum is het onderzoek ter terechtzitting ook gesloten. Bij vonnis van 14 oktober 2025 is het onderzoek ter terechtzitting heropend. De zaak is toen vervolgens voor het horen van aangeefster [aangeefster] verwezen naar de rechter-commissaris. Op 14 april 2026 is de inhoudelijke behandeling voortgezet, waarna het onderzoek ter terechtzitting op 12 mei 2026 is gesloten.
Tijdens de inhoudelijke zittingen waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1: in de periode van 1 januari 2006 tot en met 3 januari 2015 te Utrecht met (zijn stiefkind) [aangeefster] , die toen jonger was dan twaalf jaar, handelingen heeft gepleegd, die ook bestonden uit het met penis en/of vinger(s) seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster];
feit 2: in de periode van 5 januari 2015 tot en met 4 januari 2019 te Utrecht en/of Nieuwegein met (zijn stiefkind) [aangeefster] , die toen ouder was dan 12 jaar, maar nog geen zestien jaar was, handelingen heeft gepleegd, die ook bestonden uit het met penis en/of vinger(s) seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster];
feit 3: in de periode van 5 januari 2019 tot en met 27 december 2020 te Utrecht en/of Nieuwegein (zijn minderjarig stiefkind) [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die ook bestonden uit het met de penis en/of vinger(s) seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster]
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle drie de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden. Volgens de officier van justitie zijn de door aangeefster afgelegde verklaringen consistent en gedetailleerd en vindt haar aangifte steun in de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] . Deze beide getuigen verklaren namelijk over de gemoedstoestand van aangeefster op het moment dat zij vertelt over het seksuele misbruik. Daarnaast vindt de aangifte ook steun in medische informatie en opgemaakte rapporten van Jeugdzorg.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten. De advocaat voert hiertoe aan dat de verklaring van aangeefster niet als voldoende betrouwbaar kan worden aangemerkt. Ook is niet voldaan aan het bewijsminimum. Geen van de getuigen is aanwezig geweest bij het vermeende misbruik en ook kan geen van de getuigen worden aangemerkt als zogenaamde disclosure getuigen. Waarnemingen die wel zijn gedaan door getuigen staan in dermate ver verwijderd verband van het tenlastegelegde dat zij buiten beschouwing dienen te blijven.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen feiten 1, 2, 3
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1, 2 en 3 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage I van dit vonnis staan.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
In 2021 heeft [aangeefster] aangifte gedaan nadat zij van 2008 tot en met 2020 seksueel is misbruikt door haar stiefvader, de verdachte. In een informatief gesprek zeden heeft zij onder meer verteld dat de verdachte anale, vaginale en soms ook orale seks met haar had. Vervolgens heeft zij verklaringen afgelegd bij de politie en bij de rechter-commissaris, waarbij zij nogmaals heeft verklaard over deze handelingen.
De verdachte heeft deze beschuldigingen ontkent en heeft verklaard dat de aangeefster belastende verklaringen over hem heeft afgelegd vanwege een financieel motief.
Juridisch kader
In een zedenzaak doet zich vaak de situatie voor dat alleen de aangeefster en de verdachte aanwezig zijn geweest bij de tenlastegelegde handelingen en dat zij allebei anders verklaren over wat er is gebeurd.
Alleen een betrouwbare verklaring van een aangeefster kan als uitgangspunt dienen voor de verdere beoordeling van het aan de verdachte tenlastegelegde. Bij de beoordeling van een verklaring op haar betrouwbaarheid gaat het onder andere om consistentie, authenticiteit, spontaniteit en waargenomen emoties.
Gelet op het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is alleen de verklaring van de aangeefster, zelfs als die betrouwbaar is, onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Daar staat tegenover dat – op grond van vaste rechtspraak – in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaringen van de aangeefster voldoende wettig bewijs kan opleveren. Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat niet is vereist dat de gedragingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van de aangeefster, als die betrouwbaar wordt bevonden, op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen die afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Tussen de verklaring en het overige gebruikte bewijsmateriaal mag geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster
De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn. De rechtbank acht de verklaring van de aangeefster betrouwbaar en authentiek. De aangeefster heeft consistent en gedetailleerd verklaard over het misbruik. Daarnaast heeft zij toegegeven dat ze bij [A] , een jeugdvriend die zij destijds in vertrouwen heeft genomen, het misbruik ernstiger deed voorkomen dan het daadwerkelijk was. Zo verklaarde ze bij hem over heftig geweld tijdens het misbruik, terwijl zij later aan de politie heeft verteld dat daarvan geen sprake is geweest. De aangeefster heeft bij zowel de politie als bij de rechter-commissaris uitgelegd dat ze bij [A] de situatie aandikte, in de hoop dat zij geloofd zou worden en er wel daadwerkelijk iets zou gebeuren om het misbruik te stoppen. Gelet op het feit dat het misbruik niet is gestopt nadat de aangeefster in groep 8 van de basisschool voor het eerst hierover heeft gesproken en ook instanties betrokken zijn geweest, vindt de rechtbank invoelbaar dat de aangeefster bang was (in haar beleving: opnieuw) niet geloofd te worden en daarom het misbruik bij [A] erger maakte dan het was in de hoop (dit keer) wel geloofd te worden. De advocaat van verdachte merkte, met het oog op aangeefsters betrouwbaarheid op dat het niet mogelijk kan zijn dat het misbruik ‘24/7’ plaatsvond, zoals zij in haar verklaring bij de politie verklaard heeft. De rechtbank begrijpt dat de aangeefster hiermee bedoelde dat het misbruik ‘heel vaak’ en ‘wanneer er gelegenheid toe was’ plaatsvond. Het gaat over een lange periode en de aangeefster was destijds zo jong dan het niet onaannemelijk is dat het misbruik in haar beleving vooral ‘heel vaak’ is gebeurd. De rechtbank volgt deze letterlijke interpretatie van de verklaring van de aangeefster dus niet en heeft ook geen verdere redenen om aan de betrouwbaarheid van haar verklaring te twijfelen. Voor de stelling van de verdediging dat de aangeefster een financieel motief zou hebben om de verdachte in diskrediet te brengen, vindt de rechtbank geen steun in het dossier. De rechtbank acht de belastende verklaringen van de aangeefster betrouwbaar en geloofwaardig.
Voldoende steunbewijs
De rechtbank is van oordeel dat de aangifte op voor de tenlastelegging essentiële onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dit geldt voor de getuigenverklaring van de moeder van de aangeefster en de getuigenverklaring van de mentor van de aangeefster. Zij hebben beiden verklaard over waargenomen emoties bij de aangeefster op het moment dat de aangeefster vertelde over het misbruik door de verdachte. Toen de aangeefster de mentor sprak was het misbruik nog gaande. Hij maakt melding van een trauma respons bij de aangeefster en beschrijft die gedetailleerd. De De moeder van de aangeefster nam emoties waar kort nadat de aangeefster voor de laatste keer bij haar stiefvader was geweest en haar vertelde over het misbruik. De rechtbank ziet in deze verklaringen steun voor de aangifte. De advocaat heeft aangevoerd dat er (ook) sprake zou zijn van een financieel motief de moeder van de aangeefster, maar ook daarvoor ziet de rechtbank geen steun in het dossier en het verhandelde ter zitting.
Contra-indicaties
De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting onvoldoende blijkt van contra-indicaties.
Conclusie
De rechtbank vindt bewezen dat de verdachte de aangeefster seksueel heeft misbruikt toen zij tussen de vijf en zeventien jaar oud was.
Gedeeltelijke vrijspraak feit 1
De rechtbank oordeelt dat een gedeelte van het onder feit 1 tenlastegelegde, te weten een deel van de tenlastegelegde periode en de handelingen genoemd achter de laatste twee gedachtestreepjes, niet kunnen worden bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
Onder feit 1 is als begin van de periode de datum 1 januari 2006 tenlastegelegd. De aangeefster zou op dat moment bijna drie jaar oud zijn geweest. De aangeefster heeft in het informatief gesprek zeden verklaard dat het misbruik begon toen zij ‘vijf of zes jaar oud’ was. Er kan daarom niet worden bewezen dat het tenlastegelegde heeft plaatsgevonden vóór 4 januari 2008, de vijfde verjaardag van de aangeefster. De verdachte wordt om die reden vrijgesproken van de daaraan voorgaande tenlastegelegde periode onder feit 1.
Ook zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de handelingen genoemd achter de laatste twee gedachtestreepjes van het onder feit 1 tenlastegelegde, te weten het door de verdachte brengen/duwen van zijn penis in de anus en mond van de aangeefster. De aangeefster heeft hierover verklaard dat deze handelingen gebeurden vanaf haar twaalfde jaar. De rechtbank is om die reden van oordeel dat deze handelingen niet kunnen worden bewezen onder feit 1, nu dit feit ziet op de periode waarin aangeefster nog geen 12 jaar was.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1:
op meer tijdstippen in de periode van 4 januari 2008 tot en met 3 januari 2015 te Utrecht en Nieuwegein , met (zijn minderjarig stiefkind) [aangeefster] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , te weten meerdere malen (telkens)- het laten aftrekken van zijn penis door die [aangeefster] en- het brengen/duwen van zijn vinger(s) in de vagina van die [aangeefster] en- het brengen/duwen van zijn penis in de vagina van die [aangeefster]
feit 2:
op meerdere tijdstippen in de periode van 5 januari 2015 tot en met 4 januari 2019 te Utrecht en Nieuwegein , met (zijn minderjarig stiefkind) [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 2003, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , te weten meerdere malen (telkens)- het laten aftrekken van zijn penis door die [aangeefster] en- het brengen/duwen van zijn vinger(s) in de vagina van die [aangeefster] en- het brengen/duwen van zijn penis in de vagina van die [aangeefster] en- het brengen/duwen van zijn penis in de anus van die [aangeefster] en- het brengen/duwen van zijn penis in de mond van die [aangeefster] ;
feit 3:
op meer tijdstippen in de periode van 5 januari 2019 tot en met 27 december 2020 te Utrecht en Nieuwegein , (zijn minderjarig stiefkind) [aangeefster]heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , te weten meerdere malen (telkens)- het laten aftrekken van zijn penis door die [aangeefster] en- het brengen/duwen van zijn vinger(s) in de vagina van die [aangeefster] en- het brengen/duwen van zijn penis in de vagina van die [aangeefster] en- het brengen/duwen van zijn penis in de anus van die [aangeefster] en- het brengen/duwen van zijn penis in de mond van die [aangeefster] ,door een andere feitelijkheid, te weten- misbruik/gebruik heeft gemaakt van het fysieke en geestelijke overwicht dat hij, verdachte (als (stiefvader en als volwassene), had over die [aangeefster] en- een patroon van jarenlang misbruik heeft gecreëerd.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, begaan tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd;
feit 2: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, begaan tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd;
feit 3: verkrachting, begaan tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf en maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
een gevangenisstraf van 5 jaar;
een vrijheidsbeperkende maatregel inhoudende een contactverbod met [aangeefster] en een locatieverbod met een straal van 500 meter rondom de woning van [aangeefster] voor de duur van 5 jaar, met 1 maand vervangende hechtenis per overtreding tot een maximum van 6 maanden vervangende hechtenis in totaal;
een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafmaat, gelet op de bepleite vrijspraak.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de stelselmatige verkrachting van zijn minderjarige stiefdochter. De eerste seksuele handelingen hebben plaatsgevonden toen het slachtoffer slechts 5 jaar oud was en het misbruik is pas geëindigd toen zij 17 was. Niet alleen had het slachtoffer (zeker in de eerste jaren) een extreem jonge leeftijd, ook de lange duur van het misbruik, gedurende vrijwel de gehele jeugd van de aangeefster, maakt dat sprake is van zeer ernstig strafbaar handelen. In de relatie tussen een (stief)ouder en een (stief)kind hoort een positieve vertrouwensband te bestaan, waarbinnen een kind in alle veiligheid kan opgroeien tot een gezonde en zelfverzekerde volwassene. De verdachte heeft de aangeefster een onbezorgde jeugd ontnomen en haar vertrouwen op extreme wijze en stelselmatig beschaamd, en daarmee haar gevoel voor eigenwaarde van haar weggenomen. Dat rekent de rechtbank hem zwaar aan.
Door het plegen van dit misbruik heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling en integriteit van het slachtoffer en heeft hij haar normale en gezonde (seksuele) ontwikkeling ernstig doorkruist. Hij heeft geen enkel oog gehad voor haar welzijn en zich alleen bekommerd om zijn eigen seksuele bevrediging. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van ontucht jarenlang, zo niet hun verdere leven, de psychische gevolgen ondervinden van wat het misbruik dat zij hebben moeten doorstaan. Uit het dossier en uit de slachtofferverklaring is duidelijk naar voren gekomen hoe ernstig de psychische gevolgen zijn geweest en ook hoe ernstig de gevolgen nog steeds zijn.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank kijkt ook naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het strafblad van de verdachte van 30 september 2024 blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk misdrijf is veroordeeld. De rechtbank weegt dit niet in strafverzwarende of strafmatigende zin mee.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 13 februari 2025 dat over de verdachte is opgemaakt. Uit het rapport blijkt dat er (enige) aanwijzingen zijn voor seksuele preoccupatie, vrouwonvriendelijkheid (seksistisch denkbeelden), emotionele identificatie voor kinderen en desinteresse in anderen. Dat zijn risicofactoren die de kans op recidive bij veroordeelde zedenplegers verhogen. Het risico op recidive kan door de reclassering niet adequaat worden ingeschat, maar er zijn wel zorgen. De reclassering adviseert bij oplegging van een (deels) voorwaardelijk straf bijzondere voorwaarden te stellen, waaronder een meldplicht bij de reclassering en diagnostiek en ambulante behandeling. Ook adviseert de reclassering een contactverbod met aangeefster als vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.
Strafkader
De rechtbank heeft tevens gelet op straffen die in min of meer vergelijkbare strafzaken door rechters zijn opgelegd.
Gevangenisstraf
De rechtbank heeft minder bewezen verklaard dan waar de officier van justitie bij haar eis van is uitgegaan. De rechtbank spreekt de verdachte immers partieel vrij en acht een kortere pleegperiode bewezen. Het verwijt dat de verdachte met de bewezen verklaarde feiten wordt gemaakt is echter zo ernstig dat de rechtbank een hogere straf op zal leggen dan door de officier van justitie is geëist De rechtbank zal, gelet op wat hiervoor is overwogen, aan de verdachte een gevangenisstraf van zeven jaar opleggen. Dat is de straf die de rechtbank passend en geboden vindt.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
Vrijheidsbeperkende maatregelen
De rechtbank ziet aanleiding om aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De rechtbank zal voor het voorkomen van strafbare feiten bevelen dat de verdachte op geen enkele manier – direct of indirect – contact heeft of zoekt met de aangeefster.
De rechtbank legt deze vrijheidsbeperkende maatregel op voor 5 jaar. Gedurende die periode zal hier per overtreding een maand hechtenis tegenover staan, met een maximum van zes maanden. De rechtbank bepaalt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich strafbaar, dan wel belastend zal gedragen tegenover de aangeefster.
Ook zal de rechtbank de geëiste gedragsbeïnvloedende maatregel van artikel 38z Sr opleggen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, vanwege zijn persoonlijkheid, na het ondergaan van de gevangenisstraf niet zonder toezicht en eventueel behandeling terug kan keren in de maatschappij. De rechtbank vindt een gedwongen kader met een langdurig toezicht, bijvoorbeeld in de vorm van een behandeling, noodzakelijk ter bescherming van de veiligheid van anderen. Gelet op het voorgaande, in combinatie met de aard en de ernst van de feiten en de lange periode waarin die feiten zijn gepleegd, vindt de rechtbank een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht noodzakelijk. Daarmee wordt de mogelijkheid gecreëerd dat de verdachte langdurig onder toezicht wordt gesteld en kan in de verdere toekomst het recidiverisico worden teruggedrongen of op een aanvaardbaar niveau worden gehouden.
Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een maatregel langdurig toezicht is voldaan. De verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en aan hem wordt daarvoor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd.
6. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij
[aangeefster] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 35.000,- voor de feiten 1 t/m 3, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat geheel uit vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen, met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt, gelet op zijn pleidooi tot gehele vrijspraak, de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Naar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending, namelijk het door de verdachte jarenlang plegen van ontuchtige handelingen met zijn minderjarige stiefdochter, mee dat de daaruit voor de benadeelde partij voortvloeiende nadelige gevolgen, zozeer voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. De benadeelde partij heeft daarnaast ook voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit blijkt dat zij psychisch letsel heeft geleden. Wat betreft de hoogte van het toe te kennen bedrag heeft de rechtbank gekeken naar de lange periode waarin de feiten hebben plaatsgevonden, de familiaire relatie en de gevolgen van het strafbaar handelen voor het slachtoffer. Dit alles afwegend acht de rechtbank de gevraagde vergoeding van € 35.000,- billijk. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
Proceskosten
De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Wettelijke rente
De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de uitspraak, te weten 12 mei 2026, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 35.000,-te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 12 mei 2026 ten aanzien van de immateriële schade tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling van de verdachte worden toegepast voor de duur van 175 dagen. Toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting ten behoeve van de benadeelde partij niet op.
7. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- Artikelen 36f, 38v, 38z, 57, 242 (oud), 244 (oud), 245 (oud), 248 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1. is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf en maatregel
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangeefster]
Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. van den Brink, voorzitter, mr. A.M.M. Lemmen en mr. G.M.C. Klink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Steege als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.
De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en
met 3 januari 2015 te Utrecht en/of Nieuwegein , althans in Nederland, met (zijn
minderjarig stiefkind) [aangeefster] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had
bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede
bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , te
weten een of meerdere malen (telkens)
- het laten aftrekken van zijn penis door die [aangeefster] en/of
- het brengen/duwen van zijn vinger(s) in de vagina van die [aangeefster] en/of
- het brengen/duwen van zijn penis in de vagina van die [aangeefster] en/of
- het brengen/duwen van zijn penis in de anus van die [aangeefster] en/of
- het brengen/duwen van zijn penis in de mond van die [aangeefster] ;
2
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 januari 2015 tot
en met 4 januari 2019 te Utrecht en/of Nieuwegein , althans in Nederland, met (zijn
minderjarig stiefkind) [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 2003, die de leeftijd van
twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of
meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden
uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , te weten een of
meerdere malen (telkens)
- het laten aftrekken van zijn penis door die [aangeefster] en/of
- het brengen/duwen van zijn vinger(s) in de vagina van die [aangeefster] en/of
- het brengen/duwen van zijn penis in de vagina van die [aangeefster] en/of
- het brengen/duwen van zijn penis in de anus van die [aangeefster] en/of
- het brengen/duwen van zijn penis in de mond van die [aangeefster] ;
3
hij hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 5 januari 2019 tot
en met 27 december 2020 te Utrecht en/of Nieuwegein , althans in Nederland (zijn
minderjarig stiefkind) [aangeefster]
heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit
of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die
[aangeefster] , te weten een of meerdere malen (telkens)
- het laten aftrekken van zijn penis door die [aangeefster] en/of
- het brengen/duwen van zijn vinger(s) in de vagina van die [aangeefster] en/of
- het brengen/duwen van zijn penis in de vagina van die [aangeefster] en/of
- het brengen/duwen van zijn penis in de anus van die [aangeefster] en/of
- het brengen/duwen van zijn penis in de mond van die [aangeefster] ,
door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere
feitelijkheid, te weten
- misbruik/gebruik heeft gemaakt van het fysieke en/of geestelijke overwicht dat hij,
verdachte (als (stiefivader en/of als volwassene), had over die [aangeefster] en/of
- een patroon van jarenlang misbruik heeft gecreëerd;
Bijlage II: Bewijsmiddelen
- een proces verbaal van aangifte van 18 februari 2021 door [aangeefster] (geboren op [geboortedatum 2] 2003), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
O: Je zegt dat je aangifte wil doen van seksueel misbruik?V: Wat is dat volgens jou?A: Wat mijn vader heeft gedaan sinds ik klein was. Mijn vader [verdachte] . Hij is geboren op [geboortedatum 1] 1955. Het is mijn stiefvader, maar ik noem hem vader.
Ik werd als klein kind, maar ook toen ik 13 of 14 jaar was, seksueel misbruikt door hem. Hij heeft het anaal, oraal en vaginaal gedaan. In het begin was het in mijn moeders huis. Later verplaatste het naar zijn huis.
V: Vanaf wanneer is het gebeurd?
A: Mijn eerste herinnering is vanaf dat ik 5 à 6 jaar oud was.
V: Tot wanneer heeft dit geduurd?
A: Tot en met december 2020.
V: Waar is het allemaal gebeurd?
A: [adres 2] te [plaats 2] en [adres 3] in [plaats 2] en [adres 1] in [plaats 1] .
V: Moest je ook wel dingen bij hem doen?
A: Ja aftrekken en soms een blowjob geven. Hij vingerde mij en zat aan mijn borsten en mijn kont.
V: Vertel eens alles over die anale seks?
A: Hij dat eerst met zijn vingers en daarna met zijn piemel. Die anale seks kwam pas echt toen ik bij hem kwam. Hij ging eerst met zijn vingers erin. Hij ging er dan in en uit en als het dan groot genoeg was moest ik op mijn knieën soort van doggystyle zitten en dan deed hij hem erin zonder condoom.
V: Hoe oud was je toen hij dat deed, toen jij naar hem ging?
A: Die anale seks gebeurde al bij mijn twaalfde jaar.
V: Vertel eens alles over de vaginale seks?
A: Later ging hij met zijn vingers vaginaal erin. Later ging zijn piemel er wel in.
V: Hoe oud was jij toen hij die vaginale seks bij jou deed?
A: Het gebeurde al op de [adres 2] . Dan was ik een jaar of 7 denk ik.
V: Vertel eens over de orale seks bij jou?
A: Hij deed het heel vaak met zijn mond bij mijn clitoris. Hij likte het, mijn clitoris.
V: Hoe oud was jij toen?
A: Ik woonde toen het begon in de [adres 3] . Het duurde tot en met ik 17 jaar was.
V: Vertel eens over het in je mond nemen van zijn penis?
A: Hij bracht mijn hoofd naar zijn piemel. Ik moest het dus in mijn mond nemen, omdat hij dat zei.
V: Hoe oud was jij toen?
A: Ik was toen ouder dan 12 jaar.
V: Vertel eens alles over het aftrekken?
A: Hij bracht mijn hand naar zijn penis en ik moest hem aftrekken.
V: Hoe oud was jij toen dit gebeurde?
A: Het gebeurde al in de [adres 2] voor mijn 7e dus en tot en met mijn 17e.
V: Wanneer was de laatste keer dat er iets tussen jou en [verdachte] gebeurde?
A: Het was in december 2020.
- een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] (mentor van aangeefster) van 1 april 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
We (de rechtbank begrijpt: [aangeefster] en [getuige 1]) hadden eerst een gesprek over school. Toen heeft ze uitgelegd dat er wat gebeurd was. Dat dat over misbruik ging. Ze heeft wel verteld wie het was en waar het was. Ze heeft verteld wat er zoal thuis gebeurde en waarom ze daar weg wilde.
Haar gedrag was tijdens dit gesprek ook vreemd.
Zij vertoonde echt gestrest gedrag, heeft zitten wiegen e.d. en die trauma respons was heel apart, ze viel stil, ze ging zitten draaien, een soort balende beweging omdat ze het niet onder woorden kon brengen. Ze gedroeg zich niet gewoon.
- een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] (moeder van aangeefster) van 23 april 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: Wanneer heb je gehoord dat [aangeefster] (de rechtbank begrijpt: [aangeefster] ) seksueel was misbruikt door [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte)?
A: Ze was 17 jaar. Ze was de eerste kerstdag (de rechtbank begrijpt: 25 december 2020) bij mij. De volgende dag zou [verdachte] haar om 9.00 uur ophalen. Ze is met hem meegegaan. Vervolgens kwam ze terug. En toen zei ze dat ze de dokter moest bellen. Ik vroeg toen aan [aangeefster] wat er aan de hand was. Zij janken, janken. Toen zei ze dat ze misbruikt was en toen moesten wij meteen naar de dokter toe. Ik zag krassen op haar polsen en benen. Bij de hulpverlener zat ze in elkaar en zat ze steeds mij aan te kijken. En met haar handen te friemelen. Toen kreeg ik het te horen. En de handelingen vroeg ze ook nog wat ze moest doen. Voor, achter, mond, dat heeft hij allemaal met haar gedaan. Toen begon ze weer te huilen.