ECLI:NL:RBMNE:2026:3036

ECLI:NL:RBMNE:2026:3036

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 02-06-2026
Datum publicatie 02-06-2026
Zaaknummer 16/322134-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Opzetverkrachting, gepleegd als huisarts. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden. Voorts oplegging van een beroepsverbod voor de duur van 5 jaren. Toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 10.000 (immateriële schade). Voor de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/322134-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 2 juni 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1992] in [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] in [woonplaats] ,

(hierna: de verdachte).

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 19 mei 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

op 10 februari 2025 te Utrecht [slachtoffer] heeft verkracht terwijl hij werkzaam was als huisarts.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd en zich schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het feit.

De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank oordeelt dat het feit is bewezen en dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting, terwijl hij het feit heeft begaan als huisarts jegens een persoon die zich voor hulp of zorg tot hem had gewend. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

Bewijsoverwegingen

Inleiding

Aangeefster heeft in de nacht van 9 op 10 februari 2025 om 03:51 uur de alarmcentrale 112 gebeld vanwege paniekklachten. Zij werd door de alarmcentrale doorverbonden naar de huisartsenspoedpost in Utrecht aan de [adres] (hierna: de spoedpost). Daar heeft zij de triagist gesproken die noteerde dat ze helemaal in de war was, gedachtes had om niet meer te willen leven, gek werd en naar Altrecht gebracht wilde worden. De verdachte was die nacht als huisarts werkzaam op de spoedpost. Hij heeft aangeefster naar aanleiding van de informatie van de triagist om 05:35 uur teruggebeld en een aantal minuten met haar gesproken. Hij heeft toen tegen haar gezegd dat ze zich met haar klachten tot haar eigen huisarts kon wenden.

Nadat zijn nachtdienst om 08:00 uur was afgelopen, heeft de verdachte aangeefster om 08:06, 08:07, 08:08, 08:10 en om 08:14 uur met zijn privételefoon gebeld. De laatste keer heeft zij opgenomen. De verdachte heeft zich daarbij niet met zijn werkelijke naam voorgesteld, maar met een naam die hij had verzonnen. Na kort telefonisch met aangeefster gesproken te hebben is de verdachte bij haar langsgegaan in haar woning. Daar heeft uiteindelijk seksueel contact plaatsgevonden, waarbij de verdachte het lichaam van aangeefster onder andere is binnengedrongen met zijn vingers en penis.

De verdachte zegt dat dit seksuele contact met wederzijds goedvinden en op verzoek van aangeefster heeft plaatsgevonden. Volgens aangeefster was er van instemming met de seksuele handelingen geen sprake. Zij verklaart dat de verdachte haar kort na binnenkomst in haar woning een drankje heeft gegeven waardoor zij versuft raakte. Ze verklaart dat ze slechts beperkt iets heeft meegekregen van de seksuele handelingen, dat ze nog wel weet dat de verdachte haar heeft gevingerd en dat ze op enig moment bijkwam en toen zag dat hij met een ontblote stijve penis naast haar stond.

De vragen die de rechtbank moet beantwoorden zijn of er sprake was van een arts-patiënt relatie op het moment dat het seksuele contact plaatsvond en of er sprake was vrijwillige seks. Voordat de rechtbank dit doet zal zij het juridisch kader schetsen dat van toepassing is op bewijs in zedenzaken.

Bewijs in zedenzaken

In zaken waarbij een verdachte wordt beschuldigd van een seksueel misdrijf zijn vaak alleen een aangeefster en een verdachte aanwezig geweest bij die vermeende seksuele handelingen. De verklaring van een aangeefster staat in dat geval tegenover de verklaring van een verdachte, net als in deze zaak. Om in zo’n geval te kunnen beoordelen of al dan niet sprake is geweest van een strafbaar feit, moet de rechtbank in de eerste plaats nagaan of de verklaring van een aangeefster op zichzelf voldoende betrouwbaar is. De rechtbank bekijkt verder of de verklaring van een aangeefster wordt ondersteund door ander bewijs in het dossier. Daarbij betrekt zij ook of er tegenaanwijzingen (contra-indicaties) zijn.

De rechtbank kan alleen een betrouwbare verklaring gebruiken voor het bewijs. Bij het beoordelen van de betrouwbaarheid kijkt de rechtbank onder andere naar de consistentie, de gedetailleerdheid en de wijze waarop de verklaring tot stand is gekomen. De verklaring van een aangeefster alleen is – zelfs als die betrouwbaar is – onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen (zo volgt uit artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering). Voor een bewezenverklaring is ook bewijs uit een andere bron nodig (steunbewijs). Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat niet is vereist dat de gedragingen (de verweten seksuele handelingen) als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Het is voldoende wanneer de betrouwbare verklaring van een aangeefster op onderdelen steun vindt in bewijsmiddelen die afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daar komt bij dat in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de betrouwbare verklaring van een aangeefster voldoende wettig bewijs kan opleveren.

De rechtbank beoordeelt hierna of de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en of deze verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen.

Betrouwbaarheid verklaring aangeefster

De aangeefster heeft tweemaal een verklaring afgelegd bij de politie, namelijk tijdens een informatief gesprek zeden op 11 februari 2025 en tijdens haar aangifte op 30 juli 2025. Zij verklaart consistent en gedetailleerd over de klachten die zij had, over de manier waarop de verdachte met haar in contact is gekomen, over de massage die de verdachte haar heeft gegeven, over het door de verdachte aan haar toegediende drankje, over hoe zij zich daarna voelde en over welke seksuele handelingen zij zich kan herinneren.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn, ook voor zover zij verklaart over het feit dat de verdachte haar een drankje heeft gegeven waarvan zij versuft raakte. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat aangeefster dat direct benoemt als ze kort na het vertrek van de verdachte contact opneemt met haar huisarts, dat ze dat ook tegenover anderen telkens herhaalt en dat ze daarbij specifieke details benoemt. Zo zegt ze zowel tegen de huisartsassistente tijdens het eerste telefonisch contact kort na het incident, als tegen haar huisarts iets later op de ochtend, dat de verdachte haar een drankje had gegeven “waar zij warm van zou worden”. Diezelfde woorden gebruikt aangeefster als zij die ochtend haar zus belt om haar verhaal te doen. Zowel tegenover haar huisarts als tegenover haar zus en tegenover de verbalisanten die aangeefster in haar woning bezoeken nadat zij de politie belde, benoemt ze ook dat het haar door de verdachte toegediende drankje een versuffend effect op haar had: dat ze hiervan suf was geworden, dat ze zich licht in haar hoofd en duizeling voelde en dat ze in slaap was gevallen. In het daarop volgende informatief gesprek zeden en in haar aangifte verklaart aangeefster consistent en in lijn met het voorgaande en verklaart zij voorts gedetailleerd op andere punten over dit drankje. Zo zou het drankje in een thermoskan of jerrycan hebben gezeten die de verdachte zelf had meegenomen en zou de verdachte dit drankje vervolgens in een klein bekertje hebben geschonken dat hij ook zelf had meegenomen. De verdachte stopte het bekertje terug in zijn tas voordat hij de woning verliet. Deze specifieke details vertelt zij ook aan anderen, zo blijkt uit het dossier.

Hoewel niet meer te achterhalen is wat er precies in het kleine bekertje heeft gezeten, acht de rechtbank de verklaring van aangeefster dat dit een drankje was dat haar suf maakte, gelet op het voorgaande betrouwbaar. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat er twee dagen na het incident tussen de verdachte en aangeefster, designerdrugs zijn aangetroffen bij de verdachte tijdens zijn nachtdienst op de spoedpost.

De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, geen redenen om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster te twijfelen en gebruikt deze dan ook voor het bewijs.

Steunbewijs

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster in voldoende mate steun vindt in ander bewijs in het dossier. Haar verklaring wordt allereerst ondersteund door delen van de verklaring van de verdachte. De verdachte verklaart namelijk dat hij aangeefster iets te drinken heeft gegeven uit een fles die hij zelf bij zich had, dat hij haar gemasseerd heeft en dat hij daarna seks had met aangeefster, waarbij hij haar heeft gebeft en met zijn vingers en penis haar vagina heeft gepenetreerd. Ook bevestigt hij de tijdlijn zoals door aangeefster geschetst en die ook blijkt uit het onderzoek naar de telecomgegevens van de telefoon van aangeefster. Steun voor de verklaring van aangeefster ziet de rechtbank daarnaast in de waarnemingen van zowel de (eigen) huisarts als de zoon van aangeefster over de gemoedstoestand van aangeefster, toen zij hen na het incident belde en vertelde over wat haar was overkomen. De zoon van aangeefster heeft tegenover de politie verklaard dat hij merkte dat aangeefster echt in paniek was. Ook de huisarts heeft waargenomen dat aangeefster in paniek was en heeft hiervan melding gemaakt in haar journaal.

Opzetverkrachting, gepleegd als huisarts

De verdachte heeft uitdrukkelijk betwist dat het seksueel contact met aangeefster plaatsvond binnen een professionele hulpverleningsrelatie tussen arts en patiënt, omdat zijn nachtdienst al was afgelopen toen hij aangeefster bezocht en hij zich ook niet als huisarts aan aangeefster heeft voorgesteld. Aangeefster heeft zich ook niet tot hem gewend, maar hij heeft zich juist tot haar gewend. Hij heeft haar bezocht in privétijd, als privépersoon, omdat hij iets goeds wilde doen en haar een hart onder de riem wilde steken. Het seksueel contact dat vervolgens plaatsvond, was volgens de verdachte geheel vrijwillig en juist de wens van aangeefster, waarin hij zich heeft laten meeslepen.

De rechtbank oordeelt anders en acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting, terwijl hij het feit heeft begaan als huisarts jegens een persoon die zich voor hulp of zorg tot hem had gewend. De rechtbank legt dat als volgt uit.

De verdachte is naar aangeefster toegegaan nadat hij haar die nacht had gesproken tijdens zijn dienst als huisarts op de spoedpost. Doordat hij kennis had genomen van de aantekeningen die de triagist over aangeefster had gemaakt en doordat hij vervolgens als huisarts zelf met aangeefster had gesproken, wist de verdachte op het moment dat hij naar de woning van aangeefster toe ging van de psychische problemen, angsten en suïcidale gedachten van aangeefster. Ook het adres en het telefoonnummer van aangeefster waren de verdachte bekend uit hoofde van zijn dienst als huisarts in die nacht.

Hoewel de verdachte aangeefster aan het eind van zijn gesprek met haar had geadviseerd om haar klachten verder met haar eigen huisarts te bespreken, heeft hij na afloop van zijn nachtdienst meerdere malen telefonisch contact met haar gezocht via zijn privételefoon. De verdachte bereikte aangeefster met zijn eerste vier oproepen (om 08.06, 08.07, 08.08 en 08.10 uur) niet, maar uit de verklaring van aangeefster volgt dat zij wel meerdere gemiste oproepen heeft gehoord. Aangeefster heeft daarop om 08.11 uur haar eigen huisarts gebeld en kort gesproken met de huisartsassistente, die in het medisch dossier van aangeefster noteerde dat zij graag snel door haar eigen huisarts wilde worden teruggebeld. Kort hierna heeft de verdachte aangeefster wederom gebeld (om 08.14 uur) en die oproep heeft zij beantwoord. De verdachte heeft haar toen gevraagd hoe het met haar ging en of zij behoefte had aan een goed gesprek en is vervolgens bij haar langs gegaan. Aangeefster is er vanuit gegaan dat de verdachte haar belde en bezocht als huisarts, in het verlengde van haar klachten en de contacten in de voorgaande nacht. Dat zij die aanname heeft gedaan, is in de context van het voorgaande begrijpelijk en aan het toedoen van de verdachte te wijten.

De rechtbank overweegt verder dat het direct na zijn nachtdienst aanhoudend bellen van aangeefster met zijn privételefoon, terwijl hij haar ’s nachts had geadviseerd om haar klachten verder met haar eigen huisarts te bespreken en haar eigen huisarts op dat moment ook al open was (het was immers na 08:00 ’s uur ochtends), duidt op een zekere mate van doelbewustheid in het handelen van de verdachte. Daar komt nog bij dat hij zich die ochtend onder een valse naam aan aangeefster heeft voorgesteld. Gelet op zijn wetenschap van de psychische toestand van aangeefster, moet het voor de verdachte – toen hij aangeefster in haar woning bezocht – bovendien duidelijk zijn geweest zijn dat zij op dat moment niet in staat was om vrijelijk haar wil ten aanzien van seksuele handelingen te bepalen. Daar komt nog bij dat hij haar vervolgens een drankje heeft toegediend waar zij suf van werd. Daarna heeft hij seks met haar gehad. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat de wil tot dat seksuele contact bij aangeefster ontbrak en dat de verdachte dat ook wist.

Conclusie

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 10 februari 2025 schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting van aangeefster, terwijl hij werkzaam was als huisarts en aangeefster zich voor hulp of zorg tot hem had gewend.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

op 10 februari 2025 te Utrecht, met [slachtoffer] seksuele handelingen die medebestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het (meermalen) masseren van de billen, schaamstreek en vagina van die [slachtoffer] en brengen van zijn penis en vingers in de vagina en van zijn tong tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] , terwijl hij wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en hij werkzaam was als huisarts en die [slachtoffer] zich voor hulp of zorg tot hem had gewend.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

opzetverkrachting, terwijl de schuldige werkzaam is in de gezondheidszorg en het feit wordt begaan jegens een persoon die zich voor hulp of zorg tot de schuldige heeft gewend.

Strafbaarheid feit en verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5. Straf

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

een gevangenisstraf van 42 maanden;

een beroepsverbod om als medicus danwel paramedicus te mogen functioneren voor de duur van 5 jaren.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank rekening te houden met de directe en indirecte tuchtrechtelijke gevolgen die een eventuele veroordeling met zich mee zal brengen. Daarnaast voert de advocaat aan dat de zaak op persoonlijk gebied al veel impact heeft gehad op de verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting, waarbij hij als huisarts misbruik heeft gemaakt van een kwetsbare patiënt. Nadat de verdachte tijdens zijn nachtdienst op de spoedpost telefonisch met haar heeft gesproken over haar psychische problemen en wist van haar angsten en suïcidale klachten heeft hij haar, na afloop van zijn nachtdienst, gebeld met zijn privételefoon en haar thuis opgezocht. Hij heeft zich hierbij voorgesteld met een valse naam, haar een versuffend drankje toegediend en vervolgens gevingerd, gebeft en gepenetreerd. De verkrachting heeft plaatsgevonden in de woning van aangeefster, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. De verdachte heeft zich bij zijn handelen slechts laten leiden door zijn eigen behoeften. Hij heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de aangeefster en heeft het vertrouwen dat zij in hem stelde in grove mate geschonden. Bij slachtoffers van verkrachting blijven in het algemeen lange tijd gevoelens van angst en onveiligheid bestaan. Dat het voor aangeefster een ingrijpende gebeurtenis is geweest, blijkt bovendien ook uit de spreekrechtverklaring die tijdens de zitting door de advocaat van aangeefster is voorgedragen.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank verder rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 8 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

Over de verdachte is op 13 december 2025 een behandelverklaring door zijn psycholoog opgesteld. Daaruit volgt dat er bij de verdachte in de periode voorafgaand aan het delict sprake was van psychische overbelasting, in combinatie met gevoelens van eenzaamheid en ervaren afwijzing.

Tevens is over de verdachte op 6 mei 2026 een reclasseringsrapportage opgesteld. Daaruit volgt dat de verdachte ten tijde van het delict diverse stressoren kende, waaronder werkdruk en spanningen in de relatie, hetgeen de nodige impact had op zijn psychische toestand. De reclassering schrijft op dat het aannemelijk is dat hetgeen uit de behandelverklaring van de psycholoog naar voren komt, ten tijde van het delict van invloed is geweest op zijn handelen. Als beschermende factor benoemt de reclassering dat verdachte de weg naar hulpverlening zelf weet te vinden. Volgens de reclassering zijn er geen aanwijzingen voor psychische problemen, seksueel deviant gedrag of problematisch middelengebruik. Verder laat het verdiepingsonderzoek dat door de reclassering is verricht een lage score op de kans op recidive zien. Omdat uit onderzoek is gebleken dat bij een laag recidiverisico bij zedendelinquenten enkel afstraffen meer recidive verlagend werkt dan het inzetten van een intensieve zedenbehandeling, ziet de reclassering geen noodzaak tot reclasseringsbemoeienis. Zij adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.

Strafkader

Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Voor verkrachting wordt doorgaans een langdurige gevangenisstraf opgelegd.

De rechtbank rekent in strafverzwarende zin mee dat de verdachte de feiten heeft gepleegd in zijn hoedanigheid van huisarts en met de kennis over de psychische toestand van het slachtoffer die hij vanuit zijn hoedanigheid van huisarts had verkregen. Het slachtoffer heeft hem haar woning binnengelaten en haar vertrouwen in hem gesteld omdat ze dacht dat hij haar kwam bezoeken als huisarts. Daar heeft hij haar een versuffend drankje toegediend en misbruik gemaakt van haar kwetsbare toestand. Dat de verkrachting heeft plaatsgevonden in de woning van aangeefster weegt de rechtbank strafverzwarend mee evenals het feit dat verdachte geen voorbehoedsmiddelen heeft gebruikt.

De rechtbank realiseert zich dat een gevangenisstraf grote gevolgen voor de verdachte zal hebben, maar zij is van oordeel dat, gelet op de aard en ernst van het feit, geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van forse duur op zijn plaats is.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden passend en geboden is. Deze straf wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank andere uitgangspunten voor straftoemeting hanteert en meer dan de officier van justitie rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

Beroepsverbod

In artikel 254a Sr is bepaald dat de in artikel 28 Sr vermelde bijkomende straf van ontzetting van het recht een bepaald beroep uit te oefenen bij een veroordeling voor dit feit kan worden uitgesproken, indien de verdachte het feit in de uitoefening van dat beroep heeft begaan. De rechtbank is van oordeel dat hiervan sprake is. De verdachte heeft door zijn bewezenverklaarde handelen het in hem als huisarts gestelde vertrouwen op ernstige wijze geschonden, waarbij hij misbruik heeft gemaakt van de kennis, macht en gelegenheid die hij vanuit zijn hoedanigheid als huisarts had. Gelet op de aard van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, acht de rechtbank het van groot belang dat wordt verzekerd dat de verdachte voor een langere periode niet meer met van hem afhankelijke kwetsbare personen in aanraking zal komen in de uitoefening van zijn beroep. De rechtbank zal de verdachte dan ook ontzetten van het recht tot uitoefening van het beroep van huisarts of een ander medisch of paramedisch beroep voor de duur van vijf jaren.

Geen contactverbod

De rechtbank ziet, evenals de officier van justitie, geen aanleiding om een contactverbod op te leggen zoals door de advocaat van de benadeelde partij is verzocht. De verdachte heeft inmiddels al meer dan een jaar geen contact met aangeefster gezocht en er zijn ook geen aanwijzingen die er op duiden dat hij dit in de toekomst zal doen.

6. Vordering benadeelde partij

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 15.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit vergoeding van immateriële schade (smartengeld).

Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering voldoende onderbouwd is en vordert volledige toewijzing van de vordering, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Primair omdat de verdediging vrijspraak heeft bepleit en subsidiair omdat het causale verband tussen de schade en het tenlastegelegde moeilijk hard te maken is. Meer subsidiair voert hij aan dat de vordering onvoldoende onderbouwd is.

Oordeel van de rechtbank

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.

De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.

De Rotterdamse schaal geeft een bandbreedte voor verkrachting onder de oude wetgeving (artikel 242 Sr oud). De rechtbank heeft gelet op de relevante factoren voor de omvang van het smartengeld, zoals de ernst van de seksuele handelingen, de handelwijze van de verdachte, de kwetsbaarheid van de benadeelde en de aard en ernst van de gevolgen voor de benadeelde. Verdachte heeft vanuit zijn hoedanigheid van huisarts misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van benadeelde, haar een versuffend drankje toegediend, haar verkracht in haar eigen woning en hierbij geen gebruik gemaakt van voorbehoedsmiddelen. Gelet hierop valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de subcategorie ernstig van de Rotterdamse schaal. De rechtbank neemt de in die schaal genoemde bandbreedte van € 7.500,00 tot € 15.000,00 tot uitgangspunt.

Gelet op omstandigheden waaronder de verkrachting is begaan en gelet op wat schadevergoedingen die in vergelijkbare zaken worden toegekend, komt de rechtbank tot een toewijzing van € 10.000,00. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.

Wettelijke rente

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 10 februari 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van

€ 10.000,00 aan de Staat moet betalen.

Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 februari 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

Gijzeling

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 75 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

Kwijting

De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

7. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- artikelen 28, 31, 36f, 243, 254, 254a van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

strafbaarheid feit en verdachte

straf

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden;

- ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep huisarts of een ander medisch of paramedisch beroep voor de duur van 5 jaren;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]

- wijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van

€ 10.000,00;

Dit vonnis is gewezen door mr. L.L. Veendrick, voorzitter, mr. C.A.M. van Straalen en mr. M.J. Westerink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M.L. den Hoedt als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 februari 2025 te Utrecht,met [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden of medebestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te wetenhet (meermalen)- betasten/masseren van de bil(len), schaamstreek en/of vagina van die [slachtoffer]en/of- brengen/houden van zijn, verdachtes, penis, vinger(s) en/of tong in de vagina,althans tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] ,terwijl- hij wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoede wil ontbrak en- hij werkzaam was als huisarts, althans in de gezondheidszorg en/ofmaatschappelijke zorg en die [slachtoffer] die zich voor hulp en/of zorg tot de hem, deverdachte, had gewend.

Bijlage II: Bewijsmiddelen

Een proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden van 11 februari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[slachtoffer] vertelde kort en bondig weergegeven:

[slachtoffer] was iedere keer benauwd en ze heeft in de nacht van 9 op 10 februari,

omstreeks 04:00 uur 112 gebeld voor een ambulance. Zij hebben [slachtoffer] toen

doorverbonden met de huisartsenpost.

[slachtoffer] is die ochtend, 10 februari, vier keer door een anoniem telefoonnummer

gebeld. De laatste keer heeft ze opgenomen en hoorde toen een mannenstem aan de

telefoon. [slachtoffer] heeft gehoord dat hij even kwam kijken hoe het met haar ging.

Hij stelde vragen zoals: zorg je voor jezelf? Ben je alleen thuis? Binnen twee minuten werd er aangebeld beneden bij de centrale deur. Zonder op het schermpje van de bel te kijken heeft [slachtoffer] de voordeur van haar appartement opengedaan en is toen weer in bed gaan liggen. De man kwam binnen. Hij gaf aan een drankje voor haar te maken zodat ze wat kon ontspannen. Hij maakte dit drankje in de keuken. Hij gaf een beige kartonnen bekertje aan haar met het drankje. Ze vroeg wat er in zat en hij gaf aan dat er vitamine in zaten zodat ze zich met een minuut of 20 wat prettiger zou gaan voelen. Hij wilde haar masseren zodat ze wat zou ontspannen. Hij masseerde eerst haar nek en rug. [slachtoffer] merkte dat ze een beetjesuffer en duffer aan het worden was. Daarna ging hij haar benen masseren en ook met zijn hand bij haar geslachtsdeel. Volgens [slachtoffer] is de man met zijn vingers in haar vagina geweest. [slachtoffer] schrok ineens en zag de blote piemel van de man. Zijn broek was uit en zijn onderbroek zat onderaan zijn benen. [slachtoffer] zei: ‘Wat!’ en hierop trok de man zijn onderbroek omhoog, trok zijn broek en jas aan. Hij pakte het bekertje waar ze uit gedronken had en stopte dit in zijn tas. Hij zei: “Ik vind de uitgang wel" en is vertrokken.

Een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een letterlijke uitwerking van het informatief gesprek zeden, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

A: Hij zei: “ik ga even een drankje voor je maken, dat je wat warmer van binnen wordt.”

Een proces-verbaal aangifte van [slachtoffer] op 30 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

V: Tegen wie doet u aangifte?

A: Tegen de man die mij dit heeft aangedaan.

V: Waar is dit gebeurd?

A: Op de [adres] in [woonplaats] , daar woonde ik.

.

A:Nog geen twee minuten later werd er gebeld dat ze toch konden komen en 1 minuut later ging de bel. Ik deed voor hem open. Hij zei dat ik maar even op bed moest gaan liggen en ontspannen. Ik heb toen tegen hem gezegd dat ik benauwd was. Hij haalde toen een thermoskan uit zijn tas en een klein bekertje. Hij ging naar de keuken en kwam terug en zei dat ik dit helemaal moest opdrinken. Ik heb het opgedronken. Ik raakte helemaal suf en raar. Hij zei: word je al wat rustiger? Op een gegeven moment gaf ik geen antwoord meer. Toen heeft hij zijn lange broek uitgetrokken en zijn onderbroek. Ik kan mij nog zo goed herinneren dat hij mij aan het vingeren was. Ik kreeg ineens een vlaag van waanzin, dat ik wakker werd. Toen zag ik dat hij met een stijve piemel naast mij stond. Hij deed toen meteen zijn broek omhoog en zei: Ik ga wel weer.

V: Wat voelde u nadat u het drankje had gedronken? Hoe begon dat?

A: Ik heb volgens mij nog twee zinnen tegen hem gezegd en daarna was het gedaan. Ik

weet niet meer waar ik was. Hij zei nog: “Lekker he dat vingeren. Dat is zeker een

tijd geleden dat je dat gedaan hebt."

V: Hoe voelde uw lichaam op dat moment?

A: Zweverig, licht, raar. Ik was gewoon niet mijzelf.

V: Hoe was het aanraken van de man? Op uw kleding of er onder?

A: Eronder.

Een geschrift, te weten een notitie van de Spoedpost [locatie] van 10 februari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[slachtoffer] Spoedpost [locatie]

Waarneming

( […] ) Klacht/beloop: Doorverbonden door de Ravu: is helemaal in de war, soms de gedachtes om niet meer te willen leven, kan het niet meer aan. Geen fysieke klachten vooral mentaal. Word gek geeft mevrouw aan. Hulpvraag: kan iemand mij naar Altrecht brengen?

( […] Arts) Wil graag opgenomen worden. Gesprek, weet niet meer wat ze met haarzelf aan moet.

( […] ) spanning

( […] ) Gesprek. Voor vannacht adviezen en vangnet. Beleid via hoofdbehandelaar.

( […] icpc) P02 Crisis/voorbijgaande stressreactie

(Episode) P02 stress

Verrichting: Telefonisch consult

Aanmaker: Triagist

Fiat: [verdachte]

Afgesloten: 10-02-2025.

Een geschrift, te weten een huisartsjournaal van 10 februari 2025 betreffende aangeefster, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

10-02-2025S Gebeld, is in paniek.

Vanmorgen rond 8 uur stond er een man aan de deur. Zei dat hij van de huisartsenpost was. Heeft gezegd dat zij naar Altrecht wilde, Meneer gaf aan eerst een drankje te maken waar zij het warm van zou krijgen. Hierna een massage gegeven. Heeft haar ook vaginaal gepenetreerd met de vingers. Hierna trok hij zijn broek uit. Heeft ze nogmaals gezegd dat ze naar Altrecht wilde, hierop is de man vertrokken.

Kenmerk/Code: E-Consult.

10-02-2025S Mp, belt weer op spoed, kwam een meneer (opgeroepen van de

HAP?), ging heel haar lichaam masseren en kreeg een drankje

waar ze ‘helemaal warm van zou worden’. Uurtje geleden

gebeurd. Massage ging wel erg ver op sommige plekken. Voelt

zich nog steeds paniekerig en trilt op haar benen.

Kenmerk/Code: telefonisch contact AS.

Een proces-verbaal van bevindingen van 11 februari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb [getuige] , de zoon van [slachtoffer] , gebeld. Ik vroeg aan zoon [getuige] wat hij kon verklaren over het incident van 10 februari 2025. Zoon [getuige] verklaarde mij het volgende:

- Ik heb mijn moeder gisteren telefonisch gesproken;

- Ik merkte dat mijn moeder echt in paniek was;

- Mijn moeder vertelde mij dat zij is misbruikt door een onbekend persoon.

Een proces-verbaal van bevindingen (onderzoek telecomgegevens) van 17 februari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 11 februari 2025 heeft de politie een informatief gesprek gevoerd met mevrouw [slachtoffer] . Het slachtoffer maakt gebruik van telefoonnummer [telefoonnummer] .

De verklaring van de verdachte op de zitting, voor zover inhoudende:

In de nacht van 9 op 10 februari 2025 belde aangeefster [slachtoffer] tijdens mijn nachtdienst naar de huisartsenpost waar ik als huisarts werkzaam was. De triagist heeft eerst met haar gesproken en een notitie van dat gesprek gemaakt. Daarna heb ik een terugbelverzoek gekregen en heb ik aangeefster teruggebeld. Het eerste deel van de notitie van de spoedpost is door de triagist geschreven. Ik heb die notitie gelezen voordat ik aangeefster terugbelde. Onder de aantekeningen van de triagist heb ik mijn eigen aantekeningen gemaakt. Vanaf de regel ‘(S) Arts’ is de notitie te lezen die ik gemaakt heb van het gesprek dat ik met aangeefster had. Met ‘(P) Beleid via hoofdbehandelaar’ wordt bedoeld dat ze contact moest opnemen met haar eigen huisarts. Dat had ik haar gezegd.

Om 8 uur ’s ochtends was mijn nachtdienst afgelopen. Ik heb toen met mijn privételefoon om 08:06, 08:07, 08:08, 08:10 en 08:14 naar het telefoonnummer van aangeefster gebeld. De laatste keer nam ze op. Ik heb me voorgesteld onder een andere naam. Die naam had ik verzonnen. Toen ben ik naar haar toegegaan. Haar adres had ik onthouden. Toen ik in de woning van aangeefster was, heb ik wat te drinken voor haar ingeschonken uit een fles die ik bij mij had. Op een gegeven moment ben ik haar gaan masseren. Ik begon bij haar rug en ben op een gegeven moment ook haar billen en liezen gaan masseren. Daarna ben ik met mijn hand in haar onderbroek gegaan en toen heb ik haar vagina aangeraakt en heb ik haar gevingerd. Mijn vinger is hierbij in haar vagina gegaan. Ik heb haar ook gebeft en ben met mijn tong tussen de schaamlippen van aangeefster gegaan. Uiteindelijk heb ik haar ook met mijn penis in haar vagina gepenetreerd.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand