RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/608848 / KL ZA 26-73
Vonnis in kort geding van 3 juni 2026
in de zaak van
[eisende partij] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. J.J.A.M. de Haas,
tegen
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
IFINEX INC., 2. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BFXNA INC., 3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BFXWW INC.,
allen gevestigd op de Britse Maagdeneilanden,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: Bitfinex,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 7 april 2026, met 5 producties,
de mondelinge behandeling van 6 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en waarop [eisende partij] 2 aanvullende producties heeft overgelegd,
de akte van 7 mei 2026, met 11 aanvullende producties,
het tegen Bitfinex verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De kern van de zaak
[eisende partij] stelt slachtoffer te zijn geworden van oplichting waarbij hij cryptovaluta heeft overgemaakt naar adressen die toebehoren aan de crypto-exchange Bitfinex. [eisende partij] vordert dat Bitfinex de Know Your Customer (KYC)-gegevens van de accountholders van die adressen, en de transactieoverzichten van die adressen, verstrekt. Bitfinex is niet verschenen en tegen haar wordt verstek verleend. Hoewel niet is gebleken dat aan de betekeningsvereisten uit artikel 15 Haags Betekeningsverdrag is voldaan, kan op grond van artikel 15 lid 3 Haags Betekeningsverdrag, vanwege het spoedeisende karakter van deze procedure toch verstek worden verleend. De vorderingen van [eisende partij] wordt toegewezen.
3. De beoordeling
Verlening van verstek
Omdat Bitfinex niet is verschenen, moet de vraag worden beantwoord of er verstek tegen Bitfinex kan worden verleend. Daarover overweegt de voorzieningenrechter heeft volgende.
Van toepassing is het Haags Betekeningsverdrag. Zowel Nederland als de Britse Maagdeneilanden (de staat waarin Bitfinex gevestigd is) zijn daarbij partij.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het exploot van de dagvaarding met inachtneming van de bepalingen van het Haags Betekeningsverdrag, de Uitvoeringswet van het verdrag en van artikel 55 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is uitgebracht. Daarnaast stelt [eisende partij] dat de conceptdagvaarding op 26 maart 2026 per e-mail aan Bitfinex is toegestuurd, en het exploot van de dagvaarding op 17 april 2026 per e-mail aan Bitfinex is toegestuurd.
Niet gebleken is echter dat de dagvaarding overeenkomstig artikel 15 lid 1 (en 2) van het Haags Betekeningsverdrag is betekend of in persoon aan de gedaagde is afgegeven. Dat brengt in beginsel mee dat, gelet op artikel 15 lid 1 Haags Betekeningsverdrag, (nog) geen verstek kan worden verleend tegen Bitfinex, tenzij aan het bepaalde in artikel 15 lid 3 Haags Betekeningsverdrag toepassing kan worden gegeven. Op grond van artikel 15 lid 3 Haags Betekeningsverdrag kan de rechter “in spoedeisende gevallen” verstek tegen een in het buitenland woonachtige gedaagde verlenen zonder dat behoeft te blijken dat aan de voorwaarden van artikel 15 Haags Betekeningsverdrag is voldaan. Wel zal met inachtneming van de vereiste spoed zoveel mogelijk, overeenkomstig de doelstelling van het verdrag, gewaarborgd moeten zijn dat een uitgebracht exploot degene voor wie het is bestemd daadwerkelijk bereikt en – indien het om een dagvaarding gaat – zo tijdig dat deze de mogelijkheid heeft verweer te voeren.
[eisende partij] vordert de KYC-gegevens en transactieoverzichten, omdat deze noodzakelijk zijn om de identiteit van de oplichters te achterhalen. Dat is van belang voor (het doen van een poging tot) het verhalen van de schade van [eisende partij] op de oplichters, voor en het vervolg van de strafrechtelijke procedure tegen de oplichters. [eisende partij] heeft daarbij een spoedeisend belang zoals artikel 15 lid 3 Haags Betekeningsverdrag vereist, omdat de bewaartermijn van deze gegevens bijna is verstreken.
Op de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter [eisende partij] een termijn van een week gegeven om aanvullende stukken te overleggen waaruit blijkt dat Bitfinex op 17 april 2026 het exploot van de dagvaarding per e-mail heeft toegestuurd gekregen. Op 7 mei 2026 heeft [eisende partij] een akte aanvullende producties ingediend. Tot de daarbij overgelegde producties behoren, voor zover van belang:
een e-mail aan de jurist van Bitfinex van 26 maart 2026, waarin de mondelinge behandeling in dit kort geding is aangezegd en waarin is aangegeven dat als bijlage de conceptdagvaarding is verstuurd,
een e-mail van de gerechtsdeurwaarder aan de jurist van Bitfinex van 17 april 2026, waarin de mondelinge behandeling in dit kort geding is aangezegd, waarin om een ontvangstbevestiging wordt gevraagd, en waarin is aangegeven dat als bijlage de dagvaarding en een Engelse vertaling daarvan zijn verstuurd,
een document met de naam ‘Eerste bijlage bij e-mail (…) d.d. 17 april 2026’ met daarin een Engelse vertaling van de dagvaarding en producties, en
een document met de naam ‘Tweede bijlage bij e-mail (…) d.d. 17 april 2026’ met daarin de dagvaarding en producties,
een e-mail van Bitfinex van 17 april 2026 in reactie op de e-mail van de gerechtsdeurwaarder van 17 april 2026, met een ontvangstbevestiging.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt hieruit in voldoende mate, en is hiermee voldoende gewaarborgd, dat de dagvaarding Bitfinex daadwerkelijk heeft bereikt en zo tijdig dat zij nog de mogelijkheid heeft gehad om verweer te voeren. Dat betekent dat – met toepassing van artikel 15 lid 3 Haags Betekeningsverdrag – verstek zal worden verleend tegen Bitfinex.
De vordering van [eisende partij] wordt toegewezen
De vordering van [eisende partij] komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.
De gevorderde dwangsom wordt toegewezen
De gevorderde dwangsom wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Bitfinex moet de proceskosten betalen
Bitfinex is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten aan de zijde van [eisende partij] worden begroot op:
kosten van de dagvaarding € 125,57
griffierecht € 735,00
salaris advocaat € 760,00
nakosten € 189,00 +
Totaal € 1.809,57
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter
verleent verstek tegen Bitfinex,
veroordeelt Bitfinex hoofdelijk om binnen vijf (5) dagen na verzending per e-mail van dit vonnis - alsmede een Engelse vertaling daarvan - naar de adressen [e-mail adres] @bitfinex.com, [e-mail adres] @bitfinex.com en [e-mail adres] @bitfinex.com, aan (de advocaat van) eiser te verstrekken alle identificerende gegevens van de accounthouder(s), waaronder te verstaan de volledige voornamen, achternaam/achternamen, de adres(sen), de postcode(s), de woonplaats(en) en de e-mailadres(en), van de volgende Bitfinex-wallet-adressen:
- [wallet-adres]
- [wallet-adres]
- [wallet-adres]
- [wallet-adres]
- [wallet-adres]
- [wallet-adres]
- [wallet-adres] ,
veroordeelt Bitfinex hoofdelijk om binnen de onder 4.2 genoemde termijn aan eiser te verstrekken de volledige transactieoverzichten - inclusief alle aan- en afboekingen, uitbetalingen in fiat-valuta en/of cryptovaluta, het tijdstip van iedere transactie en de tegenrekeningen of tegenadres(sen) - van de onder 4.2 genoemde account(s), over de periode van 1 december 2022 tot en met de datum van dit vonnis,
veroordeelt Bitfinex hoofdelijk tot betaling van een dwangsom van € 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro) per dag of gedeelte daarvan dat zij niet voldoet aan de veroordelingen onder 4.2 en 4.3, tot een maximum van € 100.000,00 (zegge: honderdduizend euro),
veroordeelt Bitfinex hoofdelijk in de kosten van dit geding, aan de zijde van [eisende partij] begroot op € 1.809,57, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW indien de proceskosten niet zijn voldaan binnen veertien dagen na verzending van dit vonnis op de onder 4.2 genoemde wijze,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
5984