RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/234679-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 29 mei 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1971] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres:
[adres] in [woonplaats] ,
gedetineerd in de [verblijfplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 11 mei 2026. Het onderzoek is, met instemming van de officier van justitie en de verdediging, enkelvoudig gesloten op 29 mei 2026, waarna aansluitend uitspraak is gedaan.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte er – na wijziging van de tenlastelegging – van dat hij, samengevat:
op 7 september 2025 in Baarn samen met een ander of anderen heeft geprobeerd om brand te stichten/een ontploffing te veroorzaken door aan de voordeur van een woning een samengesteld pakketje (flesje(s) brandbare vloeistof en/of tape en/of een Cobra) te plaatsen met behulp van tape.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte samen met anderen de poging tot het veroorzaken van een ontploffing heeft gepleegd. Het standpunt van de officier van justitie wordt – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het feit waarvan hij wordt beschuldigd. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
Oordeel van de rechtbank
Verweer onrechtmatig verkregen bewijs (Landeck)
De advocaat voert aan dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim vanwege het onderzoek aan de telefoon van de verdachte waarvoor volgens de Landeck-jurisprudentie een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris is vereist. Bovendien is een deel van het onderzoek aan de telefoon buiten de door de officier van justitie toegestane periode verricht. Daarmee is de in artikel 8 Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde persoonlijke levenssfeer van de verdachte in ernstige mate geschonden. Een schending van de persoonlijke levenssfeer van een verdachte levert een concreet nadeel op in deze zaak, nu de verdachte onzeker en wantrouwig is geworden richting overheidsdienaren omdat zij een ernstige inbreuk hebben gemaakt op zijn privacy. Volgens de advocaat moet door dit vormverzuim primair bewijsuitsluiting volgen en subsidiair strafvermindering.
De rechtbank oordeelt dat kan worden volstaan met een constatering van een het vormverzuim en legt hierna uit waarom.
Volgens de Landeck-jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie en de daarop voortbouwende Hoge Raad-jurisprudentie is voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris vereist voor onderzoek aan een smartphone, als te verwachten is dat dit onderzoek een meer dan geringe inbreuk zal opleveren op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker. Van zo’n inbreuk is volgens de Hoge Raad al sprake, wanneer door het onderzoek inzicht wordt verkregen in de communicatie die door middel van de smartphone is uitgewisseld.
Als politie en justitie zulk onderzoek willen doen, is daarvoor – behalve in spoedeisende gevallen – een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. Die toetsing kan leiden tot een door de rechter-commissaris (op vordering van de officier van justitie) verstrekte machtiging tot het verrichten van dat onderzoek.
In dit geval was sprake van een verdenking van een ernstig strafbaar feit, waarbij de officier van justitie heeft betoogd dat zij in verband met de spoedeisendheid zelf een (in tijd beperkte) machtiging heeft gegeven, zodat het onderzoek rechtmatig heeft plaatsgevonden. De rechtbank volgt de officier van justitie hierin niet. De beoogde ontploffing werd op 7 september 2025 om 03:38 uur door de bewoner van het huis aan de [adres] in [woonplaats] verijdeld en de verdachte werd kort daarna, rond 4:48 uur, aangehouden. Het onderzoek aan de telefoon van de verdachte vond diezelfde dag vijf uur later plaats, namelijk rond 10:00 uur. Omdat het directe gevaar door verijdeling van de aanslag en de daaropvolgende aanhouding was geweken, valt niet in te zien dat een (eventueel mondeling verstrekte spoed)machtiging van de rechter-commissaris tot de doorzoeking van de telefoon die pas uren later plaatsvond niet kon worden afgewacht. Door de telefoon (weliswaar beperkt) te doorzoeken zonder machtiging van de rechter-commissaris is daarom sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.
De volgende vraag is of, en zo ja welke, rechtsgevolgen aan dit vormverzuim moeten worden verbonden. Bij de bepaling van het rechtsgevolg dat aan dit vormverzuim moet worden verbonden, moet de rechtbank rekening houden met het geschonden belang, de ernst van het verzuim en het nadeel dat door het verzuim wordt veroorzaakt. De rechtbank overweegt dat sprake was van een onderzoek naar een ernstig strafbaar feit en dat de aard van het feit een onderzoek aan de telefoon van de verdachte rechtvaardigde. Indien een machtiging van de rechter-commissaris zou zijn aangevraagd, zou deze naar het oordeel van de rechtbank zonder meer zijn verkregen, zoals dit later ook het geval is geweest. Immers, de rechter-commissaris heeft op 9 september 2025 alsnog een machtiging voor de gehele gevorderde periode afgegeven.
Gelet op voorgaande is de verdachte door het vormverzuim (ten opzichte van de periode waarvoor de officier van justitie voorafgaand toestemming gaf) niet in een nadeliger positie geraakt ten opzichte van de situatie waarin dit verzuim niet zou zijn begaan. Er worden daarom geen consequenties verbonden aan dit vormverzuim.
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat bewezen is dat de verdachte samen met anderen heeft geprobeerd een ontploffing te veroorzaken. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:
De verklaring van de verdachte op de zitting van 11 mei 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 7 september 2025 in Baarn op de voordeur van de woning van [A] een explosief heb geplakt. Dit was op verzoek van anderen. Ik zou er 500 euro voor krijgen. Het explosief heb ik die nacht gekregen. Een vrouw bestuurde de bus waarmee ik naar Baarn werd gebracht en zij schreef het adres op mijn arm. Er zat ook een man in de bus. Hij had mij eerder in contact gebracht met die vrouw die de bus bestuurde. Toen ik werd betrapt door de bewoner, ben ik teruggelopen en heb ik het explosief in de bosjes weggegooid.
Het proces-verbaal van bevindingen (onderzoek telefoon) van verbalisant [verbalisant 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Onder de verdachte [verdachte] werd zijn mobiele telefoon in beslag genomen. Ik zag op 6 september (de rechtbank begrijpt: 2025) een bericht staan gericht aan het contact met de naam [contactnaam] . Na het openen van dit bericht zag ik dat de volledige tekst was:
- Hoi ik kan een deurplof doen voor 5.hoeveel straf zou ik krijgen.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 7 september (de rechtbank begrijpt: 2025) liep ik op de Professor Fockema Andrealaan te Baarn. Ik stak de Professor van der Potlaan over en zag een gele dop uit de bosschages steken. Toen ik beter keek zag ik de petfles. Ik zag dat er gele vloeistof in de petfles zat. Ik zag dat er met zwarte tape een klein flesje met vloeistof en een Corba aan de petfles vastgeplakt zat.
Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 9 maart 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Uit de brandtest van het vuurwerklont van de 'Super COBRA 6' is gebleken
dat deze goed functioneerde en volledig opbrandde. De opbouw van de 'Super COBRA 6' vertoonde geen defecten en de pyrotechnische ladingen erin vertoonden deugdelijk brandgedrag.
Door de ontploffing kunnen omgevingsmaterialen schade oplopen en/of verscherven.
Door eventuele scherfwerking kan er voor personen binnen meerdere meters tot de
ontploffende constructie gevaar voor ernstig lichamelijk letsel tot dodelijk letsel
ontstaan. Ook kan door de knal van de ontploffing tot op een afstand van tientallen
meters (al dan niet permanente) gehoorschade optreden.
Wanneer de 'Super COBRA 6' van de VBC bij het lont wordt aangestoken en het lont volledig opbrandt, zal er na enkele seconden een geeloranje vlam zichtbaar zijn.
Hierna ontploft het vuurwerkartikel met een luide knal en een felle witte flits. Hierbij
treden hitte, vuurverschijnselen en een drukgolf op. De plastic flessen die tegen de ontploffende 'Super COBRA 6' aan zitten, zullen door de ontploffing uiteengereten worden en de motorbenzine in de flessen wordt deels verneveld en deels als vloeistof verspreid. Door de hitte van de explosie ontbrandt de vernevelde motorbenzine en zal er kortstondig een vuurbal ontstaan. De verspreidde vloeistofplassen zullen doorgaans ook ontsteken en nog wat langer nabranden. Hierdoor ontstaat er gevaar voor een brandontwikkeling in de woning achter de voordeur. Eventueel aanwezige brandbare materialen kunnen het gevaar vergroten.
In het geval van een verdere brandontwikkeling in de woning zal het gevaar voor personen op de bovengelegen verdieping toenemen.
Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] , voor zover inhoudende:
Ik zag dat er camerabeelden waren van de camera van de woning aan de [adres] te [woonplaats] . Ik zag dat een persoon, later herkend als [verdachte] om 03:39:04 uur bij de voorgevel van de woning stond en daar een flesje opplakte. Ik zag dat hij op dat moment een wit langwerpig voorwerp tussen zijn lippen geklemd had dat eruit zag als een sigaret. Ik zag dat hij met zijn linkerhand naar zijn linkerborst reikte.
Ik zag dat er camerabeelden waren van de camera van het BP tankstation, gelegen aan de [adres] te [woonplaats] . Ik zag beelden van de camera 'voorterrein' die gedateerd waren op 7 september 2025 om 03:38:04 uur (de rechtbank begrijpt: 03:51:21, zie hieronder). Ik zag een man, die herkend was als verdachte [verdachte] , onder een camera ging staan. Ik zag dat hij een beweging met zijn duim maakte en ik zag dat er vervolgens wat oplichtte tussen zijn wijsvinger en zijn duim. Ik zag dat hij tegelijk iets in zijn mond had dat hij boven dit voorwerp hield. Deze handeling duurde even en vervolgens liep hij weg terwijl hij het voorwerp uit zijn mond haalde en tussen de vingers van zijn rechterhand hield. Ik zag dat dit de typische handelingen betroffen van iemand die met een aansteker een sigaret aansteekt.
Ik zag ook dat [verdachte] om 04:00:47 uur een sigaret opstak. Ik zag dat hij dit wederom met een voorwerp deed, wat hij in zijn rechterhand hield. Ik zag dat, nadat hij dit voorwerp bij de sigaret hield, het voorwerp oplichtte en ik zag dat er vervolgens rook kringelde uit het puntje van de sigaret.
Ook zag ik dat [verdachte] om 03:38 zijn sigaret aansteekt, zoals ik hierboven omschreef. Dit beeld loopt door en vervolgens verspringt het tijdstip van 03:38:13 naar 03:51:21 uur. Het daadwerkelijke tijdstip van het aansteken van zijn sigaret is dus om 03:51 uur.
Bewijsoverwegingen
(Vol) opzet
De advocaat voert aan dat de verdachte weliswaar het explosief op de voordeur van de woning van [A] heeft geplakt, maar dat hij niet het voornemen had om het explosief aan te steken en daarmee zijn opzet niet was gericht op het veroorzaken van een ontploffing. Het was de bedoeling van de verdachte om de bewoner te laten schrikken, door het explosief op de deur te plakken en vervolgens de bewoner hierop te wijzen door met de brievenbus te klepperen. De rechtbank oordeelt anders en overweegt daartoe als volgt.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in de telefoon van de verdachte een bericht staat dat hij een ‘plof’ kan doen voor ‘5’, met de vraag hoeveel straf hij daarvoor zou krijgen. De verdachte ontkent de opsteller en verzender te zijn van dit bericht en wijst op een kennis aan wie hij zijn telefoon heeft uitgeleend. Die zou mogelijk hebben geprobeerd dit bericht te versturen. De verdachte gaat echter niet concreet in op wie deze kennis is en wat de beweegredenen van deze kennis zouden zijn geweest om het bericht te sturen. Enig aanknopingspunt dat de verklaring van de verdachte op dit punt ondersteunt volgt niet uit het dossier. Daar staat tegenover dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte die nacht in opdracht van anderen met een explosief naar het adres in Baarn is gegaan en het explosief op de voordeur van een woning heeft geplakt. De verdachte heeft bovendien op de zitting verklaard dat hij 500 euro zou krijgen voor deze opdracht. De inhoud van het bericht komt daarmee overeen met het daarop volgende handelen van de verdachte. De rechtbank vindt de verklaring van de verdachte dat hij niet de verzender is van het bericht dan ook niet geloofwaardig en gaat ervan uit dat de verdachte de verzender is geweest.
Nu uit dit bericht het voornemen blijkt dat de verdachte vervolgens diezelfde nacht ook heeft geprobeerd uit te voeren, oordeelt de rechtbank dat de verdachte vol opzet had op het veroorzaken van een ontploffing.
Begin van uitvoering
Voor een strafbare poging tot het plegen van een misdrijf is het nodig dat het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Volgens de Hoge Raad is sprake van een begin van uitvoering indien de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing van het misdrijf. Een belangrijke beoordelingsfactor is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats en hoe concreet de gedragingen daarop waren gericht.
De advocaat voert aan dat geen sprake is van een begin van uitvoering omdat op basis van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte een vuurbron of ander ontstekingsmechanisme bij zich had op het moment dat hij het explosief op de voordeur plakte. De rechtbank oordeelt anders en overweegt daartoe als volgt.
Zoals de rechtbank hierboven al heeft overwogen was het de bedoeling van de verdachte om voor 500 euro een explosief op de voordeur te plakken en dat tot ontploffing te brengen. Met dat plan is de verdachte met een explosief naar de desbetreffende woning gegaan en heeft hij daadwerkelijk het explosief op de voordeur geplakt. Nog voordat de verdachte het explosief kon aansteken, werd de verdachte door de bewoner betrapt en is de verdachte weggelopen. Uit de beschrijving van de camerabeelden van het tankstation waar de verdachte is aangehouden blijkt dat de verdachte - korte tijd nadat hij bij de woning is weggelopen – met een aansteker een sigaret aansteekt bij het tankstation. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij pas bij het tankstation een doosje met sigaretten vond met daarin een aansteker en dat hij die eerder niet had. De rechtbank vindt zijn verklaring ongeloofwaardig, omdat uit de beschrijving van de camerabeelden van de woning blijkt dat de verdachte op dat moment al een sigaret in zijn mond had. Volgens de rechtbank staat daarmee buiten redelijke twijfel vast dat de verdachte de aansteker al in zijn bezit had op het moment waarop hij het explosief op de deur plakte.
Nu de gedragingen van de verdachte in tijd en plaats in het licht van het voorgenomen plan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo dicht bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen en hij bovendien de beschikking had over een ontstekingsmechanisme, waardoor hij het explosief alleen nog hoefde aan te steken, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een begin van uitvoering.
Levensgevaar
De advocaat voert ook aan dat geen levensgevaar te vrezen was, aangezien uit de inhoud van het dossier blijkt dat de aangever zich op de bovenverdieping van de woning bevond en uit de NFI-rapportage niet kan worden opgemaakt dat voorzienbaar was dat de aangever op die plek moest vrezen voor zijn leven. De rechtbank oordeelt anders en overweegt daartoe als volgt.
Uit de NFI-rapportage volgt onder andere dat door de explosie van de Cobra 6 hitte, vuurverschijnselen en een drukgolf optreedt. De plastic flessen met motorbenzine worden vervolgens uiteengereten en de motorbenzine wordt daarmee deels verneveld en deels als vloeistof verspreid. Door de hitte van de explosie ontbrandt de vernevelde motorbenzine en zal er kortstondig een vuurbal ontstaan. De verspreidde vloeistofplassen zullen doorgaans ook ontsteken en nog wat langer nabranden. Hierdoor ontstaat er volgens de deskundige gevaar voor een brandontwikkeling in de woning achter de voordeur. In het geval van een verdere brandontwikkeling in de woning zal het gevaar voor personen op de bovengelegen verdieping toenemen. Eventuele scherfwerking kan voor personen binnen meerdere meters tot het ontploffende explosief ervoor zorgen dat gevaar voor ernstig lichamelijk letsel tot dodelijk letsel ontstaat.
De verdachte heeft het explosief midden in de nacht op de deur geplakt. Hierdoor is de kans groot dat er bewoners in de woning aanwezig zijn. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat, naast gevaar voor goederen en zwaar lichamelijk letsel, ook levensgevaar te vrezen was.
Conclusie
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot het opzettelijk veroorzaken van een explosie.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 7 september 2025 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten een woning gelegen aan de
[adres] en aangrenzende woningen en panden en in
voorgenoemde woningen/panden aanwezige goederen, en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een of meer aanwezigen in voornoemde woningen en passanten en hulpverleners, te duchten was, en
- naar de voordeur van de woning aan de [adres] is gelopen en
- aan de voordeur van de voorgenoemde woning een samengesteld pakketje,
bestaande uit flesjes met brandbare vloeistof en tape en een Cobra heeft geplaatst met behulp van tape,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Medeplegen van een poging tot opzettelijk brand stichten/een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die straf matigend moeten worden betrokken in de strafoplegging.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook wegen zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen proberen te veroorzaken van een ontploffing, door in opdracht van die anderen en tegen betaling een geïmproviseerd explosief aan de voordeur van een rijtjeswoning te plakken. Uit de bewijsmiddelen volgt dat het de bedoeling was om het explosief daadwerkelijk tot ontploffing te brengen. Dat dit niet gelukt is, komt enkel door de gelukkige omstandigheid dat de verdachte door de bewoner werd betrapt toen hij het explosief op de voordeur plakte en dit is niet te danken aan het handelen van de verdachte.
Dit soort strafbare feiten veroorzaken niet alleen bij de direct getroffenen gevoelens van onveiligheid, onrust en angst, maar hebben ook een enorme impact op de omwonenden, andere bewoners van Baarn en de maatschappij als geheel. Brandstichtingen en explosies zijn daarnaast levensgevaarlijk, zoals ook blijkt uit het NFI-rapport en berichtgeving over vergelijkbare zaken waarbij de gevolgen heel ernstig zijn geweest. Bovendien stond de desbetreffende woning midden in een woonwijk en heeft de verdachte de opdracht voor geldelijk gewin uitgevoerd. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel justitiële documentatie (‘strafblad’) van de verdachte van 11 november 2025. Hieruit volgt dat de verdachte eerder veelvuldig is veroordeeld wegens strafbare feiten, maar niet voor gelijksoortige feiten. Op 5 augustus 2024 is de verdachte nog veroordeeld wegens een straatroof waarbij sprake was van een geweldscomponent.
Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 10 april 2026, dat over de verdachte is uitgebracht door reclasseringswerker [B] . Uit dit advies volgt dat de reclassering het risico op recidive hoog inschat. Daarnaast blijkt uit dit advies dat de reclassering de zorg die de verdachte in een vrijwillig kader ontvangt (in verband met een WLZ-indicatie) als het hoogst haalbare beschouwt en dat zij geen rol ziet weggelegd voor de reclassering om in een gedwongen kader te werken aan gedragsverandering bij de verdachte en het risico op recidive te verminderen. Vanwege de afwerende houding van de verdachte tegenover de reclassering, adviseert de reclassering om bij een veroordeling geen bijzondere voorwaarden op te leggen.
Strafoplegging
Gezien de hiervoor omschreven ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd kan niet met een lichtere of andere sanctie worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank houdt in de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf rekening met straffen die worden opgelegd in soortgelijke zaken. Ook neemt de rechtbank mee dat het bij een poging is gebleven.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden op met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de straf
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
6. In beslag genomen voorwerpen
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat de in beslag genomen:
- tape verbeurd wordt verklaard;
- explosief en verdovende middelen worden onttrokken aan het verkeer;
- fiets wordt teruggegeven aan de rechthebbende.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Verbeurdverklaring
De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, te weten:
- 1 STK Tape (Omschrijving: PL0900-2025303905-3584813., zwart);
verbeurdverklaren.
Met deze voorwerpen is het bewezen verklaarde feit begaan.
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten:
1 STK Springstof (Omschrijving: PL0900-2025303905-3584829. Explosief (Ied));
1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL0900-2025303905-3584814);
onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
Met behulp van de springstof is het bewezen verklaarde feit begaan. De verdovende middelen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte begane feit aangetroffen.
Teruggave rechthebbende
De rechtbank zal teruggave gelasten aan de rechthebbende van het in beslag genomen voorwerp, te weten:
1 STK Fiets Heren (Omschrijving: PL0900-2025303905-3584845, zwart, merk: gazelle),
aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.
7. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 45, 47, 157 van het Wetboek van Strafrecht.
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
beslag
- verklaart het volgende voorwerp verbeurd:
1 STK Tape (Omschrijving: PL0900-2025303905-3584813, zwart);
- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
- gelast de teruggave aan de rechthebbende van het volgende voorwerp:
1 STK Fiets Heren (Omschrijving: PL0900-2025303905-3584845, zwart, merk: gazelle).
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, mr. C.E.M. Nootenboom-Lock en mr. G.K.L. de Wijkerslooth de Weerdesteijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D. Pronk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026.
De voorzitter, de oudste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 7 september 2025 te [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een woning gelegen aan de
[adres] en/of aangrenzende woningen en/of panden en/of in
voorgenoemde woningen/panden aanwezige goederen, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een of
meer aanwezigen in voornoemde woningen en/of passanten en/of hulpverleners, te duchten was
- naar de voordeur van de woning aan de [adres] is gelopen en/of
- bij/aan de voordeur van de voorgenoemde woning een samengesteld pakketje, bestaande uit een of meer flesjes met brandbare vloeistof en/of tape en/of een Cobra heeft geplaatst met behulp van tape, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.