RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2939
(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv,
(gemachtigde: mr. E.S. Träger)
1. Deze uitspraak gaat over de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres is het niet eens met de vaststelling van haar arbeidsongeschiktheidspercentage omdat zij vindt dat zij verdergaande beperkingen heeft. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage terecht op 49,6% heeft vastgesteld.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht een WIA-uitkering aan eiseres heeft toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 49,6%. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres werkte 32 uur per week als [functie] bij [bedrijf] B.V. Zij is op 18 mei 2022 ziekgemeld, in het bijzonder wegens chronische pijnklachten in haar rug.
Met ingang van 15 mei 2024 is aan eiseres een uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij bepaald op 39,95%. Eiseres heeft bezwaar gemaakt omdat zij vindt dat ze meer beperkt is dan is aangenomen.
Met het besluit van 10 december 2024 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid per 15 mei 2024 vastgesteld op 41,55%. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1.
Het Uwv heeft op 9 juli 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen. Aan bestreden besluit 2 ligt een nieuwe arbeidskundige beoordeling ten grondslag. In bestreden besluit 2 heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres vastgesteld op 49,6%.
De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv.
De rechtbank heeft het onderzoek op 11 november 2025 heropend omdat zij aanvullende informatie wenste te ontvangen. Daarbij is eiseres verzocht om nadere informatie te verstrekken over de poly-artrose en daaruit voortvloeiende klachten in de handen. Eiseres heeft vervolgens nadere informatie verstrekt. De verzekeringsarts van het Uwv heeft deze informatie beoordeeld en geconcludeerd dat dit geen aanleiding is om het standpunt te wijzigen. De stukken van eiseres en het Uwv zijn aan het dossier toegevoegd. Op 11 maart 2026 heeft de rechtbank partijen bericht voornemens te zijn uitspraak te doen zonder nadere zitting. Partijen hebben vervolgens ook niet verzocht om een nadere zitting. Op 20 april 2026 heeft de rechtbank daarom het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit 1
3. Het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 10 december 2024 (bestreden besluit 1) is niet-ontvankelijk. Niet gesteld of gebleken is dat eisers nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit.
Het bestreden besluit 2
4. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot wijziging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Omdat het bestreden besluit 2 niet (voldoende) tegemoet komt aan het beroep van eiseres, heeft het beroep van eiseres mede betrekking op het bestreden besluit 2.
De rechtbank beoordeelt of het Uwv terecht een WIA-uitkering aan eiseres heeft toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 49,6%. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Toetsingskader
5. Het Uwv mag besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid baseren op medische rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten, en voldoende begrijpelijk zijn. De rapporten en besluiten zijn in beroep aanvechtbaar. Daarvoor moet eiseres aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan de genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Om voldoende aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit betekent dat hoe eiseres zich zelf voelt zonder dat daar een medische onderbouwing voor is, niet genoeg is om bij de rechtbank gelijk te krijgen.
De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
6. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan hiervoor genoemde voorwaarden. Aan bestreden besluit 2 ligt de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 december 2024 ten grondslag. Uit deze rapportage blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep het dossier heeft bestudeerd en dat eiseres op spreekuur is gezien. Bij de heroverweging in bezwaar zijn aanvullende beperkingen aangenomen in de functionele mogelijkhedenlijst (fml) van 4 december 2024. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport eenduidig, inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden gemotiveerd hoe de beoordeling tot stand is gekomen. Het rapport voldoet dus aan de drie voorwaarden. Dat betekent dat het Uwv het bestreden besluit mocht baseren op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De medische beoordeling
7. Eiseres voert aan dat haar beperkingen ernstig zijn onderschat. De beperkingen in de fml zijn volgens haar niet toereikend. Zij stelt dat zij veel moet liggen en dat zij 10 uur recuperatietijd nodig heeft. De verzekeringsarts heeft een urenbeperking aangenomen van 6uur per dag en 30 uur per week, maar dat is volgens eiseres niet voldoende. Zij vindt dat een grotere urenbeperking moet worden aangenomen. Ook vindt zij dat de beperkingen in de fml onvoldoende passend zijn voor haar fysieke klachten en dat niet alle ziektes en gebreken kenbaar zijn meegenomen in de beoordeling.
De rechtbank stelt voorop dat het de specifieke deskundigheid van een verzekeringsarts is om de klachten van eiseres te vertalen in arbeidsbeperkingen. De verzekeringsarts kan een urenbeperking aannemen als iemand niet voltijds kan werken op energetische gronden, om preventieve redenen, of vanwege verminderde beschikbaarheid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 4 december 2024, die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit 2, beoordeeld dat er, rekening houdend met de in de fml opgenomen beperkingen, geen medische gronden zijn om een nog verdergaande urenbeperking aan te nemen voor eiseres. Deze beoordeling is verricht conform de standaard ‘Duurbelastbaarheid in arbeid’. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarin meegewogen dat er op medische gronden geen verdergaande recuperatienoodzaak aan de orde is bij eiseres. De rechtbank kan deze uitleg volgen. De rechtbank stelt vast dat de tinnitus, psoriasis en polyartrose zijn beoordeeld en meegewogen bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. De verzekeringsarts heeft deugdelijk uitgelegd waarom voor de tinnitus en psoriasis geen arbeidsbeperkingen worden aangenomen. In verband met de polyartrose zijn wel fysieke beperkingen aangenomen in de fml. Er zijn beperkingen aangenomen in de fml omdat eiseres is aangewezen op rugsparend werk vanwege de polyartrose. In bezwaar zijn aanvullende beperkingen aangenomen, omdat extreme standen van de rug en nek dienen te worden vermeden en omdat eiseres voldoende moet kunnen afwisselen qua houdingen. De rechtbank kan de uitleg van de verzekeringsarts op dit punt eveneens volgen. De aanvullende medische informatie van de reumatoloog die in beroep is ingebracht is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep beoordeeld in de rapportage van 5 januari 2026. In die rapportage heeft de verzekeringsarts uitgelegd dat deze informatie geen aanleiding geeft om meer beperkingen aan te nemen in de fml, omdat de arbeidsbeperkingen wegens polyartrose al in voldoende mate tot uiting komen in de fml van 4 december 2024. De verzekeringsarts heeft dit oordeel voldoende deugdelijk gemotiveerd. Het voorgaande betekent dat er geen aanleiding is tot twijfel aan de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling of de in de fml opgenomen beperkingen. Aan de manier waarop eiseres zelf haar klachten ervaart, hoe begrijpelijk ook, kan in de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen doorslaggevende betekenis toekomen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De arbeidsdeskundige beoordeling
8. Eiseres voert aan dat haar belastbaarheid onjuist is vastgesteld en dat zij daarom ook de door de arbeidsdeskundige geduide voorbeeldfuncties niet kan uitvoeren. Uit wat hiervoor is overwogen volgt echter dat ervan moet worden uitgegaan dat de beperkingen die in de fml van 4 december 2024 voor eiseres zijn opgenomen, juist zijn. De grond dat eiseres de functies niet kan vervullen omdat haar belastbaarheid onjuist is vastgesteld, kan daarom niet slagen.
De rechtbank oordeelt dat er geen reden is om te twijfelen aan de geschiktheid van de geduide voorbeeldfuncties. In het arbeidsdeskundig rapport van 7 juli 2025 is deugdelijk gemotiveerd dat de geduide voorbeeldfuncties de belastbaarheid van eiseres, zoals vastgelegd in de fml van 4 december 2024, niet overschrijden en dus passend zijn. Deze functies heeft het Uwv dan ook ten grondslag mogen leggen aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres. Eiseres is 49,6% arbeidsongeschikt.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat bestreden besluit 2, de gewijzigde beslissing op bezwaar van 9 juli 2025, in stand blijft. Eiseres krijgt dus geen gelijk en zij houdt het recht op een WIA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 49,6%.
Omdat het Uwv in beroep een gewijzigde beslissing heeft genomen is het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk. Omdat het Uwv tijdens de beroepsprocedure een gewijzigde beslissing op bezwaar heeft genomen, ziet de rechtbank aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten die eiseres in dat kader heeft gemaakt. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft in verband met het beroep tegen bestreden besluit 1 een beroepschrift ingediend (1 punt). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,--.
Ten slotte moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht van € 53 vergoeden.
Beslissing
De rechtbank
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, rechter, in aanwezigheid van J.M.J. Kooistra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.