RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12005559 \ MC EXPL 25-6699
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[eiseres] V.O.F.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Gentle Incasso,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 3 van 25 november 2025,- de conclusie van antwoord (benoemd als verzetdagvaarding) van 18 december 2025,- de conclusie van repliek met producties 4A tot en met 7 van 14 januari 2026,- de conclusie van dupliek van 11 februari 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De kern van de zaak
[eiseres] heeft stuc- en schilderwerkzaamheden voor [gedaagde] verricht. [eiseres] vordert betaling van drie openstaande facturen, te weten € 6.060,00 (factuurnummer 2024-164 van 22 september 2024), € 2.847,36 (factuurnummer 2024-59 van 10 juni 2025) en € 750,- (factuurnummer 2024-63 van 17 juni 2025), vermeerderd met de rente en kosten. Ten aanzien van de eerste factuur voert [gedaagde] aan dat [eiseres] de vordering ten onrechte jegens [gedaagde] heeft ingesteld. Volgens [gedaagde] is er geen overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] tot stand gekomen, maar tussen [eiseres] en [onderneming] . Die factuur staat op naam van [onderneming] . Ten aanzien van de tweede factuur vindt [gedaagde] dat de factuur onvoldoende is gespecifieerd. Verder is [gedaagde] van mening dat haar eerdere betalingen in mindering moeten worden gebracht op de tweede en derde factuur.
Ten aanzien van de tweede en derde factuur oordeelt de kantonrechter dat [gedaagde] deze facturen nog dient te voldoen. Met betrekking tot de eerste factuur heeft de kantonrechter behoefte aan nadere inlichtingen omtrent de vraag wie als contractspartij heeft te gelden. Daarom zal een mondelinge behandeling plaatsvinden. Voorafgaand daaraan zullen partijen bij akte in de gelegenheid worden gesteld nadere inlichtingen te verstrekken. De kantonrechter zal dit hieronder nader specificeren.
3. De beoordeling
De tweede factuur is voldoende gespecificeerd
Ten aanzien van de tweede factuur (2024-59) voert [gedaagde] aan dat deze onvoldoende is gespecifieerd. De kantonrechter volgt [gedaagde] hierin niet. Daarbij weegt mee dat het gebruikelijk was dat [eiseres] haar facturen steeds op dezelfde wijze opstelde, zoals ook in dit geval is gebeurd, en dat niet is gebleken dat [gedaagde] eerder bezwaar heeft gemaakt tegen deze wijze van facturering.
De betalingen van [gedaagde] zien niet op factuur twee en drie
[gedaagde] stelt verder ten aanzien van zowel factuur twee (2024-59) als factuur drie (2024-63) dat zij betalingen heeft verricht. [eiseres] voert aan dat deze betalingen niet zagen op deze facturen.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] vijf betalingen van telkens € 500,-heeft verricht, te weten op 14 februari, 10 maart, 13 april, 21 mei en 13 juni 2025. [eiseres] meent dat [gedaagde] ook op 8 januari 2025 nog een deelbetaling van € 500,- heeft gedaan, wat door [gedaagde] niet is betwist. De door [gedaagde] gestelde overige betalingen van 1 augustus en 6 november 2025 worden door [eiseres] gemotiveerd betwist, terwijl [gedaagde] heeft nagelaten deze betalingen met bankafschriften te onderbouwen. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat het om in totaal € 3.000,- aan deelbetalingen gaat.
De kantonrechter acht het onaannemelijk dat deze deelbetalingen betrekking hebben op factuur twee (2024-59) en factuur drie (2024-63). Daarbij is van belang dat deze facturen dateren van een later moment, namelijk 10 juni en 17 juni 2025, dan waarop het merendeel van de deelbetalingen heeft plaatsgevonden. Voorts volgt uit de whatsapp correspondentie van 4 november 2024 dat de betalingen van € 500,- verband houden met werkzaamheden uit diezelfde periode en niet met latere facturen. Dit leidt tot de conclusie dat [gedaagde] de betaling van factuur twee en drie in ieder geval nog verschuldigd is.
Nadere inlichtingen en mondelinge behandeling inzake de eerste factuur
Ten aanzien van de eerste factuur verschillen partijen van mening over de vraag wie als contractspartij van [eiseres] heeft te gelden. Op basis van de thans beschikbare stukken kan de kantonrechter nog niet beoordelen of [gedaagde] gehouden is deze factuur te voldoen. De kantonrechter heeft daarom behoefte aan nadere inlichtingen, en zal, mede met het oog op verdere feitenvaststelling en een eventuele schikking, een mondelinge behandeling bepalen.
Voorafgaand aan deze behandeling zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten en nadere inlichtingen te verstrekken. De kantonrechter wenst in het bijzonder de volgende inlichtingen te ontvangen:
Wanneer is de handelsrelatie tussen partijen begonnen en hoe heeft deze zich vervolgens ontwikkeld?
Wat heeft zich in 2025 verder tussen partijen afgespeeld?
Welke opdrachten heeft [gedaagde] aan [eiseres] verstrekt? Zijn hier offertes en facturen van?
Welke opdrachten heeft [onderneming] aan [eiseres] verstrekt? Zijn hier offertes en facturen van?
Wie heeft namens [gedaagde] en/of [onderneming] afspraken gemaakt?
Heeft [eiseres] meer facturen (anders dan factuur 2024-164) gericht aan [onderneming] ? Zo ja, hoe zijn deze facturen betaald?
Waarop heeft de betalingsregeling van € 500, - per maand betrekking? Voor welke opdrachten en facturen gold deze regeling?
Bij het plannen van deze mondelinge behandeling wil de kantonrechter zoveel mogelijk rekening houden met de agenda van partijen. Daarom dienen partijen tevens hun verhinderdagen in de maanden juli 2026 tot en met oktober 2026 op te geven.
De kantonrechter verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 3 juni 2026, zodat partijen hun verhinderdata kunnen opgeven en [eiseres] zich bij akte kan uitlaten over de onder 3.6 genoemde vragen.
Vervolgens zal [gedaagde] op de rol van twee weken daarna (17 juni 2026) in de gelegenheid worden gesteld zich bij antwoordakte uit te laten over de onder 3.6 genoemde vragen.
De kantonrechter geeft partijen, gelet op de tijd en de kosten die bij het voorzetten van de zaak gemoeid zijn, dan ook in overweging om met elkaar in overleg te treden om een minnelijke regeling te beproeven.
De kantonrechter wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.
Indien een partij wenst dat de kantonrechter bij de beoordeling van het geschil rekening houdt met bijvoorbeeld brieven of andere schriftelijke stukken, dient zij deze uiterlijk tien dagen voordat de zitting plaatsvindt aan de kantonrechter en haar wederpartij toe te zenden.
Op de mondelinge behandeling wordt aan de gemachtigden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zijn niet toegestaan.
Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de kantonrechter tijdens of na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak kan doen.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4. De beslissing
De kantonrechter
beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door mr. R.M. Berendsen, in het gerechtsgebouw te Almere, De Diagonaal 37, op een door de kantonrechter vast te stellen datum en tijd,
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 3 juni 2026 voor:
het opgeven van verhinderdata door beide partijen,
het nemen van een akte door [eiseres] , inhoudende het verstrekken van de nadere inlichtingen als bedoeld onder 3.6, waarna [gedaagde] op de rol van twee weken daarna (woensdag 17 juni 2026) een antwoordakte kan nemen.
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de kantonrechter het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling 60 minuten zal worden uitgetrokken,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.