ECLI:NL:RBMNE:2026:3048

ECLI:NL:RBMNE:2026:3048

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 03-06-2026
Datum publicatie 03-06-2026
Zaaknummer 16-033264-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

De verdachte heeft in de vroege ochtend van 31 januari 2024 samen met anderen bij twee verschillende woningen een vuurwerkbom af laten gaan. Bij een van de woningen is ook levensgevaar ontstaan. De rechtbank overweegt dat met het terugsturen van de verdachte naar de gevangenis geen redelijk doel meer is gediend en legt daarom geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf bovenop het voorarrest op. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van één jaar, waarvan een gedeelte van 261 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 380 uur.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16-033264-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 3 juni 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [2005] in [geboorteplaats] (Syrië),

verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres] in [woonplaats] ,

(hierna: de verdachte).

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 8 mei 2026. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Het onderzoek is gesloten op 3 juni 2026.

Bij de inhoudelijke behandeling waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

feit 1:

op 31 januari 2025 in [woonplaats] samen met anderen een ontploffing teweeg heeft gebracht nabij de woning aan de [adres] , met gemeen gevaar voor goederen;

feit 2:

op 31 januari 2025 in [woonplaats] samen met anderen een ontploffing teweeg heeft gebracht nabij de woning aan de [adres] , met gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis.

3. Bewijs

Inleiding

Op 31 januari 2025 vindt rond 07:10 uur een ontploffing plaats bij een woning op de [adres] in [woonplaats] . De bewoners van nummer [huisnummers] en [huisnummers] schrikken op van een harde knal, zien een vlammenzee en blussen zelf de brand bij de voordeur.

Even later die ochtend, omstreeks 08:30 uur, vindt nog een ontploffing plaats bij een woning aan de [adres] in [woonplaats] . De bewoners zijn op dat moment niet thuis, maar door getuigen wordt gezien dat twee mannen wegrennen en vervolgens wegrijden in een donkere auto met kenteken [kenteken] . De brand wordt door een getuige geblust.

Een half uur later houdt de politie de auto met kenteken [kenteken] staande. In de auto zitten [medeverdachte 2] (medeverdachte), [medeverdachte 1] (medeverdachte) en [verdachte] (de verdachte).

De verdachte heeft bekend dat hij beide vuurwerkbommen heeft aangestoken.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte beide feiten heeft gepleegd.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van feit 2, voor zover dat feit ziet op levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.

Oordeel van de rechtbank

Bekennende verdachte

De verdachte bekent dat hij de ontploffingen bij beide woningen met anderen heeft gepleegd (feiten 1 en 2), zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Namens hem is ook niet om een (volledige) vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

Feiten 1 en 2

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de zitting van 8 mei 2026;

Feit 1

2. Het proces-verbaal van forensisch onderzoek aan de woning [adres] in [woonplaats] , opgemaakt op 10 februari 2025;

Feit 2

3. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] , opgemaakt op 31 januari 2025;

4. Het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict aan de woning [adres] in [woonplaats] , opgemaakt op 31 januari 2025;

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

Bewijsoverwegingen

Levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel (feit 2)

De advocaat van de verdachte heeft betoogd dat niet kan worden bewezen dat de explosie bij de woning aan de [straat] in [woonplaats] levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel in het leven is geroepen.

De rechtbank is het daar niet mee eens. De explosie is veroorzaakt door het aansteken van een Cobra 6 waaraan een petfles met vloeibare brandstof is bevestigd. Dit heeft geleid tot een steekvlam, waardoor achter de voordeur brand is ontstaan. Uit het dossier blijkt dat de houten betimmering in de hal vlak achter de deur vlam had kunnen vatten. Dit terwijl de bewoners van het huis waarvoor de explosie heeft plaatsgevonden (huisnummers [huisnummers] en [huisnummers] ) op dat moment thuis waren. Aangever [aangever] heeft bovendien verklaard dat hij lag te slapen in zijn slaapkamer boven de voordeur. Als de brand niet direct was geblust door de bewoners, had dus een levensgevaarlijke woningbrand kunnen ontstaan.

Dat sprake was van levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, was voor de verdachte ook te voorzien. Gelet op het tijdstip van de ontploffing, omstreeks 07:00 uur, was naar algemene ervaringsregels te verwachten dat de bewoners thuis waren en zelfs nog lagen te slapen. Het explosief is bovendien neergelegd bij de voordeur waardoor de vluchtroute belemmerd had kunnen zijn.

De rechtbank komt tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen is dat bij de brand levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was.

Medeplegen

Verder moet de rechtbank beoordelen of de betrokkenheid van de verdachte bij de ontploffingen kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarvoor moet komen vast te staan dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de drie verdachten de hele nacht samen hebben rondgereden door Nederland. Terwijl zij in de auto zaten, stonden de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] via hun telefoons in nauw contact met een persoon (‘opdrachtgever’), die hen instructies gaf en locaties doorstuurde. De verdachten hebben op hun telefoon de locaties opgezocht en zijn daar naartoe gereden. Zij hadden de vuurwerkbommen bij zich in de auto en wisten dat op die locaties een bom tot ontploffing moest worden gebracht. Onderdeel van het plan was dat één persoon moest filmen en dat de ander de bom moest aansteken. Zij hebben dus onderling een taakverdeling gemaakt. Dit plan hebben ze ook uitgevoerd. De verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] zijn beide keren samen uit de auto gestapt en naar de woning gelopen, waarna de verdachte beide keren de bom tot ontploffing heeft gebracht en de medeverdachte [medeverdachte 2] de ontploffing heeft gefilmd.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen meerdere personen (opdrachtgever, filmer, uitvoerder), waarbij aan de verdachte een uitvoerende rol toekwam.

De rechtbank komt tot de conclusie dat beide feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

1op 31 januari 2025, te [woonplaats] , gemeente Wijdemeren, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door zwaar vuurwerk en brandbare vloeistof tot ontploffing te brengen nabij de woning aan de [adres] te [woonplaats] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor de voornoemde woning en de in die woning aanwezige goederen en de naastgelegen woningen te duchten was;

2op 31 januari 2025, te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door zwaar vuurwerk en brandbare vloeistof tot ontploffing te brengen nabij de woning aan de [adres] te [woonplaats] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor de voornoemde woning ( [adres] ) en de in die woning aanwezige goederen en de naastgelegen woningen te duchten was en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van die woning en anderen te duchten was.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

feit 1: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

feit 2: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5. Straf

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert de toepassing van het volwassenenstrafrecht en eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt het jeugdstrafrecht toe te passen. De advocaat verzoekt een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen, met een onvoorwaardelijk deel gelijk aan het voorarrest, met daarnaast een taakstraf.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt aan de verdachte op:

een gevangenisstraf van één jaar (365 dagen), met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 261 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

een taakstraf van 380 uur.

Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze straffen is gekomen.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft in de vroege ochtend van 31 januari 2024 samen met anderen bij twee verschillende woningen een vuurwerkbom af laten gaan. Bij een van de woningen is ook levensgevaar ontstaan. De verdachte is in de nachtelijke uren in [woonplaats] opgehaald door de medeverdachten. Samen zijn ze naar Rotterdam gereden, waar ze de vuurwerkbommen in handen kregen. Vervolgens zijn ze op aanwijzingen van een opdrachtgever richting de twee woningen in Baarn en Kortenhoef gereden, waar beide bommen bij de voordeur tot ontploffing zijn gebracht. Het is niet duidelijk geworden waarom deze woningen doelwit waren. Bij een van de woningen lijkt sprake te zijn geweest van een vergissing.

Bij de eerste ontploffing in Baarn is een steekvlam ontstaan en is kort brand uitgebroken. De bewoners waren op dat moment thuis en zijn enorm geschrokken. Dankzij snel optreden van de bewoners, die de brand direct hebben geblust, is gelukkig erger voorkomen. De harde knal en impact van de eerste ontploffing hebben de verdachte en zijn mededaders er niet van weerhouden de tweede bom tot ontploffing te brengen.

De laatste jaren is er een grote toename van aanslagen met vuurwerkbommen op woningen te zien. De gevolgen hiervan zijn enorm: woningen raken zwaar beschadigd, hele straten worden afgezet, woningen worden gesloten of onbewoonbaar verklaard en de hele buurt voelt zich lange tijd nog onveilig thuis. In sommige gevallen vallen er zelfs dodelijke slachtoffers of raken mensen ernstig gewond.

De verdachte heeft verklaard dat hem geld was beloofd en dat hij onder druk werd gezet om de ontploffingen te plegen. Voor dat laatste biedt het dossier geen aanwijzingen. De verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank veel te lichtzinnig gedacht over de gevolgen van zijn handelen en zich laten leiden door het snelle geld.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De verdachte is niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit. Hij heeft in deze zaak 104 dagen in voorarrest doorgebracht. Daarna is de voorlopige hechtenis geschorst.

Over de verdachte zijn meerdere rapporten opgemaakt door de reclassering. De reclassering schrijft dat de verdachte tijdens het schorsingstoezicht over kwam als een sociaal functionerende jongvolwassene, met beperkte weerbaarheid in bedreigende of complexe sociale situaties. In de loop van het toezicht heeft de verdachte daarin stappen gezet en kan hij in zulke situaties betere afwegingen maken. Hij heeft afstand genomen van een deel van zijn sociale kring die een slechte invloed op hem had. Al met al schat de reclassering het recidiverisico in als minimaal. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat de verdachte in het schorsingstoezicht al heeft laten zien dat hij zich inzet voor een betere toekomst en hij een voldoende beschermend netwerk heeft om op terug te vallen.

Volwassenenstrafrecht

De verdachte was 20 ten tijde van het plegen van de feiten. Dat maakt dat in beginsel het volwassenstrafrecht op hem van toepassing is, tenzij de rechtbank in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan aanleiding ziet om het jeugdstrafrecht toe te passen.

De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van die hoofdregel. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de reclassering op basis van het uitgebreide wegingskader onvoldoende aanknopingspunten heeft gezien om het jeugdstrafrecht te adviseren. Verder is een pedagogische aanpak of een interventie vanuit het jeugdstrafrecht ook niet noodzakelijk of geadviseerd. Op zitting komt de verdachte bovendien volwassen over. De rechtbank zal daarom het volwassenenstrafrecht toepassen. Wel houdt de rechtbank bij het bepalen van de hoogte en de soort straf rekening met de jeugdige leeftijd van de verdachte.

Strafkader

De feiten, gelet op de ernst daarvan, rechtvaardigen in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur, zoals ook door de officier van justitie is geëist.

Maar met het terugsturen van de verdachte naar de gevangenis is geen redelijk doel meer gediend. Daarbij weegt zwaar mee dat de verdachte nog jong is. Zeker bij jonge mensen is het van groot belang dat een positieve ontwikkeling niet wordt gefrustreerd. Daarbij speelt mee dat de reclassering dat de kans op recidive zeer laag inschat.

Boven op het voorarrest is ook nog vergelding op zijn plaats. De rechtbank legt om de hierboven genoemde redenen geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf bovenop zijn voorarrest op, maar wel een voorwaardelijke gevangenisstraf en een forse taakstraf.

De rechtbank geeft met deze straf de verdachte een kans. Mocht de verdachte gedurende de proeftijd van twee jaar toch opnieuw een strafbaar feit plegen, dan kan alsnog het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf aan hem worden opgelegd. Het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf wordt gelijk gesteld aan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.

Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf van in totaal 380 uur passend en geboden. Deze taakstraf gaat het maximum als bedoeld in artikel 22c van het Wetboek van Strafrecht niet te boven, omdat deze voor twee strafbare feiten wordt opgelegd. De taakstraf is lager dan de taakstraf die de rechtbank aan de medeverdachte [medeverdachte 2] oplegt, omdat de verdachte twee maanden langer in voorarrest heeft doorgebracht.

De voorlopige hechtenis

De voorlopige hechtenis van de verdachte is geschorst. Het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal daarom het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

6. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

-

7. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;

straffen

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 365 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (104 dagen), bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 261 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;

- als voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt de verdachte daarnaast tot een taakstraf van 380 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 190 dagen hechtenis;

voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E.S. Dolmans, voorzitter, mr. O. Böhmer en mr. C. Van Wambeke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C. van Grinsven als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.

Bijlage 1: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1hij, op of omstreeks 31 januari 2025, te [woonplaats] , gemeente Wijdemeren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een of meer stuk(s) (zwaar) vuurwerk en/of een brandbare vloeistof, althans een of meer explosieven en/of een brandbare vloeistof tot ontploffing te brengen nabij de woning aan de [adres] te [woonplaats] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor de voornoemde woning en de in die woning aanwezige goederen en/of de naastgelegen woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

2hij, op of omstreeks 31 januari 2025, te [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een of meer stuk(s) (zwaar) vuurwerk en/of een brandbare vloeistof, althans een of meer explosieven en/of een brandbare vloeistof, tot ontploffing te brengen nabij de woning aan de [adres] te [woonplaats] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor de voornoemde woning ( [adres] ) en de in die woning aanwezige goederen en/of de naastgelegen woningen en/of nabij geparkeerde voertuigen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoner(s) van die woning, in elk geval levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand