RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/595087 / HA ZA 25-304
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[eisende partij] ,
h.o.d.n. [handelsnaam] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. S.S. Zijderveld,
tegen
[gedaagde partij] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
advocaat: mr. K.G.O. Afriyieh.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 18 producties;- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met 4 producties;
- de conclusie van antwoord in reconventie;
- de conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie; - de e-mail van de rechtbank aan partijen waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.
De mondelinge behandeling vond plaats op 13 april 2026. Daarbij waren aanwezig: [eisende partij] , bijgestaan door mr. Zijderveld., en [gedaagde partij] , bijgestaan door mr. Afriyieh. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken.
De rechtbank heeft daarna beslist dat vandaag uitspraak wordt gedaan.
2. De kern van de zaak
Partijen hebben een koopovereenkomst gesloten, waarbij is afgesproken dat [gedaagde partij] 21 gereedschapskarren zou kopen van [eisende partij] . Volgens [eisende partij] heeft [gedaagde partij] een deel van de koopsom nog niet aan hem betaald. [eisende partij] wil dat [gedaagde partij] dit alsnog betaalt. [gedaagde partij] is het daar niet mee eens. Volgens [gedaagde partij] heeft [eisende partij] de gereedschapskarren niet aan hem geleverd. Volgens [gedaagde partij] is [eisende partij] daarom tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst, moet de overeenkomst ontbonden worden en moet [eisende partij] het bedrag dat [gedaagde partij] al heeft betaald, terugbetalen. [gedaagde partij] krijgt gelijk. Dit betekent dat [gedaagde partij] niets meer aan [eisende partij] hoeft te betalen en dat [eisende partij] € 63.700 aan [gedaagde partij] moet terugbetalen.
3. De beoordeling
De rechtbank is bevoegd
De rechtbank moet allereerst beoordelen of zij bevoegd is om te oordelen over dit geschil. Dat is zo. Partijen hebben de koopovereenkomst van 4 januari 2024 gesloten in de uitoefening van hun beroep of bedrijf. Tijdens de mondelinge behandeling van 13 april 2026 heeft [gedaagde partij] desgevraagd verklaard dat hij deze overeenkomst sloot met [eisende partij] om de spullen door te verkopen en om winst te maken. Daarmee hadden beide partijen een handelsoogmerk. Deze overeenkomst is daarmee een handelsovereenkomst. Dit betekent dat geen sprake is van een consumentenzaak en de rechtbank bevoegd is om over dit geschil te oordelen.
De vorderingen van partijen zullen samen worden beoordeeld
De vorderingen in conventie van [eisende partij] en de vorderingen van [gedaagde partij] in reconventie hangen met elkaar samen. Daarom zal de rechtbank deze samen beoordelen. In de beslissing (het dictum) zal wel onderscheid worden gemaakt tussen de vorderingen in conventie en in reconventie.
[eisende partij] heeft de karren niet aan [gedaagde partij] geleverd en dat is een tekortkoming
Volgens [gedaagde partij] is [eisende partij] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van 4 januari 2024, omdat hij de afgesproken 21 gereedschapskarren niet aan hem heeft geleverd. [gedaagde partij] heeft in dit verband betoogd dat hij voor deze gereedschapskarren een totaalbedrag van € 63.700,00 vooruit heeft betaald aan [eisende partij] . [eisende partij] zou deze karren direct daarna aan [gedaagde partij] leveren. Toen dit niet gebeurde, heeft de advocaat van [gedaagde partij] [eisende partij] op 23 augustus 2024 een brief gestuurd en hem gesommeerd om de gereedschapskarren alsnog te leveren. Ook daarna bleef de levering hiervan uit. Ook uit de WhatsAppberichten tussen partijen volgt dat [gedaagde partij] [eisende partij] heeft aangeschreven over de niet geleverde gereedschapskarren. [eisende partij] heeft dit verweer onvoldoende gemotiveerd weersproken. Uit door [eisende partij] overgelegde pinbonnen kan niet worden afgeleid dat hij deze karren aan [gedaagde partij] heeft geleverd. Op de bonnen staat als omschrijving alleen “diverse gereedschap”. De rechtbank kan daaruit niet afleiden dat de afgesproken gereedschapskarren aan [gedaagde partij] zijn geleverd. Bovendien heeft [eisende partij] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zo’n pinbon ook wel eens werd geschreven terwijl er nog niet was geleverd. [eisende partij] heeft verder nog aangevoerd dat [gedaagde partij] op deze pinbonnen heeft getekend voor de levering van de gereedschapskarren. [gedaagde partij] betwist dit. Of de door [eisende partij] overgelegde pinbonnen daadwerkelijk zijn ondertekend door [gedaagde partij] , kan in het midden blijven. Uit deze pinbonnen blijkt namelijk niet dat dit betrekking heeft op de afgesproken gereedschapskarren zodat, ook als de pinbonnen zouden zijn ondertekend door [gedaagde partij] , niet kan worden vastgesteld dat de afgesproken gereedschapskarren zijn geleverd.
Ook uit de door [eisende partij] overgelegde foto’s (gemaakt in de loods van [gedaagde partij] ) kan de levering niet worden afgeleid. Hierop staan gereedschapskarren van het merk Jungwille afgebeeld, terwijl de overeenkomst betrekking heeft op gereedschapskarren van het merk Stahlwerk.
Dat de gereedschapskarren zijn geleverd, volgt ook niet uit de door [eisende partij] overgelegde WhatsAppberichten. Zo schrijft [gedaagde partij] aan [eisende partij] dat hij de eerste 15 karren zou hebben omgeruild tegen andere karren. Niet blijkt daaruit dat deze 15 karren ook daadwerkelijk al door [eisende partij] aan [gedaagde partij] zijn geleverd. In tegendeel: [gedaagde partij] schrijft in hetzelfde bericht: “De gereedschapskarren (onbeschadigd en in verpakking i.v.m. doorverkoop zoals afgesproken) heb je bij mij nog niet geleverd.”
Het had gelet op het partijdebat en alle omstandigheden van het geschil op de weg van [eisende partij] gelegen om zijn betwisting nader te onderbouwen en duidelijk te maken dat de karren zijn geleverd. Dat hij heeft onvoldoende gedaan. De conclusie is dat het verweer van [gedaagde partij] slaagt en dat de rechtbank ervan uit gaat dat de karren niet zijn geleverd. Dit betekent dat [eisende partij] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichting tot levering van de afgesproken karren.
[gedaagde partij] mocht de overeenkomst ontbinden
Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een overeenkomst geeft de wederpartij in beginsel de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden.. Als nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas wanneer de tekortschietende partij in verzuim is.
[gedaagde partij] heeft [eisende partij] per brief van 23 augustus 2024 gesommeerd om binnen veertien dagen alsnog tot levering van de karren over te gaan. Dat heeft [eisende partij] niet gedaan, althans dat is niet gebleken, zodat [eisende partij] in verzuim is.
[gedaagde partij] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de conclusie van antwoord van 6 augustus 2025 moet worden opgevat als een ontbinding van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Dit betekent dat de overeenkomst per die datum is ontbonden. De door [gedaagde partij] gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen.
[eisende partij] moet het al door [gedaagde partij] betaalde bedrag van € 63.700,00 aan hem terugbetalen
De ontbinding van de overeenkomst bevrijdt partijen van hun verplichtingen uit die overeenkomst. Als een verbintenis al (deels) is nagekomen, ontstaat door de ontbinding een ongedaanmakingsverbintenis. Dit betekent dat [gedaagde partij] het bedrag dat hij al heeft betaald, terug moet krijgen van [eisende partij] . Ook betekent de ontbinding dat [eisende partij] de (niet geleverde) karren niet meer aan [gedaagde partij] hoeft te leveren.
De conclusie is daarom dat de vordering van [gedaagde partij] tot terugbetaling van € 63.700,00 door [eisende partij] aan [gedaagde partij] zal worden toegewezen. De rechtbank geeft [eisende partij] daarvoor 14 dagen de tijd, vanaf het moment dat hij is aangeschreven om het vonnis na te komen. De rechtbank vindt de gevorderde termijn van 3 werkdagen te kort en een termijn van 14 dagen passend.
Omdat de primaire vordering van [gedaagde partij] slaagt, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de subsidiaire vordering van [gedaagde partij] ertoe strekkende dat de overeenkomst moet worden vernietigd omdat sprake is van misbruik van omstandigheden door [eisende partij] .
[eisende partij] moet de wettelijke rente over € 63.700,00 aan [gedaagde partij] betalen
[gedaagde partij] maakt aanspraak op vergoeding van de wettelijke handelsrente over € 63.700,00. Die vordering is niet toewijsbaar, omdat de wettelijke handelsrente niet van toepassing is op ongedaanmakingsverbintenissen die zijn ontstaan door ontbinding van een overeenkomst. De bepaling over de wettelijke handelsrente heeft alleen betrekking op de primaire betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst, de geldelijke tegenprestatie voor geleverde diensten op grond van een handelsovereenkomst en niet op andere geldelijke verplichtingen. Daarom zal slechts de wettelijke rente worden toegewezen over € 63.700,00 vanaf 6 augustus 2025. Op die datum is de overeenkomst ontbonden en was de vordering direct opeisbaar.
[eisende partij] moet de buitengerechtelijke kosten van [gedaagde partij] betalen (€ 1.412,00)
[gedaagde partij] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 1.708,52 inclusief btw. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde partij] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De gevorderde BTW is niet toewijsbaar. [gedaagde partij] heeft namelijk niet gesteld dat hij geen ondernemer is in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 of dat hij als ondernemer een vrijgestelde prestatie verricht heeft verricht. De rechtbank zal het bedrag zonder btw toewijzen. Bij de vordering van € 63.700,00 is het wettelijke tarief € 1.412,00 exclusief btw.
[gedaagde partij] hoeft niets meer aan [eisende partij] te betalen
Omdat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden, kan [eisende partij] geen aanspraak meer maken op nakoming hiervan. Dit betekent dat [gedaagde partij] op basis van deze overeenkomst niets meer aan [eisende partij] hoeft te betalen. De conventionele vordering van [eisende partij] tot veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 58.806,00 zal daarom worden afgewezen. Dit geldt ook voor de andere vorderingen van [eisende partij] .
[eisende partij] moet de proceskosten van [gedaagde partij] betalen
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld, zowel in conventie als in reconventie. Daarom moet [eisende partij] de proceskosten van [gedaagde partij] betalen, in conventie en in reconventie.
De proceskosten van [gedaagde partij] worden in conventie begroot op een totaalbedrag van
€ 5.540,00. Dit is € 1.374,00 aan griffierecht, € 3.870,00 aan salaris advocaat (3 punten x tarief € 1.290,00), € 296,00 aan nakosten en de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
De proceskosten van [gedaagde partij] worden in reconventie begroot op € 1.935,00 aan salaris advocaat (1,5 punten x tarief € 1.290,00) en de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
Het vonnis wordt gedeeltelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard
[gedaagde partij] heeft gevorderd om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dit zal worden toegewezen voor zover dit ziet op de (proces)kostenveroordelingen. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
De door [gedaagde partij] gevorderde verklaring voor recht zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat zij naar haar aard niet vatbaar is voor tenuitvoerlegging.
4. De beslissing
De rechtbank
in conventie
wijst de vorderingen van [eisende partij] af;
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van [gedaagde partij] , in conventie begroot op
€ 5.540,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
in reconventie
verklaart voor recht dat de koopovereenkomst tussen [gedaagde partij] en [eisende partij] van 4 januari 2024 per 6 augustus 2025 is ontbonden wegens het niet nakomen van [eisende partij] van de levering van de 21gereedschapskarren;
veroordeelt [eisende partij] om, binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, aan [gedaagde partij] te betalen een bedrag van € 63.700,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 6 augustus 2025 tot het moment van volledige betaling;
veroordeelt [eisende partij] om, binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, aan [gedaagde partij] te betalen € 1.412,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van [gedaagde partij] , in reconventie begroot op
€ 1.935,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
wijst het meer of anders gevorderde af.
in conventie en in reconventie
verklaart het vonnis onder 4.2., 4.4., 4.5. en 4.6. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Haas en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
4809