RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
Zaaknummer: 11802785 \ MC EXPL 25-4113 D/51246
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap
[eiseres] B.V.,
handelend onder de naam [handelsnaam] ,
gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [handelsnaam] ,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s.,
tegen
de besloten vennootschap
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: [A] .
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 maart 2026;
- de mondelinge behandeling van 16 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
Tijdens de mondelinge behandeling was namens (de gemachtigde van) [handelsnaam] mevrouw [B] aanwezig. Namens [gedaagde] was de heer [A] aanwezig.
De kantonrechter heeft bepaald dat zij schriftelijk uitspraak doet.
2. De kern van de zaak
Partijen hebben op 29 maart 2024 een huurkoopovereenkomst (financial leaseovereenkomst) gesloten voor een oplegger met het kenteken [kenteken] . Op 5 juni 2025 heeft [handelsnaam] de overeenkomst in een exploot aan [gedaagde] ontbonden, omdat [gedaagde] een betalingsachterstand had laten ontstaan. [handelsnaam] eist in deze procedure onder andere dat [gedaagde] € 368.078,04 aan leasetermijnen en schadevergoeding met rente en kosten betaalt en dat [gedaagde] de oplegger op straffe van een dwangsom afgeeft. [gedaagde] is het niet eens met de ontbinding en de gevorderde afgifte. Zij eist in voorwaardelijke reconventie dat de huurkoopovereenkomst in stand wordt gelaten en dat de kantonrechter aan partijen de verplichting oplegt om een gewijzigde overeenkomst aan te gaan. De kantonrechter wijst de vorderingen van [handelsnaam] in conventie grotendeels toe en de vordering van [gedaagde] in voorwaardelijke reconventie af.
3. De beoordeling
in conventie en in voorwaardelijke reconventie
[handelsnaam] heeft de overeenkomst terecht ontbonden
[handelsnaam] vordert een verklaring voor recht dat de overeenkomst op 5 juni 2025 is ontbonden. [gedaagde] is het niet eens met de ontbinding. Zij wil dat de overeenkomst blijft bestaan.
De kantonrechter vindt dat [handelsnaam] de overeenkomst terecht heeft ontbonden in het exploot van 5 juni 2025. De vereisten voor ontbinding staan in artikel 43 van de toepasselijke algemene voorwaarden (‘Algemene voorwaarden financiële lease (Huurkoop) versie 01-05-2012’). [handelsnaam] mag de overeenkomst met een schriftelijke buitengerechtelijke verklaring (zoals een exploot) ontbinden als [gedaagde] een van haar verplichtingen niet of niet tijdig nakomt en als [handelsnaam] [gedaagde] vóór de ontbinding schriftelijk in gebreke heeft gesteld. Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] een betalingsachterstand heeft laten ontstaan. Zij is haar betalingsverplichting dus niet nagekomen. Daarnaast stelt [handelsnaam] dat zij [gedaagde] tot betaling heeft aangemaand en heeft gesommeerd. [gedaagde] heeft dit niet tegengesproken. Daarmee is ook aan het vereiste van een ingebrekestelling voldaan. De ontbinding in het exploot van 5 juni 2025 is dus terecht. Daarom wijst de kantonrechter de door [handelsnaam] gevorderde verklaring voor recht toe.
[handelsnaam] is niet verplicht om een gewijzigde overeenkomst met [gedaagde] aan te gaan
[gedaagde] heeft een voorwaardelijke tegenvordering ingesteld voor het geval de vorderingen van [handelsnaam] in conventie (deels) worden toegewezen. Die voorwaarde gaat in vervulling. Daarom zal de kantonrechter de tegenvordering van [gedaagde] beoordelen.
[gedaagde] eist allereerst dat de kantonrechter de bestaande overeenkomst tussen partijen in stand laat. De kantonrechter wijst die vordering af, omdat [handelsnaam] de overeenkomst terecht heeft ontbonden. De overeenkomst is dus geëindigd.
Daarnaast eist [gedaagde] dat de kantonrechter partijen verplicht om samen binnen veertien dagen na het vonnis een gewijzigde overeenkomst aan te gaan, waarbij [gedaagde] de achterstallige termijnen met rente en kosten aan [handelsnaam] betaalt. De kantonrechter wijst ook deze vordering af. Een overeenkomst komt tot stand doordat de ene partij een aanbod doet en de andere partij dat aanbod aanvaardt. Het gaat om afspraken die partijen zelf onderling maken en waar zij zelf voor kiezen. De kantonrechter kan een partij niet verplichten om een overeenkomst aan te gaan.
[gedaagde] moet de oplegger afgeven op straffe van een dwangsom
[handelsnaam] vordert dat [gedaagde] de oplegger binnen twee dagen na betekening van dit vonnis afgeeft, op straffe van een dwangsom van € 4.000,- per dag met een maximum van € 250.000,-. [gedaagde] is het niet met deze vordering eens. Zij voert aan dat zij niet in staat is om de oplegger af te geven, omdat zij de oplegger in bruikleen heeft gegeven aan het bedrijf [onderneming] B.V. (hierna: [onderneming] ). Volgens [gedaagde] reageert [onderneming] niet op haar verzoeken om de locatie van de oplegger te delen en weigert [onderneming] de oplegger af te geven.
De kantonrechter wijst de vordering tot afgifte met de daaraan gekoppelde dwangsom toe. Omdat [handelsnaam] de overeenkomst terecht heeft ontbonden, moet [gedaagde] de oplegger aan [handelsnaam] afgeven. De kantonrechter begrijpt uit het verweer van [gedaagde] dat zij vindt dat haar verplichting tot afgifte in dit geval niet geldt. Zij doet daarmee een beroep doet op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Dit beroep gaat niet op. Dat [gedaagde] door toedoen van [onderneming] niet aan haar verplichting tot afgifte kan voldoen, komt voor haar eigen rekening en risico. Zij heeft er namelijk zelf voor gekozen om de oplegger in bruikleen te geven aan een derde. [handelsnaam] staat daar verder buiten. [gedaagde] voert weliswaar aan dat [handelsnaam] bij aanvang van de huurkoopovereenkomst van de bruikleenovereenkomst op de hoogte was, maar [handelsnaam] heeft dit tegengesproken. Volgens [handelsnaam] was zij hiermee niet bekend. Het lag vervolgens op de weg van [gedaagde] om haar standpunt verder handen en voeten te geven. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. [gedaagde] is dus verplicht om de oplegger aan [handelsnaam] af te geven. De kantonrechter vindt de hoogte van de gevorderde dwangsom redelijk en sluit daar daarom bij aan.
Tijdens de zitting is gebleken dat de heer [A] inmiddels weet op welke locatie de oplegger staat. Hij heeft het adres tijdens de zitting genoemd. De kantonrechter raadt partijen aan om deze informatie onderling met elkaar te bespreken en afspraken te maken over de afgifte van de oplegger.
[gedaagde] moet € 368.078,04 aan leasetermijnen en schadevergoeding betalen
[handelsnaam] vordert dat [gedaagde] € 368.078,04 aan haar moet betalen. Uit de dagvaarding blijkt dat dit bedrag bestaat uit:
€ 45.040,- aan achterstallige leasetermijnen vanaf de maand november 2024 tot en met de maand juni 2025, en;
€ 323.038,04 aan schadevergoeding, waaronder de toekomstige maandelijkse leasetermijnen die [gedaagde] had moeten betalen als de overeenkomst was blijven bestaan (omschreven als: “Inlossing/verkoop”).
[gedaagde] is het ermee eens dat zij deze bedragen aan [handelsnaam] moet betalen. De kantonrechter wijst de bedragen van € 45.040,- en € 323.038,04 daarom toe. Als de oplegger wordt ingeleverd en daarna door [handelsnaam] wordt verkocht, moet [handelsnaam] de verkoopopbrengst in mindering brengen op de openstaande vordering.
[gedaagde] moet rente betalen
[handelsnaam] vordert de contractuele rente van 18% per jaar over het openstaande bedrag van € 368.078,04 vanaf de dag dat [gedaagde] met betaling in verzuim is tot de dag van volledige betaling. Volgens [handelsnaam] is de rente tot en met 1 juli 2025 € 2.659,49. De kantonrechter wijst de rente niet toe zoals [handelsnaam] die heeft berekend. [gedaagde] moet over de achterstallige leasetermijnen de contractuele rente betalen vanaf de dag dat zij in verzuim is geraakt tot de dag van volledige betaling. [gedaagde] is geen contractuele rente verschuldigd over het bedrag aan schadevergoeding. Over dat bedrag zal de kantonrechter de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW toewijzen vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling.
[gedaagde] moet € 3.615,39 aan buitengerechtelijke incassokosten betalen
[handelsnaam] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het gevorderde bedrag van € 36.807,80 komt op grond van artikel 53 van de algemene voorwaarden in beginsel voor toewijzing in aanmerking. Wel ziet de kantonrechter aanleiding om het bedrag aan kosten op grond van artikel 242 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te matigen tot de wettelijke staffel. Er is namelijk niet gesteld of gebleken dat de werkelijke kosten van [handelsnaam] hoger zijn dan het toepasselijke tarief van het Besluit. Daarnaast rechtvaardigen de aard en omvang van de gestelde buitengerechtelijke werkzaamheden de toewijzing van het bedrag van € 36.807,80 niet. De kantonrechter wijst € 3.615,39 aan buitengerechtelijke incassokosten exclusief btw toe. [handelsnaam] mag dit bedrag vermeerderen met de btw over het bedrag voor zover de btw voor haar geen verrekenpost vormt.
[gedaagde] hoeft geen kosten voor inname en aangifte te betalen
[handelsnaam] vordert een bedrag van € 859,10 voor het geval zij tot inname van het object moet overgaan. Daarnaast vordert [handelsnaam] een bedrag van € 211,75 voor het geval zij tot aangifte bij de politie moet overgaan. De kantonrechter wijst deze vorderingen af, omdat de gevorderde kosten nog niet opeisbaar zijn en [handelsnaam] de vorderingen niet heeft onderbouwd.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
[gedaagde] heeft in conventie ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [handelsnaam] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
1.461,00
- salaris gemachtigde
€
4.042,50
(3,5 punten × € 1.155,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
5.769,85
[gedaagde] heeft in voorwaardelijke reconventie ook ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [handelsnaam] worden begroot op nihil (nul), omdat de vordering in voorwaardelijke reconventie geen (substantieel) meerwerk voor de gemachtigde van [handelsnaam] heeft opgeleverd.
4 De beslissing
De kantonrechter:
in conventie
verklaart voor recht dat de huurkoopovereenkomst met betrekking tot de oplegger, [.] met kenteken [kenteken] (contractnummer [contractnummer] ) op 5 juni 2025 is ontbonden;
veroordeelt [gedaagde] tot afgifte van de oplegger, [.] met kenteken [kenteken] , aan [handelsnaam] , dan wel een door [handelsnaam] aan te wijzen derde, binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 4.000,- per dag dat [gedaagde] met de afgifte in gebreke blijft, met een maximum van € 250.000,-;
veroordeelt [gedaagde] om aan [handelsnaam] te betalen:
I. € 45.040,- aan achterstallige leasetermijnen vanaf de maand november 2024 tot en met de maand juni 2025, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 18% per jaar hierover vanaf de dag dat [gedaagde] met betaling in verzuim is tot de dag van volledige betaling. Als de oplegger wordt ingeleverd en daarna door [handelsnaam] wordt verkocht, moet [handelsnaam] de verkoopopbrengst in mindering brengen op de openstaande vordering;
II. € 323.038,04 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf 16 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Als de oplegger wordt ingeleverd en daarna door [handelsnaam] wordt verkocht, moet [handelsnaam] de verkoopopbrengst in mindering brengen op de openstaande vordering;
III. € 3.615,39 aan buitengerechtelijke incassokosten exclusief btw, te vermeerderen met de btw hierover voor zover die btw voor [handelsnaam] geen verrekenpost vormt;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 5.769,84, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af;
in voorwaardelijke reconventie
wijst de vorderingen van [gedaagde] af;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [handelsnaam] tot vandaag begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.