RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Lelystad
Zaaknummer: C/16/608300 / JL RK 26-163
Datum uitspraak: 21 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,
gevestigd te Almere ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedag 2] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. mr. A.S. Bissumbhar.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 maart 2026,
producties van de moeder van 16 april 2026,
een brief met producties van de moeder van 20 april 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- [persoon] namens de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. Zij heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat zij heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 april 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 29 april 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI ziet dat er de afgelopen periode een aantal positieve stappen zijn gezet. De logopedie van [minderjarige 1] gaat weer beginnen, [minderjarige 2] gaat naar de peuterspeelzaal, [minderjarige 1] heeft inmiddels een fiets en een laptop en de oudste zoon van moeder is meer betrokken. Toch heeft de GI er op dit moment nog onvoldoende vertrouwen in dat de moeder in het vrijwillige kader de kinderen op praktisch en emotioneel vlak kan bieden wat zij nodig hebben. De GI ziet dat de moeder zaken oppakt als zij erop geattendeerd wordt, maar het lukt de moeder niet om zelf te signaleren wat er nodig is en dat dan ook te organiseren. Ook vindt de GI dat er gekeken moet worden hoe de moeder haar energie beter over beide kinderen kan verdelen, zodat er ook voldoende aandacht is voor [minderjarige 1] . De moeder heeft een coach, maar de samenwerking tussen de coach en de GI verloopt niet goed. De GI ontvangt geen verslagen van de coach en de coach is een tijd onbereikbaar geweest. De GI wil het komende half jaar kijken of er een betere samenwerking met de coach tot stand kan komen en of de hulp van de coach voldoende is. Zo niet, dan wil de GI nog een extra vorm van hulpverlening inzetten zodat er toegewerkt kan worden naar het vrijwillige kader.
De moeder is het niet eens met het verzoek. Zij wil graag in het vrijwillige kader verder en is bereid om alle hulp te aanvaarden die maar nodig is. De moeder ervaart haar coach als heel waardevol. Zij gaat bijvoorbeeld mee naar oudergesprekken, helpt moeder met het organiseren van bepaalde zaken en biedt een luisterend oor. Ook komt er elke week een maatschappelijk werker bij de moeder thuis. De moeder denkt dat zij, met de hulp die zij in het vrijwillige kader kan ontvangen, goed in staat is om de kinderen op een fijne manier op te laten groeien. Daarnaast ervaart de moeder veel stress door de ondertoezichtstelling.
5. De beoordeling
Het is voor de moeder soms lastig om zelf te zien wat de kinderen nodig hebben. De GI heeft het afgelopen jaar de gaten die daardoor vallen gevuld en zaken geregeld, zoals een laptop en een fiets voor [minderjarige 1] . De moeder is bereid om hulp te aanvaarden. Zij heeft wekelijks contact met een coach en een maatschappelijk werker en inmiddels is ook haar oudste zoon meer betrokken. Hij heeft aangegeven zijn moeder meer te zullen ondersteunen bij de opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Over het algemeen lijkt het goed te gaan met beide kinderen en net als de GI twijfelt de kinderrechter er niet aan dat de moeder het beste voor haar kinderen wil. Dat zij hier hulp bij nodig heeft, snapt zij ook. De kinderrechter heeft er daarom voldoende vertrouwen in dat de moeder de betrokken hulpverlening in het vrijwillige kader doorzet en haar zoon om hulp vraagt als dat nodig is. De school van [minderjarige 1] en de peuterspeelzaal van [minderjarige 2] hebben ook zicht op hoe het met de kinderen gaat. Daarnaast ervaart de moeder veel stress door de ondertoezichtstelling wat ertoe leidt dat de samenwerking met de gezinsvoogd moeilijk verloopt. Die stress bij de moeder is niet goed voor de kinderen. Alles bij elkaar genomen ziet de kinderrechter nu onvoldoende reden om de kinderen nog langer onder toezicht te stellen. Dit betekent dat het verzoek wordt afgewezen.
6. De beslissing
De kinderrechter wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026 door mr. M.M. Janssen - Witteveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.R.S. Salomé als griffier, en op schrift gesteld op 30 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: