RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12169061 \ MV EXPL 26-44
Vonnis in kort geding van 20 mei 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigden: mr. K.G.O. Afriyieh en mr. V.A. van Turnhout,
tegen
1. [gedaagde sub1] , 2. [gedaagde sub2] ,
beiden wonende te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen [gedaagden] c.s. en afzonderlijk [gedaagde sub1] en [gedaagde sub2] genoemd,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 februari 2026;
- de brief van 1 april 2026 met een eiswijziging en een nadere productie.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 mei 2026. [eiser] is verschenen met zijn gemachtigden. Namens [gedaagden] c.s. is [gedaagde sub1] verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord.
De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
Aan het einde van de mondelinge behandeling is vonnis bepaald op vandaag.
2. De kern van de zaak
[eiser] verhuurt aan [gedaagden] c.s. een woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). [eiser] vordert in deze kortgedingprocedure ontruiming van de woning en betaling van de huurachterstand. De kantonrechter wijst de vorderingen toe met bepaling van de ontruimingstermijn op twee weken.
3. De beoordeling
Spoedeisend belang
In een kort geding moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang. De kantonrechter is van oordeel dat hiervan, gelet op de aard van de vordering tot ontruiming en de steeds verder oplopende huurachterstand, voldoende is gebleken.
Ontruiming in kort geding
Toewijzing van de ontruiming in kort geding heeft het verstrekkende (en in de praktijk vaak onomkeerbare) gevolg dat de huurder zijn woning verliest. Daarom is voor toewijzing in kort geding vereist dat het in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal ontbinden en de ontruiming eveneens zal toewijzen in een bodemprocedure.
In beginsel wordt een vordering tot ontbinding en ontruiming in een bodemprocedure toegewezen bij een huurachterstand van ten minste drie maanden. Ten tijde van de dagvaarding bedroeg de huurachterstand € 4.300,00: dit is minder dan drie maanden (circa 2,6 maanden). Volgens [eiser] was ten tijde van de dagvaarding sprake van “substantiële huurachterstand van meer dan drie maanden” maar dat klopt dus niet. Anders dan [eiser] meent, is het in dit verband niet relevant dat de huurachterstand betrekking heeft op vier maanden die niet volledig zijn voldaan.
Inmiddels is de huurachterstand verder opgelopen, zoals [gedaagden] c.s. ook op de mondelinge behandeling heeft erkend: [gedaagden] c.s. heeft niets afgelost op de huurachterstand en ook de lopende huur van april en mei 2026 niet betaald. Dit betekent dat de huurachterstand nu bijna vijf maanden bedraagt. De gevorderde betaling van de huur en de wettelijke rente (vanaf de datum van dit vonnis zoals gevorderd) zullen daarom worden toegewezen.
[gedaagden] c.s. schiet dus ernstig tekort in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. Uit artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat iedere tekortkoming voldoende is voor de ontbinding van een (huur)overeenkomst, tenzij de tekortkoming zo gering is dat deze de ontbinding niet rechtvaardigt. In deze zaak speelt die uitzondering niet, ook niet als het woonbelang van [gedaagden] c.s. wordt meegewogen. [gedaagde sub1] heeft namelijk op de mondelinge behandeling onder meer verklaard dat hij ook wil dat de huurovereenkomst eindigt, dat hij vóór 1 juni 2026 de woning verlaat, dat zijn vrouw ( [gedaagde sub2] ) samen met zijn twee minderjarig kinderen nu in Turkije wonen en ook niet meer zullen terugkeren en dat hij zelf later ook naar zijn familie in Turkije gaat.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter op voorhand van oordeel dat het hoogstwaarschijnlijk is dat een vordering tot ontbinding in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Vooruitlopend daarop is de vordering om het gehuurde te ontruimen toewijsbaar. De termijn waarbinnen [gedaagden] c.s. het gehuurde moet ontruimen en verlaten, zal worden gesteld op de gebruikelijke veertien dagen, zoals ook is gevorderd.
Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] aangegeven dat hij bereid is om met [gedaagden] c.s. een betalingsregeling en ontruimingsdatum af te spreken met een ontruimingsvonnis als stok achter de deur.
Proceskosten
[gedaagden] c.s. is in het ongelijk gesteld en zal daarom hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding
€
155,59
- griffierecht
€
265,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus eventuele betekeningskosten)
Totaal
€
1.429,59
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
[eiser] vordert tot slot dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Hierbij moet worden beoordeeld of de belangen van [eiser] bij tenuitvoerlegging van het vonnis zwaarder wegen dan het belang van [gedaagden] c.s. bij behoud van de bestaande toestand tot het einde van de beroepstermijn of tot op een eventueel in te stellen rechtsmiddel is beslist. Dit is niet het geval, gezien hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 3.5 is overwogen over het (woon)belang van [gedaagden] c.s.. Daarom zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
4. De beslissing
De kantonrechter, rechtdoende in kort geding
veroordeelt [gedaagden] c.s. hoofdelijk om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] en de woning ontruimd te houden;
veroordeelt [gedaagden] c.s. hoofdelijk om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen:
€ 4.300,00 aan huurachterstand berekend van december 2025 tot en met maart 2026;
€ 1.650,00 per maand vanaf 1 april 2026 tot en met de maand waarin de ontruiming is voltooid;
de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de huurachterstand vanaf 20 mei 2026 tot en met de volledige betaling;
veroordeelt [gedaagden] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 1.429,59, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als hij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt [gedaagden] c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
4578