RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/180115-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 29 mei 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1990] in ' [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres de [adres] in [woonplaats] ,
gedetineerd in de [verblijfplaats]
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 8 mei 2026. Het onderzoek is gesloten op 29 mei 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 12 juni 2025 te [plaats] brand heeft gesticht in een woning aan de [adres] waardoor gemeen gevaar voor goederen in die woning en/of aangrenzende gebouwen te duchten was;
feit 2
op 12 juni 2025 te Schokland meerdere ramen en een sleutelkastje heeft vernield en/of beschadigd;
feit 3
op 17 juli 2023 te [plaats] brand heeft gesticht in een schuur gelegen aan de [adres] waardoor gemeen gevaar voor alle dieren en/of andere goederen in en om die schuur en/of de aangrenzende gebouwen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;
feit 4
primair
op 17 juli 2023 te Schokland zonder redelijk doel pijn en/of letsel of benadeling van de gezondheid en/of het welzijn bij meerdere dieren heeft veroorzaakt door de schuur waarin die dieren zaten in brand te steken;
subsidiair
op 17 juli 2023 te Schokland meerdere dieren heeft beschadigd;
feit 5
op 22 april 2025 te [plaats] heeft geprobeerd brand te stichten in een woning aan de [adres] , terwijl daardoor gemeen gevaar voor alle goederen in en om die woning gelegen en/of aangrenzende gebouwen te duchten was;
feit 6
op 16 augustus 2024 te [plaats] brand heeft gesticht in een schuur gelegen aan de [adres] waardoor gemeen gevaar voor alle dieren en/of goederen in en om die schuur en/of de aangrenzende gebouwen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat er levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was door de brandstichtingen. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van de feiten 1, 3 en 6, in die zin dat er geen gevaar voor personen of omliggende woningen te duchten was.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De verdachte bekent dat hij de feiten 1 tot en met 6 heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven.
De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
de bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 8 mei 2026;
het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] van 12 juni 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 12 juni 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige van [getuige] van 12 juni 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] van 13 juni 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict van verbalisant [verbalisant 3] van 19 juni 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] van 17 juli 2023, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] van 24 april 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [benadeelde] van 16 augustus 2024, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] van 21 juli 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] van 9 mei 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1
op 12 juni 2025 te [plaats] , gemeente Noordoostpolder, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan de [adres] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een gordijn en in aanraking gebracht met open vuur, ten gevolge waarvan brand is ontstaan terwijl daarvan gemeen gevaar voor de zich in die woning bevindende goederen en aangrenzende gebouwen te duchten was;
feit 2
op 12 juni 2025 te [plaats] , gemeente Noordoostpolder, gemeente Noordoostpolder, opzettelijk en wederrechtelijk meerdere ramen en een sleutelkastje, die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde] , toebehoorden heeft beschadigd;
feit 3
op 17 juli 2023 te [plaats] , gemeente Noordoostpolder, opzettelijk brand heeft gesticht in een schuur (gelegen aan de [adres] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een hooibaal in aanraking gebracht met open vuur, ten gevolge waarvan brand is ontstaan terwijl daarvan gemeen gevaar voor alle dieren en andere goederen in en om die schuur te duchten was;
feit 4, primair
op 17 juli 2023 te Schokland, gemeente Noordoostpolder, zonder redelijk doel, bij een of meerdere dieren, te weten meerdere paarden en meerdere Vlaamse reuzen en meerdere Indische loopeenden en meerdere kippen, pijn en letsel heeft veroorzaakt en de gezondheid en het welzijn van dat dier heeft benadeeld, door de schuur waar voornoemde dieren in of naast stonden in brand te steken;
feit 5
op 22 april 2025 te [plaats] , gemeente Noordoostpolder, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een woning (gelegen aan de [adres] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een kozijn van een deur in aanraking gebracht met open vuur, terwijl daarvan gemeen gevaar voor alle goederen in en om die woning te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 6
op 16 augustus 2024 te [plaats] , gemeente Noordoostpolder, opzettelijk brand heeft gesticht in een schuur(gelegen aan de [adres] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een hooibaal in aanraking gebracht met open vuur, ten gevolge waarvan brand is ontstaan terwijl daarvan gemeen gevaar voor alle dieren en goederen in en om de schuur te duchten was.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
feit 2
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en/of beschadigen;
feit 3
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
feit 4 primair
zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren;
feit 5
poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
feit 6
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Strafbaarheid feiten
De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Beroep op schulduitsluitingsgrond
De advocaat van de verdachte stelt zich op het standpunt dat de verdachte geen strafbare dader is, omdat de verdachte de strafbare feiten in opdracht van een ander heeft gepleegd en een willoos werktuig is geweest. De advocaat verzoekt de verdachte dan ook te ontslaan van alle rechtsvervolging.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat uit geen enkel objectief bewijsmiddel blijkt dat de verdachte opdracht heeft gekregen om de branden de stichten en dat er daarom geen sprake is van alle afwezigheid van schuld.
Oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft verklaard dat hij door een ander is aangezet tot de brandstichtingen waarbij die ander grote druk op hem heeft uitgeoefend. Ook als de rechtbank deze verklaring tot uitgangspunt neemt, leidt dat naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat de verdachte als een willoos werktuig heeft gehandeld. Er kan immers niet gezegd worden dat hij zonder eigen vrije wil of enig besef van de strafbaarheid handelde. Alhoewel de rechtbank onderkent dat verdachte stoornissen heeft en daardoor zijn wil minder vrij kan bepalen is dan andere personen, maken deze stoornissen niet dat de verdachte geen enkel verwijt valt te maken. Het beroep op afwezigheid van alle schuld faalt dus.
Voor zover de raadsvrouw heeft betoogd dat sprake is van de schulduitsluitingsgrond psychische overmacht, faalt dat ook. De Hoge Raad heeft bepaald dat (psychische) overmacht aan de orde is wanneer er sprake is van een van buiten komende drang, waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Daarvan was in dit geval geen sprake. Zelfs als de verdachte telefonisch onder druk werd gezet om de branden te stichten, waren er andere mogelijkheden voor de verdachte om daarmee om te gaan, ook met inachtneming van zijn beperking.
Uit de inhoud van het Pro Justitia rapport over de verdachte van 31 maart 2026 volgen geen andere feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluiten. De verdachte is strafbaar.
5. Straf en maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest.
De officier van justitie eist verder dat aan de verdachte wordt opgelegd:
een maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: tbs met dwangverpleging);
de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) in de zin van artikel 38z het Wetboek van Stafrecht.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank primair geen tbs met dwangverpleging op te leggen. Ook als de rechtbank ervan uitgaat dat de verdachte een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling heeft, hebben de deskundigen geen causaal verband tussen die stoornis en de tenlastelegging vastgesteld (maar alleen dat doorwerking te verwachten valt). Ook is niet voldaan aan het gevaarscriterium.
De advocaat stelt tevens dat er geen sprake is van agressie en ook niet van een hoog recidiverisico omdat de laatste veroordeling dateert van 2019. Daarnaast meent de advocaat dat de deskundigen onvoldoende gemotiveerd hebben waarom een hoog beveiligingsrisico aan de orde is.
De advocaat doet subsidiair een voorwaardelijk verzoek tot het opstellen van een maatregelenrapport, als de rechtbank overweegt om een maatregel op te leggen. De advocaat stelt zich op het standpunt dat tbs met voorwaarden haalbaar kan zijn, mede gelet op het feit dat de verdachte eerder altijd heeft meegewerkt aan opgelegde voorwaarden.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf en maatregelen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft in ongeveer twee jaar tijd vier keer brand gesticht op het terrein van de dagbesteding. Met de brandstichtingen heeft de verdachte niet alleen steeds flinke materiële schade aangericht, maar ook zijn bij één brand meerdere konijnen, kippen en eenden doodgegaan. Daarnaast zijn paarden getroffen, al konden die gelukkig worden gered. Hoewel de verdachte wel leek te beseffen hoe erg het was wat hij deed, heeft hij keer op keer toch weer brand gesticht. De verdachte ging naar eigen zeggen met veel plezier naar de dagbesteding. Dat zal ook zo zijn geweest voor de andere (kwetsbare) deelnemers aan de dagbesteding. Uit de vordering van de benadeelde partij is gebleken dat de brandstichtingen grote impact hebben gehad op de eigenaresse. Uiteindelijk heeft zij, als gevolg van de vele branden, de dagbestedingslocatie zelfs moeten sluiten. De verdachte heeft met zijn handelen dus ook een grote groep mensen getroffen.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 4 september 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Rapportages
De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdachte onder meer en voor zover hier van belang kennisgenomen van:
een rapport betreffende een Pro Justitia triple geïntegreerd onderzoek van 31 maart 2026;
een rapport van de reclassering van 23 april 2026.
Uit voornoemd Pro Justitia rapportage volgt dat de psychiater en psycholoog een autisme spectrum stoornis (hierna: ASS) en een licht verstandelijke beperking (gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens) hebben vastgesteld. Mogelijk zou er ook sprake zijn van een psychosegevoeligheid. De psycholoog en de psychiater kunnen geen delictscenario opstellen, waarbij een heldere doorwerking beschreven kan worden. Er zijn verschillende hypothesen uitgewerkt. In elk geval lijkt er geen sprake te zijn geweest van een allesoverheersende psychopathologie. Zij stellen echter wel vast dat de aanwezige pathologie zo alomvattend en persisterend is en zodanig van invloed op zijn dagelijks functioneren dat in ieder geval een doorwerking te verwachten valt. De psychiater en psycholoog adviseren om de feiten, indien bewezen, in verminderde mate toe te rekenen.
De rechtbank neemt de conclusies van deze deskundigen ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid over en maakt die tot de hare. De rechtbank concludeert dat de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.
De psycholoog en de psychiater stellen verder dat er sprake is van een hoog recidiverisico op gewelddadig gedrag. Deze conclusie is gebaseerd op de verzamelde informatie over de verdachte, het gebruik van risicotaxatie-instrumenten en het klinisch oordeel. De psychiater en psycholoog adviseren een langdurige opname in een setting met een voldoende hoog beveiligingsniveau in de vorm van tbs met dwangverpleging zonder voorgenomen tijdsduur.
De deskundigen hebben overwogen of een behandeling in een ander kader in beeld kan komen. De verdachte is echter onvoldoende in staat zich te conformeren aan opgelegde voorwaarden en heeft ook aangegeven hier niet aan mee te willen werken. Bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel, een zorgmachtiging of tbs met voorwaarden worden dan ook niet haalbaar geacht om het recidiverisico te minderen. Bij tbs met dwangverpleging is sprake van het zeer intensieve en langdurige behandelkader, dat nodig is om het recidiverisico op termijn te minderen.
In het reclasseringsrapport staat dat de reclassering – gelet op de geconstateerde psychische problematiek en het hoge recidiverisico – geen mogelijkheden ziet voor een afdoening met een voorwaardelijk kader. De reclassering onderschrijft het rapport van de psycholoog en de psychiater.
Voorwaardelijk verzoek opstellen maatregelenrapport
Gelet op de voornoemde rapporten ziet de rechtbank geen aanleiding om een maatregelenrapport op te laten stellen. Zowel de psycholoog en psychiater, als ook de reclassering zijn er stellig over dat een tbs met voorwaarden niet haalbaar is. Bovendien is ook op zitting niet gebleken dat de verdachte mee zal werken aan eventueel opgelegde voorwaarden.
Straf en maatregel
Gevangenisstraf
Gelet op de aard en ernst van de feiten is naar het oordeel van de rechtbank in beginsel een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats. De rechtbank let daarbij op de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Van belang is verder dat er bij de branden geen gevaar voor personen te duchten is geweest. De rechtbank vindt strafverzwarend dat de verdachte keer op keer de fout in is gegaan in een lange periode van twee jaar, en dat de brandstichtingen steeds tegen hetzelfde slachtoffer gericht waren. De rechtbank wijkt echter af van de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank zwaarder gewicht toekent aan de verminderde toerekening van de feiten aan verdachte. Ook weegt de rechtbank in de strafmaat mee dat tbs met dwangverpleging wordt opgelegd.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Tbs met dwangverpleging
De officier van justitie heeft tbs met dwangverpleging gevorderd. De rechtbank overweegt dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een tbs-maatregel is voldaan, namelijk dat:
- sprake is van een misdrijf waarop minimaal 4 (vier) jaar gevangenisstraf staat;
- is vastgesteld dat bij verdachte ten tijde van het delict sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens;
- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel vereist (gevaarscriterium);
- de rechtbank beschikt over adviezen van gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die verdachte hebben onderzocht.
Ter toelichting geldt het volgende.
Gebrekkige ontwikkeling of stoornis van de geestvermogens:
De rechtbank volgt de psychiater en psycholoog in de conclusie dat de verdachte lijdt aan ASS en dat sprake is van een licht verstandelijke beperking (gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens). Op grond van deze conclusie is de rechtbank van oordeel dat bij de verdachte ook ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde een gebrekkige stoornis of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, Sr bestond. Voor dit vereiste is voldoende dat een verband bestaande uit gelijktijdigheid kan worden vastgesteld. Dat is hier het geval.
Een misdrijf genoemd in artikel 37a, eerste lid en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht:
De rechtbank stelt vast dat aan dit vereiste is voldaan. De onder 1, 3, 4 primair, 5 en 6 bewezen verklaarde feiten leveren een geweldsdelict op waar naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 4 (vier) jaar of meer is gesteld. De rechtbank houdt daarnaast ook rekening met het feit dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere strafbare feiten.
Gevaarscriterium
De rechtbank heeft overwogen of tbs met dwangverpleging moet worden opgelegd, aangezien dit een zeer verstrekkende maatregel is. De vraag moet worden beantwoord of die maatregel in de situatie van de verdachte passend en geboden is. De rechtbank oordeelt, alles overwegende, dat dit het geval is. De rechtbank volgt daarmee het advies van de psychiater en psycholoog om de verdachte binnen het kader van tbs met dwangverpleging te behandelen. De rechtbank neemt in haar overweging het hoge recidiverisico mee, dat mede is gebaseerd op het klinisch oordeel over de verdachte. Ook wegen de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten mee. Daarnaast weegt voor de rechtbank zwaar dat uit het rapport van psychiater en psycholoog naar voren komt dat oplegging van de tbs met dwangverpleging de enige mogelijkheid lijkt te zijn om verdachte te helpen en het hoge recidiverisico op geweldsincidenten in te perken. De rechtbank weegt daarbij mee dat de verdachte heeft aangegeven niet mee te willen werken aan voorwaarden, omdat hij alles al geleerd zou hebben. Behandeling in een strak kader met een hoog beveiligingsniveau is noodzakelijk om de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen te beschermen.
Alles overziend, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van tbs met dwangverpleging noodzakelijk maakt.
Duur van de maatregel
Op grond van artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, mag de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren niet te boven gaan, tenzij de tbs-maatregels is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (hierna: een geweldsmisdrijf). De beslissing over de vraag of de tbs gemaximeerd is, is blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht (Kamerstukken II 1992/93, 22 909, nr. 6, p. 5) gebaseerd op het oordeel over de aard van het feit. De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde brandstichtingen onder de omstandigheden waaronder die hebben plaatsgevonden niet kunnen worden aangemerkt als een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De verdachte heeft weliswaar meerdere malen brand gesticht, maar hierdoor is geen gevaar voor personen ontstaan.
Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de voorwaarde voor het opleggen van een ongemaximeerde tbs-maatregel. De tbs-maatregel met dwangverpleging kan daarom maximaal vier jaar bedragen. De rechtbank zal dan ook aan de verdachte een gemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging opleggen.
Oplegging van gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38z Sr)
De verdachte heeft onder invloed van zijn stoornis meerdere brandstichtingen gepleegd, en dit zijn geweldsdelicten. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bescherming van de samenleving vereist dat toereikende maatregelen genomen worden om recidive te voorkomen. Aangezien er op dit moment een hoog risico op recidive van gewelddadig gedrag bestaat en voorkomen moet worden dat dit na beëindiging van de tbs met dwangverpleging tot onveiligheid voor de samenleving leidt, is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste GVM moet worden opgelegd. Aan de voorwaarden voor oplegging van deze maatregel is voldaan, omdat tbs met dwangverpleging wordt opgelegd, en omdat een GVM kan worden opgelegd ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. Naar het oordeel van de rechtbank is aan deze voorwaarde voldaan, gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten en het in de rapportages geschatte hoge recidiverisico indien verdachte geen adequate behandeling krijgt. De rechtbank acht het van belang dat na het beëindigen van de tbs-maatregel toezicht kan worden gehouden op de verdachte, omdat ASS en een licht verstandelijke beperking blijvend aanwezige stoornissen zijn. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat oplegging van deze maatregel in dit geval aangewezen is. Bij het einde van de opgelegde tbs-maatregel kan beoordeeld worden in hoeverre het recidiverisico nog aanwezig is en of en zo ja, welke voorwaarden moeten worden opgelegd ter bescherming van de veiligheid van anderen. Tegen de tijd dat de opgelegde tbs-maatregel afloopt, zal de officier van justitie een nieuw reclasseringsadvies op moeten laten maken en eventueel een medische verklaring, als behandeling of opname in een zorginstelling nodig wordt geacht.
Tenuitvoerlegging van de straf
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
6. In beslag genomen voorwerpen
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen voorwerp, de buis, te onttrekken aan het verkeer.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft geen standpunt ingenomen over de beslissing met betrekking tot het in beslag genomen voorwerp.
Oordeel van de rechtbank
Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Dit voorwerp is bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten aangetroffen. Het in beslag genomen voorwerp kan bovendien dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven.
De rechtbank zal de buis onttrekken aan het verkeer.
7. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij
[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in de zaak gevoegd en vordert een bedrag van € 21.626,01. Dit bedrag bestaat uit € 3.208,99 aan materiële schade en € 18.417,02 aan immateriële schade, ten gevolge van het bewezen verklaarde.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering ten aanzien van de immateriële schade toegewezen dient te worden tot een bedrag van € 8.000,-. Ten aanzien van de materiële schade concludeert de officier van justitie dat de vordering dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 7.807,53, dus met uitzondering van de kosten van de dierenarts, het doormelden van de camerabeelden na de aanhouding van de verdachte en de offerte uit 2023. De officier van justitie verzoekt de rechtbank om de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
Het toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en daarbij dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.
Standpunt van de advocaat
De advocaat stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden dan wel dat de vordering afgewezen moet worden. De advocaat stelt dat de vordering een onevenredige belasting voor het strafproces vormt, nu er veel onduidelijk is over de bedragen en de totstandkoming van de hoogte van de vordering. Daarnaast staan de facturen op naam van het bedrijf [bedrijf] en heeft de benadeelde partij in persoon de vordering ingediend. Ook het causale verband tussen de kosten en de tenlastegelegde feiten zijn onvoldoende onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat zij door de strafbare feiten geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partij onvoldoende met concrete gegevens heeft onderbouwd welke gevolgen, strekkende tot geestelijk letsel, de strafbare feiten voor haar hebben gehad. Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is in dit geval geen sprake, gelet op rechtspraak van de Hoge Raad.
De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Materiële schade
Uit de stukken in het dossier blijkt dat [bedrijf] een eenmanszaak is en dat
[benadeelde] eigenaar is van dit bedrijf. De rechtbank stelt derhalve vast dat de benadeelde partij [benadeelde] bevoegd is om namens [bedrijf] de vordering in te dienen.
Het gedeelte van de vordering dat ziet op het inhuren van de beveiliging en het plaatsen van de camera’s is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank wijst daarom dit deel van de vordering toe.
De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van doormelding van de camera’s na het moment dat de verdachte is aangehouden af, omdat de verdachte vanaf dat moment gedetineerd was en er van hem dus geen dreiging meer uit kon gaan. De rechtbank wijst ook de vordering met betrekking tot de offerte af, nu niet blijkt of deze offerte daadwerkelijk betaald is.
Ten aanzien van de kosten die gemaakt zijn bij de dierenkliniek voor de verzorging van het paard zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid. Uit de facturen blijkt niet concreet welke kosten rechtstreeks verband houden met het letsel dat zou zijn opgetreden na de brand. Evenmin is er een verklaring van een dierenarts aanwezig, waaruit zou blijken welk letsel door de brand is ontstaan en welke behandeling hiervoor nodig was. Wel oordeelt de rechtbank het gelet op de onderbouwing aannemelijk dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor een verslechterde gezondheid van het paard als gevolg van de brand. Gebruik makend van haar schattingsbevoegdheid begroot de rechtbank de materiële schade ten aanzien van de kosten bij de dierenkliniek op € 500,-.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering voor deze schadepost niet-ontvankelijk, omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Wettelijke rente
De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De rechtbank is van oordeel dat er - ten aanzien van de kosten bij de dierenkliniek - sprake is van schade die is geleden in een langere periode tussen de datum van de eerste factuur en de datum dat het paard ingeslapen is. De rechtbank zal voor de ingang van de wettelijke rente uitgaan van het midden van de periode gelegen tussen 19 augustus 2024 (uiterste betaaldatum eerste factuur) en 30 augustus 2025 (uiterste betaaldatum factuur inslapen paard). De vergoeding van deze schadepost wordt daarom vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2025, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De vergoeding van de aanschaf van een extra camera op 25 september 2023 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2023, omdat vast is komen te staan dat de kosten van de behandeling van de benadeelde partij op die datum zijn betaald.
De vergoeding van de kosten voor de beveiliging wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 mei 2025, omdat vast is komen te staan dat de kosten van de behandeling van de benadeelde partij op die datum zijn betaald.
De vergoeding van de aanschaf van de installatie van het camerasysteem op 2 mei 2025 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2025, omdat vast is komen te staan dat de kosten van de behandeling van de benadeelde partij op die datum zijn betaald.
De vergoeding van de aanschaf van een extra camera op 13 mei 2025 wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2025, omdat vast is komen te staan dat de kosten van de behandeling van de benadeelde partij op die datum zijn betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van
€ 9.516,50 aan de Staat moet betalen.
De vergoeding van de materiële schade (€ 9.516,50) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de volgende data tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald:
voor een bedrag van € 500,- vanaf 23 februari 2025;
voor een bedrag van € 787,50 vanaf 1 oktober 2023;
voor een bedrag van € 2564,- vanaf 18 mei 2025;
voor een bedrag van € 4950,- vanaf 1 mei 2025;
voor een bedrag van € 715,- vanaf 21 mei 2025.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 72 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval hebben zowel de verdachte als de benadeelde partij op punten ongelijk gekregen. Omdat de verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het door hem gepleegde feit is ontstaan en omdat een substantieel deel van de gevorderde schade wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
8. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf en maatregelen en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3, 4 primair, 5 en 6 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf en maatregel
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;
- bepaalt dat de totale duur van de TBS-maatregel is gemaximeerd;
- legt aan verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (als bedoeld in artikel 38z Sr);
beslag
- verklaart het volgende voorwerp onttrokken aan het verkeer:
buis (omschrijving: PL0900-2025193402-G3542075);
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde] (feiten 1 tot en met 6)
- verklaart [benadeelde] voor wat betreft het immateriële gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- wijst de vordering voor wat betreft het materiële gedeelte gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 9.516,50;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:
over een bedrag van € 500,- met ingang van 23 februari 2025 tot de dag van volledige betaling;
over een bedrag van € 787,50 met ingang van 1 oktober 2023 tot de dag van volledige betaling;
over een bedrag van €2564,- met ingang van 18 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
over een bedrag van € 4950,- met ingang van 1 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
over een bedrag van € 715,- met ingang van 21 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
- verklaart [benadeelde] voor wat betreft het meer gevorderde met betrekking tot de dierenkliniek niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- wijst de vordering van [benadeelde] voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering van materiële schade af;
Dit vonnis is gewezen door mr. V.A. Groeneveld, voorzitter, mrs. H.C. Piet en mr. S. Shukrula, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Brenker als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026.
Mrs. H.C. Piet en S. Shukrula zijn buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1: hij op of omstreeks 12 juni 2025 te [plaats] , gemeente Noordoostpolder, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan de [adres] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een gordijn en/of een gordijnhouder in aanraking gebracht met open vuur, ten gevolge waarvan brand is ontstaan terwijl daarvan gemeen gevaar voor de zich in die woning bevindende goederen en/of aangrenzende gebouwen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
feit 2: hij op of omstreeks 12 juni 2025 te Schokland, gemeente Noordoostpolder, opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere ramen en/of een sleutelkastje, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
feit 3: hij op of omstreeks 17 juli 2023 te [plaats] , gemeente Noordoostpolder, opzettelijk brand heeft gesticht in een schuur (gelegen aan de [adres] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een hooibaal, althans enig goed en/of voorwerp in aanraking gebracht met open vuur, ten gevolge waarvan brand is ontstaan terwijl daarvan gemeen gevaar voor alle dieren en/of andere goederen in en om die schuur en/of aangrenzende gebouwen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor in die schuur en omliggende gebouwen aanwezige personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;
feit 4:
primair hij op of omstreeks 17 juli 2023 te Schokland, gemeente Noordoostpolder, zonder redelijk doel en/of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij een of meerdere dieren, te weten een of meerdere paarden en/of een of meerdere Vlaamse reuzen en/of een of meerdere Indische loopeenden en/of een of meerdere kippen, pijn en/of letsel heeft veroorzaakt en/of de gezondheid en/of het welzijn van dat dier heeft benadeeld, door de schuur waar voornoemde dieren in of naast stonden in brand te steken;
subsidiair hij op of omstreeks 17 juli 2023 te Schokland, gemeente Noordoostpolder, opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere dieren, te weten een of meerdere paarden en/of een of meerdere Vlaamse reuzen en/of een of meerdere Indische loopeenden en/of een of meerdere kippen, toebehorende aan [benadeelde] , heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
feit 5: hij op of omstreeks 22 april 2025 te [plaats] , gemeente Noordoostpolder, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een woning (gelegen aan de [adres] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een kozijn van een deur, in elk geval enig goed en/of voorwerp, in aanraking gebracht met open vuur, terwijl daarvan gemeen gevaar voor alle goederen in en om die woning en/of aangrenzende gebouwen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 6: hij op of omstreeks 16 augustus 2024 te [plaats] , gemeente Noordoostpolder, opzettelijk brand heeft gesticht in een schuur(gelegen aan de [adres] ), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een hooibaal, althans enig goed en/of voorwerp, in aanraking gebracht met open vuur, ten gevolge waarvan brand is ontstaan terwijl daarvan gemeen gevaar voor alle dieren en/of goederen in en om de schuur en/of aangrenzende gebouwen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in die schuur en/of omliggende gebouwen aanwezige personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.