[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: J. Bel),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv, verweerder
(gemachtigde: mr. B.E. de Leng).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] B.V. uit [plaats] .
Voorgeschiedenis en besluitvorming
1. Eiseres is op 2 januari 2023 ziek uitgevallen voor haar werk als [functie] voor gemiddeld 29,89 uur per week. Op 9 oktober 2024 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Met het besluit van 13 februari 2025 (het primaire besluit) heeft het Uwv beslist dat eiseres per 30 december 2024 (datum in geding) geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is, namelijk 16,75%. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 3 december 2025 (het bestreden besluit) is het Uwv bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van het Uwv deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Geheimhouding
2. Eiseres heeft geen toestemming gegeven om de gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan ex-werkgever te verstrekken. In deze uitspraak zal dan ook zoveel mogelijk in algemene termen gesproken worden over de medische gegevens van eiseres om te voorkomen dat deze gegevens alsnog via deze uitspraak bekend worden gemaakt.
Toetsingskader
2. Het Uwv mag besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid baseren op medische rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten, en voldoende begrijpelijk zijn. De rapporten en besluiten zijn in beroep aanvechtbaar. Daarvoor moet eiseres aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan de genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Om voldoende aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit betekent dat hoe eiseres zich zelf voelt zonder dat daar een medische onderbouwing voor is, niet genoeg is om bij de rechtbank gelijk te krijgen.
De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
3. Eiseres voert aan dat het medisch onderzoek niet zorgvuldigheid is, omdat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende is onderbouwd en niet consistent is. Volgens eiseres schiet de verzekeringsarts bezwaar en beroep tekort in zijn toelichting hoe haar klachten soms wel en soms juist niet leiden tot bepaalde beperkingen.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de zorgvuldigheid van het onderzoek het volgende. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 3 november 2025 uiteengezet hoe hij tot de belastbaarheid van eiseres is gekomen. Hij heeft dossieronderzoek uitgevoerd, eiseres op 3 november 2025 op hoorzitting gezien en hij heeft informatie van de medische sector betrokken in zijn onderzoek. Op grond van zijn onderzoek heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een aangepaste functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank alle naar voren gebrachte klachten op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij zijn medische beoordeling. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 3 november 2025 inzichtelijk en logisch gemotiveerd hoe hij tot de belastbaarheid van eiseres is gekomen. De stelling van eiseres dat er op grond van haar klachten soms wel beperkingen worden aangenomen en soms niet, maakt niet dat de onderbouwing daarmee onvoldoende of inconsistent is. Het is namelijk de specifieke deskundigheid van een verzekeringsarts is om de klachten van eiseres te vertalen in arbeidsbeperkingen. Aan de manier waarop eiseres zelf haar klachten ervaart, hoe begrijpelijk ook, kan in de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen doorslaggevende betekenis toekomen. De beroepsgrond slaagt niet.
De medische beoordeling
4. Eiseres stelt dat zij meer beperkt is dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen. Zij stelt dat er meer beperkingen moeten worden aangenomen op grond van de klachten die zij ervaart op basis van haar lichamelijk aandoeningen. Daarnaast zijn er ten onrechte geen beperkingen aangenomen op grond van haar psychische klachten. Ook hadden er volgens eiseres beperkingen moeten worden aangenomen voor fysieke omgevingseisen en beroepsmatig vervoer.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en zal dat hierna toelichten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 3 november 2025 een aantal fysieke beperkingen aangenomen die aansluiten bij de klachten die eiseres heeft op grond van de bij haar vastgestelde diagnoses. Ten aanzien van haar nek en handfunctie stelt eiseres dat er meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar beroep blijkt dat er, in tegenstelling tot wat eiseres stelt, geen sprake is van ernstige pathologie op grond van de informatie van de medische sector. Hij wijst op informatie van de neuroloog van mei 2025, waaruit blijkt dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor ernstige pathologie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt vervolgens dat uit lichamelijk onderzoek bij de primaire verzekeringsarts blijkt dat de handfunctie van eiseres ongestoord was. Ook uit het lichamelijk onderzoek van de neuroloog van mei 2025 blijkt dat de kracht in de handen en vingers normaal, dan wel licht verminderd was. In zijn aanvullende rapport van 21 april 2026 verduidelijkt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de rugklachten gerelateerd zijn aan de vastgestelde diagnoses bij eiseres en dat in voldoende mate rekening is gehouden met haar klachten en geen reden is om verdergaande beperkingen aan te nemen, ook niet voor beroepsmatig vervoer.
Ten aanzien van de psychische klachten heeft de verzekeringsarts en bezwaar vastgesteld dat eiseres pas na de datum in geding haar behandeld sector hierover heeft geraadpleegd. Daarnaast komt uit het psychisch onderzoek bij de primaire verzekeringsarts geen afwijkend beeld naar voren. Ook uit het psychisch oriënterend onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep komen normale bevindingen naar voren. Dat eiseres inmiddels wordt onderzocht voor psychische klachten, betekent nog niet dat een psychische stoornis is vastgesteld op grond waarvan psychische beperkingen kunnen worden aangenomen. Over de beperkingen ten aanzien van de fysieke omgevingseisen schrijft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat eiseres stelt overgevoelig te zijn voor sigarettenrook en geluid, maar dat er geen aandoening bij eiseres is vastgesteld waaruit blijkt dat er beperkingen zouden moeten worden vastgesteld.
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en navolgbaar heeft gemotiveerd hoe hij tot de medische beoordeling is gekomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met de aangenomen beperkingen in de FML van 3 november 2025 voldoende rekening gehouden met de klachten van eiseres. Eiseres heeft in beroep ook geen medische informatie overgelegd, die aanleiding geeft tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. De beroepsgrond slaagt niet.
De arbeidskundige beoordeling
5. Eiseres voert aan dat haar belastbaarheid onjuist is vastgesteld en dat zij daarom de door de arbeidsdeskundige geduide voorbeeldfuncties niet kan uitvoeren.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is zij van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en ziet zij ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Uitgaande van de juistheid van de FML van 3 november 2025 oordeelt de rechtbank dat eiseres geschikt is om de geselecteerde functies te verrichten. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willemse, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Molenaar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
De griffier is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.