RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 16/202824-25; 16/197765-25 (gev. ttz) en 16/236744-24 (vord. tul)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 4 februari 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1987] te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] te [woonplaats] ,
thans verblijvende te [verblijfplaats] ,
hierna: de verdachte.
1. Zitting
De strafzaak is op 16 juli 2025 door de politierechter verwezen naar de meervoudige kamer en is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 21 januari 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De rechtbank nummert de bij de dagvaardingen met de parketnummers 16/202824-25 en 16/197765-25 ten laste gelegde feiten als feit 1 tot en met 7.
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:
feit 1
op 1 juli 2025 in Swifterbant [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;
feit 2
op 1 juli 2025 in Swifterbant [slachtoffer 1] heeft bedreigd met
- openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en/of goederen, en/of
- enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of
- zware mishandeling;
feit 3
op 1 juli 2025 in Swifterbant een auto (Peugeot) van [benadeelde 1] heeft beschadigd;
feit 4
op 1 juli 2025 in Swifterbant een auto (Mazda) van [benadeelde 2] heeft beschadigd;
feit 5
op 1 juli 2025 in Swifterbant een auto (Ford Fiesta) van [slachtoffer 1] heeft beschadigd;
feit 6
op 30 juni 2025 in Lelystad een auto (kenteken: [kenteken] ) van [benadeelde 3] heeft gestolen;
feit 7
op 29 juni 2025 in Almere politieambtenaar [politiebeambte] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 7 heeft gepleegd en dat zij moet worden vrijgesproken van feit 6.
Standpunt van de verdediging
De advocaten verzoeken de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 1, 4, 6 en 7.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak t.a.v. feiten 4, 6 en 7
De rechtbank oordeelt dat de feiten 4, 6 en 7 niet zijn bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. Ten aanzien van feit 4 overweegt de rechtbank dat het dossier voor de aangifte geen steunbewijs bevat, wat voor een bewezenverklaring wel is vereist. Uit het dossier valt bovendien niet te herleiden op welke manier de schade aan de auto van slachtoffer [benadeelde 2] is ontstaan. In ieder geval kan niet worden vastgesteld dat de verdachte deze heeft veroorzaakt.
Feit 6 kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen, omdat aangeefster in haar verhoor bij de rechter-commissaris op 17 december 2025 heeft verklaard dat de verdachte haar auto mocht gebruiken. Gelet hierop is er geen sprake geweest van een wederrechtelijke toe-eigening.
Ook ten aanzien van feit 7 overweegt de rechtbank dat het dossier geen steunbewijs voor de aangifte bevat. In artikel 344, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering staat dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan mag worden aangenomen op grond van het proces-verbaal van een opsporingsambtenaar. Deze bijzondere bewijskracht van processen-verbaal geldt echter alleen voor processen-verbaal van bevindingen waarin verbalisanten vastleggen wat zij zelf hebben waargenomen of ondervonden. Verbalisant [politiebeambte] geeft in zijn aangifte weer wat hij telefonisch van zijn teamchef heeft gehoord over een bedreiging die door anderen zou zijn gehoord. De aangifte bevat dus geen eigen waarneming door [politiebeambte] . Nu ander bewijs dan de aangifte ontbreekt, zal de rechtbank van dit feit vrijspreken.
Bewijsmiddelen feit 1
De rechtbank oordeelt dat feit 1 is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:
[slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan. Zij heeft onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:
"Op 1 juli 2025 zag ik een vrouw zitten op de stoep in de straat [straat] te Swifterbant . Ik zag toen dat deze vrouw opstond en naar mij aan het wenken was. Ik herkende de vrouw als zijnde mijn oude buurvrouw [verdachte] . Ik probeerde haar rustig te houden. Ik zag toen en ik hoorde ook aan haar stem dat haar stemming veranderde. Ze begon met luide stem te praten en ik zag dat haar houding veranderde, dit deed ze door heel kort op mij af te staan en half met haar hoofd bij mij naar binnen ging. Ik kon niet weg, omdat zij op dat moment al half in mijn auto hing. Ik zag vervolgens dat ze met haar armen naar binnen greep en mij probeerde vast te pakken. Ik zag en ik voelde dat zij mij toen met haar arm vastgreep ter hoogte van mijn nek. Op dat moment was ik zo bang dat ik ben weggereden. Het raam stond nog open en [verdachte] probeerde mij nog weg te trekken. Ik hoorde en zag dat ze toen op mijn auto sloeg en ik hoorde haar schreeuwen naar mij "Ik maak je dood" en nogmaals "Jij moet dood en jij gaat ook dood".
Met deze bedreigingen heb ik wel het idee dat [verdachte] deze kan waarmaken. [verdachte] is zeer onberekenbaar en ik ben echt bang dat zij de bedreigingen waar gaat maken.
De verdachte is verhoord bij de politie en heeft onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:
O: Er is verklaard dat u met luide stem begon te praten, dicht op de mevrouw kwam staan en half met uw hoofd door haar autoraam naar binnen ging.
V: Heb je dit gedaan?
A: Als dat er staat, zou het zou zijn.
In het proces-verbaal van bevindingen van 1 juli 2025 blijkt dat verbalisanten onder meer, zakelijk weergegeven, hebben verklaard:
Wij zagen dat er een vrouw midden op de straat zat en dat hier diverse tassen en spullen omheen lagen. Wij hoorden haar zeggen dat ze psychotisch was en alleen maar rust wilde. Verder had [verdachte] een onsamenhangend verhaal.
De verdachte heeft tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:
Op 1 juli 2025 zat ik op de stoep in Swifterbant en [slachtoffer 2] kwam langsrijden in haar auto. Zij had haar raam open. Ik ben vervolgens met haar in gesprek gegaan. Wij hebben toen wat woorden met elkaar gewisseld. Ik heb haar een kankerwijf genoemd.
Bewijsoverwegingen t.a.v. feit 1
De rechtbank stelt vast dat de lezing van de aangeefster en die van de verdachte over wat er voorafgaand aan de bedreiging is gebeurd, in grote lijnen met elkaar overeenkomen. De verdachte heeft verklaard dat zij inderdaad op de desbetreffende dag met aangeefster een woordenwisseling heeft gehad. De verdachte heeft met zoveel woorden bekend dat zij dicht op haar auto is gaan staan en met haar hoofd half door het autoraam naar binnen is gegaan. Het valt de rechtbank op dat aangeefster heeft vermeld dat zij een plotseling omslag bemerkte in de stemming en de houding van de verdachte. Een dergelijke omslag benoemt ook aangeefster [slachtoffer 1] . Dit vormt een bevestiging van de gemoedstoestand waarin verdachte zich bevond. Zij had kort voor dit incident ook [slachtoffer 1] bedreigd en twee vernielingen gepleegd. Bovendien heeft de verdachte zelf verklaard dat zij haar stem heeft verheven en dat zij aangeefster heeft uitgescholden, wat wijst op een agressieve houding. Ook is verdachte door de verbalisanten even later zittend op straat aangetroffen, waarbij verdachte zelf aangaf psychotisch te zijn en onsamenhangend verklaarde. Gelet op deze omstandigheden, in samenhang bezien, is de rechtbank ervan overtuigd dat de verdachte de ten laste gelegde bewoordingen heeft gebruikt en daarmee aangeefster [slachtoffer 2] heeft bedreigd.
Bewijsmiddelen feit 2, 3 en 5
De verdachte bekent dat zij de feiten 2, 3 en 5 heeft gepleegd, namelijk de bedreiging van [slachtoffer 1] en de vernielingen van de auto’s van [benadeelde 1] en [slachtoffer 1] , zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Namens de verdachte is ook niet om vrijspraak van deze feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
Bewijsmiddelen feit 2
een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 1 juli 2025, genummerd 250701-566-750, inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] , pagina 12 tot en met 14;
een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 1 juli 2025, genummerd PL0900-2025219006-12, inhoudende een aanvulling op de getuigenverklaring van [getuige] , pagina 32;
een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 3 juli 2025, genummerd PL0900-2025219006-23, inhoudende een bekennende verklaring van verdachte, pagina’s 92 en 93.
Bewijsmiddelen feit 3
een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 1 juli 2025, genummerd PL0900-2025219212-2, inhoudende de verklaring van aangeefster [benadeelde 1] , pagina 68 tot en met 75;
een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 1 juli 2025, genummerd PL0900-2025219006-11, pagina 34;
een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal betreffende het uitlezen van camerabeelden, genummerd PL0900-2025219006-20 en gesloten op 2 juli 2025, pagina’s 50, 53 en 54.
Bewijsmiddelen feit 5
een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 1 juli 2025, genummerd 250701-566-750, inhoudende de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] , pagina 13 tot en met 22;
een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 1 juli 2025, genummerd 250701-566-426, pagina 10;
een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal betreffende het uitlezen van camerabeelden, genummerd PL0900-2025219006-20 en gesloten op 2 juli 2025, pagina 50 tot en met 52;
een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 3 juli 2025, genummerd PL0900-2025219006-23, inhoudende een bekennende verklaring van verdachte, pagina 94.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1
op 1 juli 2025 te Swifterbant, gemeente Dronten, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je dood" en "Jij moet dood en jij gaat ook dood";
feit 2
op 1 juli 2025 te Swifterbant, gemeente Dronten, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door zwaaiende bewegingen te maken met een mes en een mes op/tegen de keel van die [slachtoffer 1] te houden en/of te drukken en die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen: "Ik steek je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
feit 3
op 1 juli 2025 te Swifterbant, gemeente Dronten, opzettelijk en wederrechtelijk een personenvoertuig (Peugeot), die aan [benadeelde 1] toebehoorde, heeft beschadigd;
feit 5
op 1 juli 2025 te Swifterbant, gemeente Dronten, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Ford Fiesta), die aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft beschadigd.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
5. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1 en 2 telkens:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
feit 3 en 5 telkens:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
6. Straf en maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 98 dagen, met aftrek van het voorarrest;
De officier van justitie eist dat aan de verdachte wordt opgelegd:
- tbs met voorwaarden, te weten de in het reclasseringsadvies van 5 januari 2026 vermelde voorwaarden.
De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).
Standpunt van de verdediging
De advocaten voeren aan dat ervan uit moet worden gegaan dat de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar is, nu dit door de psychiater ter terechtzitting is aangegeven. De advocaten stellen zich primair op het standpunt dat moet worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest van de verdachte met daarnaast een groot voorwaardelijk strafdeel, de oplegging van bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaren.
Subsidiair verzoeken de advocaten een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen, maar met een aantal uitzonderingen op de geadviseerde voorwaarden. Specifiek moet het locatieverbod voor Swifterbant worden ingeperkt en moet de voorwaarde die ziet op de huisvesting van de verdachte worden geschrapt.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft een voormalige buurvrouw en een buurmeisje met de dood bedreigd. De verdachte heeft telkens zelf de confrontatie met de slachtoffers opgezocht en zichzelf in een hevige staat van woede gebracht. Zij heeft tweemaal midden op straat doodsbedreigingen geuit en ten overstaande van het buurmeisje zelfs een mes tevoorschijn gehaald, hiermee gezwaaid en het tegen haar keel gehouden. Daarna heeft de verdachte ook de auto van het buurmeisje bekrast en er bleekmiddel overheen gegooid, en de auto van de moeder van haar buurmeisje beschadigd onder andere door meerdere keren met een mes in de motorkap te steken en een band lek te steken. De verdachte heeft de slachtoffers hierdoor angst aangejaagd en aangetoond geen respect te hebben voor hun eigendommen. Het is evident dat het handelen van de verdachte een grote impact heeft gehad op de slachtoffers, en daarnaast doet het afbreuk aan de algemene gevoelens van veiligheid in onze samenleving. De rechtbank neemt dit de verdachte kwalijk.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:
- een uittreksel justitiële documentatie betreffende de verdachte van 6 oktober 2025 (hierna: het strafblad);
- een dubbel Pro Justitia rapport, waarvan het rapport betreffende het psychiatrisch onderzoek op 24 november 2025 is uitgebracht en het rapport betreffende het psychologisch onderzoek op 13 november 2025;
- een advies van Reclassering Nederland van 5 januari 2026.
Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat zij in 2025 al is veroordeeld voor onder meer een bedreiging en vernieling. Deze veroordeling heeft de verdachte er niet van weerhouden om de onderhavige feiten te plegen. De rechtbank zal het strafblad van de verdachte daarom in strafverzwarende zin meewegen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het dubbel Pro Justitia rapport. Hieruit is gebleken dat er bij de verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale trekken, met een onderliggende oorzaak die gelegen is in een traumatisch verleden dat terugkerend kan leiden tot symptomen van een post-traumatische stressstoornis en paranoïde vertekeningen van de realiteit. De psychiater en de psycholoog classificeren de verdachte met een psychotrauma of stressor gerelateerde stoornis en zwakbegaafdheid. Hierdoor kan zij antisociaal reageren en dat maakt dat er een hoog risico op recidive bestaat. Deze stoornissen zijn chronisch aanwezig bij de verdachte en bestonden ook ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. De psychiater en de psycholoog concluderen daarom beiden dat de bewezenverklaarde feiten verminderd aan de verdachte dienen te worden toegerekend en adviseren om te starten met een klinische behandeling, die ego-versterkend is, gericht is op de persoonlijkheidsstoornis, de emotieregulatie en de impulscontrole. Na de klinische behandeling dient zij intensieve begeleiding te krijgen bij het omgaan met dagelijkse stressfactoren, wat vormgegeven kan worden door ForFACT.
Een klinische behandeling binnen het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel is overwogen, maar bij het overtreden van de voorwaarden bestaat het risico dat de verdachte gedetineerd raakt en haar behandeling daardoor wordt beëindigd. De psychiater adviseert daarom de behandeling en begeleiding vorm te geven middels een tbs-maatregel, zodat er meer zekerheid is dat de verdachte consistent behandeld wordt. De verdachte heeft ingestemd met een behandeling in dit kader en zich bereid verklaard om zich aan de voorwaarden te houden.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies. De reclassering heeft aangegeven dat de tbs-maatregel de voorkeur verdient boven een voorwaardelijke veroordeling met bijzondere voorwaarden, omdat de benodigde behandeling hierdoor beter geborgd wordt. De verdachte is gemotiveerd om aan zichzelf te werken. De kans op recidive wordt als hoog ingeschat. De reclassering adviseert daarom om aan de verdachte een tbs-maatregel op te leggen met de volgende voorwaarden:
1) geen strafbaar feit plegen;
2) meewerken aan reclasseringstoezicht;
3) meewerken aan time-out;
4) niet naar het buitenland;
5) opname in een zorginstelling;
6) ambulante behandeling;
7) contactverbod met de slachtoffers van de onderhavige strafzaak, maar ook de slachtoffers van de strafzaak met parketnummer 16/236744-24, namelijk [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] , [politiebeambte] en [slachtoffer 5] ;
8) locatieverbod (zonder elektronisch toezicht);
9) inzicht geven in financiën;
10) meewerken aan middelencontrole/middelenverbod;
11) dagbesteding;
12) sociaal netwerk;
13) huisvesting.
De reclassering adviseert de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs-maatregel met voorwaarden.
Op de zitting zijn de psychiater en de reclasseringswerkers als getuigen-deskundigen gehoord. De reclassering heeft ter terechtzitting aangegeven dat de voorgestelde behandeling kan plaatsvinden vanuit de locatie waar de verdachte op dit moment verblijft ( [verblijfplaats] ). Zij heeft geadviseerd om het locatieverbod op dit moment (nog) niet in te perken, omdat het risico op confrontatie met de slachtoffers te groot is. Verder heeft zij aangegeven dat de reclassering het haalbaar acht voor de verdachte om de al voorwaardelijk opgelegde taakstraf uit te voeren, als de rechtbank de tenuitvoerlegging beveelt.
De psychiater heeft ter terechtzitting zijn conclusie van verminderde toerekeningsvatbaarheid nader toegelicht, in die zin dat de bewezenverklaarde feiten eerder ‘sterk verminderd’ dan ‘enigszins verminderd’ aan verdachte dienen te worden toegerekend.
De verdachte heeft zich ter terechtzitting opnieuw bereid verklaard om zich aan de voorwaarden te houden, maar heeft aangegeven zich wel in Swifterbant te willen begeven vanwege de school en huisartsenpraktijk van haar dochter die daar gelegen zijn en vanwege de toegang tot een manege.
De rechtbank volgt de conclusies van de deskundigen ten aanzien van de stoornis, het recidiverisico en ook ten aanzien van de toerekenbaarheid en neemt deze conclusies over. Dat betekent dat de onder 1, 2, 3 en 5 bewezenverklaarde feiten in (sterk) verminderde mate aan de verdachte worden toegerekend.
De op te leggen straf
Oplegging tbs-maatregel met voorwaarden
Voor de oplegging van een tbs-maatregel dient er volgens de wet te zijn voldaan aan de volgende vereisten:
Het gaat om een misdrijf waarop minimaal 4 jaar gevangenisstraf staat, of een misdrijf dat is genoemd in 3 lid 1 onder 2˚ Sr;
Bij de verdachte was ten tijde van het delict sprake van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens;
De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van de maatregel.
Naar het oordeel van de rechtbank is aan alle bovengenoemde vereisten voldaan. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Voor bedreigingen geldt dat dit misdrijven zijn die vermeld zijn in artikel 37a lid 1 onder 2˚ Sr, waarvoor oplegging van de tbs-maatregel mogelijk is. Verder heeft de rechtbank de conclusie van zowel de psycholoog als de psychiater overgenomen dat er bij de verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Ten aanzien van de vraag of de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel vereist, overweegt de rechtbank dat de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte in combinatie met haar gevoeligheid voor stress, tekortschietende emotieregulatie en zwakbegaafdheid ertoe kunnen leiden dat zij antisociaal en psychotisch gedrag vertoont. Als deze kwetsbaarheden van de verdachte onbehandeld blijven, valt niet uit te sluiten dat zij opnieuw een vergelijkbare uitbarsting krijgt waarbij zij niet schroomt om geweld te gebruiken. De rechtbank is net als de eerdergenoemde deskundigen daarom van oordeel dat het recidiverisico hoog is. Uit haar strafblad blijkt bovendien dat de verdachte begin 2025 ook al is veroordeeld voor onder meer bedreiging en vernieling en dus voor soortgelijke strafbare feiten als waar de rechtbank haar nu voor veroordeelt. De rechtbank acht de problematiek van de verdachte en het recidiverisico zodanig dat het vanuit het oogpunt van bescherming van de maatschappij onverantwoord is om haar onbehandeld terug te laten keren in de maatschappij. De rechtbank is daarom van oordeel dat de veiligheid van anderen eist dat aan de verdachte de tbs-maatregel wordt opgelegd.
De rechtbank overweegt dat de verdachte op zitting zelfreflectie heeft laten zien en heeft verklaard bereid te zijn om aan zichzelf te werken, ongeacht de duur van de behandeling. De verdachte heeft zich bereid verklaard om zich aan de voorwaarden te houden die door de reclassering zijn geadviseerd, maar ziet graag een inperking van het locatieverbod. Gelet op de instelling van de verdachte acht de rechtbank het passend om verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen. De rechtbank zal de door de reclassering geadviseerde voorwaarden als volgt aanpassen.
De rechtbank zal het contactverbod opleggen ten aanzien van de slachtoffers van de onderhavige strafzaak, te weten [slachtoffer 1] , [benadeelde 1] en [slachtoffer 2] . De rechtbank acht het niet nodig om dit contactverbod ook op te leggen ten aanzien van de overige in het reclasseringsadvies genoemde slachtoffers, nu het contactverbod met de laatstgenoemden al aan de verdachte is opgelegd bij een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, waarover de rechtbank hierna onder paragraaf 9.2 zal beslissen.
De rechtbank oordeelt het van belang dat er een locatieverbod aan de verdachte wordt opgelegd voor Swifterbant, nu op deze wijze een confrontatie met de huidige slachtoffers kan worden voorkomen. De advocaten hebben aangegeven dat de verdachte naar haar paarden op een in [plaats] gelegen boerderij wil gaan. De rechtbank ziet hiervoor geen bezwaren en zal daarom het volgende locatieverbod opleggen: de verdachte zal zich niet bevinden in het gebied dat in Swifterbant is gelegen binnen de Swifteringweg, de Dronterringweg, de Biddingweg, de Zwanenbloem, de Hertenkamplaan en de Randweg. Dat betekent dat het haar wel is toegestaan om op de genoemde straten te rijden.
Ten aanzien van de voorwaarde die ziet op de huisvesting van de verdachte stelt de rechtbank vast dat de verdachte de huur van haar woning in [plaats] al heeft opgezegd en het woningaanbod in [plaats] van woningcorporatie Oost-Flevoland Woondiensten (OFW) heeft geaccepteerd. De rechtbank zal deze voorwaarde daarom aanpassen, in die zin dat de verdachte niet zonder toestemming van de reclassering deze nieuwe woning in [plaats] zal opzeggen.
De rechtbank zal de voorwaarde die ziet op een gestructureerde dagbesteding, waaronder de publicatie van een boek, niet aan de verdachte opleggen. De reclassering kan de verdachte immers ook instructies geven die zien op de invulling van haar dag, op grond van de aanwijzingen die zij aan de verdachte kunnen geven in het kader van de ambulante behandeling.
Tot slot zal de rechtbank de overige voorwaarden aan de verdachte opleggen, die zijn opgenomen in het reclasseringsadvies. Verdachte heeft verklaard zich aan deze voorwaarden te houden. Deze zijn volledig uitgeschreven in het dictum van dit vonnis.
Ongemaximeerde TBS
Alles overwegende zal de rechtbank de verdachte veroordelen tot een tbs-maatregel met voorwaarden. De rechtbank kan later, op vordering van het Openbaar Ministerie, bevelen dat de verdachte alsnog van overheidswege zal worden verpleegd als de voorwaarden van de tbs-maatregel niet worden nageleefd. Onder andere zijn bewezenverklaard feiten die gericht zijn tegen dan wel gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als bedoeld in artikel 38 lid 1 Sr, zodat een termijn van een eventuele tbs-maatregel met dwangverpleging dan niet is beperkt tot vier jaren. Hierbij overweegt de rechtbank dat de verdachte onder meer een slachtoffer een mes op de keel heeft gezet.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Gelet op het hoge risico op recidive en omdat de rechtbank het van belang acht dat de behandeling van de verdachte direct aansluitend aan haar detentie zal starten, zal de rechtbank de tbs-maatregel met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren.
Oplegging gevangenisstraf
De rechtbank is van oordeel dat niet met de oplegging van een maatregel kan worden volstaan. Gelet op de aard en de ernst van de feiten en in het kader van normbevestiging en vergelding oordeelt de rechtbank dat daarnaast een gevangenisstraf passend en geboden is. De rechtbank zal de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van haar voorarrest, zodat zij niet opnieuw in detentie terechtkomt en zo snel mogelijk de noodzakelijke behandeling krijgt. De rechtbank legt verdachte daarom een gevangenisstraf op van vijfentachtig dagen, met aftrek van het voorarrest.
Wijziging schorsingsvoorwaarden voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft bij beslissing van 18 september 2025 de voorlopige hechtenis geschorst onder verschillende voorwaarden. Om ervoor te zorgen dat op een effectieve manier toezicht gehouden kan worden op de tbs met voorwaarden en een vangnet wordt gecreëerd zolang dit vonnis nog niet onherroepelijk is, zal de rechtbank de schorsingsvoorwaarden in overeenstemming brengen met de in het kader van de tbs opgelegde voorwaarden, zoals in het dictum vermeld.
7. In beslag genomen voorwerpen
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het inbeslaggenomen mes dient te worden verbeurdverklaard.
Standpunt van de verdediging
De advocaten hebben geen standpunt naar voren gebracht met betrekking tot het inbeslaggenomen mes.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp, te weten 1 STK mes, verbeurdverklaren.
Met behulp van dit voorwerp zijn de onder 2, 3 en 5 bewezenverklaarde feiten begaan.
8. Vorderingen benadeelde partijen
Vorderingen van de benadeelde partijen
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert dat de verdachte wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 2.573,00 voor de feiten 2 en 5, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag wordt gevorderd ter vergoeding van materiële schade ter hoogte van € 1.573,00 en immateriële schade (smartengeld) ter hoogte van € 1.000,00.
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Benadeelde partij [benadeelde 1]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert dat de verdachte wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.312,85 voor feit 3, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag wordt gevorderd ter vergoeding van materiële schade.
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Benadeelde partij [politiebeambte]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert dat de verdachte wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000,00 voor feit 7, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag wordt gevorderd ter vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen van alle drie de benadeelde partijen geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De advocaten hebben zich ten aanzien van de vorderingen van benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [benadeelde 1] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De advocaten hebben verzocht om benadeelde partij [politiebeambte] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, primair gelet op de bepleite vrijspraak van feit 7, subsidiair wegens onvoldoende causaal verband met het ten laste gelegde feit. Meer subsidiair hebben de advocaten verzocht om de vordering van benadeelde partij [politiebeambte] te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Vorderingen van benadeelde partij [slachtoffer 1]
De rechtbank oordeelt dat de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] tot vergoeding van materiële schade voldoende onderbouwd is. Deze vordering is door of namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 5 bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
De benadeelde partij heeft ook om vergoeding van immateriële schade gevorderd. Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] daarom ook geheel toe.
Proceskosten van [slachtoffer 1]
De rechtbank zal de verdachte ook veroordelen in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel t.a.v. [slachtoffer 1]
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 2.573,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Bepaalt dat bij niet betaling geen gijzeling zal worden toegepast.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
Vordering van benadeelde partij [benadeelde 1]
De rechtbank acht de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] ook voldoende onderbouwd. Deze vordering is evenmin door of namens de verdachte betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 3 bewezenverklaarde feit. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Proceskosten van [benadeelde 1]
De rechtbank zal de verdachte ook veroordelen in de kosten die door de benadeelde partij zijn gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel t.a.v. [benadeelde 1]
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.312,85, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 juli 2025 tot de dag van volledige betaling. Bepaalt dat bij niet betaling geen gijzeling zal worden toegepast.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
Vordering van benadeelde partij [politiebeambte]
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het aan haar onder 7 ten laste gelegde feit. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.
9. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf
De rechtbank in Lelystad heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16/236744-24 op 14 maart 2025 onder andere een taakstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van twee jaren.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst, zodat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat zij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.
Standpunt van de verdediging
De advocaten verzoeken de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de eerder vastgestelde proeftijd met één jaar verlengen, nu zij van oordeel is dat de verdachte zich volledig dient te focussen op haar behandeling en een tenuitvoerlegging haar nu mogelijk zou overbelasten.
10. Toegepaste wetsartikelen
De beslissing is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- 33, 33a, 36f, 38, 38a, 57, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6:6:19 van het Wetboek van Strafvordering.
11. De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart het onder parketnummer 16/202824-25 onder 4 ten laste gelegde feit niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
- verklaart de onder 16/197765-25 ten laste gelegde feiten niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3 en 5 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5.1 is vermeld;
Strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
Straf en maatregel
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 85 (vijfentachtig) dagen;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden;
1) Geen strafbare feiten plegen
De verdachte zal zich niet schuldig maken aan een strafbaar feit;
2) Meewerken aan reclasseringstoezicht
De verdachte zal meewerken aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat verdachte:
zich zal melden op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
één of meer vingerafdrukken laat nemen en een geldig identiteitsbewijs laat zien, dat nodig is om de identiteit van de verdachte vast te stellen;
zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
de reclassering zal helpen aan een actuele foto waarop haar gezicht herkenbaar is, die nodig is voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
zal meewerken aan huisbezoeken;
de reclassering inzicht zal geven in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
zich niet zal vestigen op een ander adres zonder toestemming van de reclassering en de verdachte zal niet zonder toestemming van de reclassering haar nieuwe woning in [plaats] van woningcorporatie Oost Flevoland Woondiensten (OFW) weer opzeggen.;
zal meewerken aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht;
3) Meewerken aan time-out
Als de reclassering dat nodig vindt en de verdachte daarmee instemt, kan de verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
4) Niet naar het buitenland
De verdachte zal niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden gaan, zonder toestemming van de reclassering;
5) Opname in een zorginstelling
De verdachte zal zich laten opnemen in en laten behandelen door [instelling] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte zal zich houden aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren;
6) Ambulante behandeling
De verdachte zal zich laten behandelen door ForFact van de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na de klinische behandeling en duurt zolang de reclassering dat nodig acht. De verdachte zal zich daarbij houden aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig acht;
7) Contactverbod
De verdachte zal op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoeken of hebben met: [slachtoffer 1] , [benadeelde 1] en [slachtoffer 2] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig acht;
8) Locatieverbod
De verdachte zal zich niet bevinden in het gebied dat in Swifterbant is gelegen binnen de Swifteringweg, de Dronterringweg, de Biddingweg, de Zwanenbloem, de Hertenkamplaan en de Randweg, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig acht;
9) Financiën
De verdachte zal meewerken aan bewindvoering/budgetbeheer en het aflossen van haar schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte zal de reclassering inzicht geven in haar
financiën en schulden;
10) Meewerken aan middelencontrole/middelenverbod
De verdachte zal meewerken aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. Voor verdachte geldt een middelenverbod, in overleg met de reclassering kan de verdachte afspraken maken over het gebruik van alcohol. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;
11) Sociaal netwerk
De verdachte zal de reclassering inzicht geven in haar sociaal netwerk en geeft toestemming contact op te nemen met personen van belang voor haar resocialisatie;
- geeft opdracht aan de reclassering om de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;
- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;
Wijziging schorsingsvoorwaarden
- wijzigt de schorsingsvoorwaarden van de voorlopige hechtenis naar dezelfde voorwaarden als die zijn verbonden aan de tbs-maatregel, zoals hiervoor weergegeven, met behoud van de voorwaarde dat de verdachte zich niet zal onttrekken aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis, als de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen;
Beslag (t.a.v. feit 2, 3 en 5)
- verklaart het volgende voorwerp verbeurd:
1 STK mes (omschrijving: PL0900-2025219006-3552241);
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] t.a.v. feiten 2 en 5
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1] t.a.v. feit 3
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [politiebeambte] t.a.v. feit 7
Vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 16/236744-24
- verlengt de bij vonnis van 14 maart 2025 door de meervoudige kamer in de rechtbank te Lelystad aan de opgelegde voorwaardelijke taakstraf verbonden proeftijd met één jaar.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mr. V.A. Groeneveld en mr. R.W. Nederveen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.R.V. Joerawan als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
De oudste rechter is niet in staat om dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Onder parketnummer 16/202824-25
1.
zij op of omstreeks 1 juli 2025 te Swifterbant, gemeente Dronten [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je dood" en/of "Jij moet dood en jij gaat ook dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
2.
zij op of omstreeks 1 juli 2025 te Swifterbant, gemeente Dronten [slachtoffer 1] heeft bedreigd met
- openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en/of goederen, en/of
- enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of
- zware mishandeling,
door zwaaiende/stekende bewegingen te maken met een mes en/of een mes op/tegen de keel van die [slachtoffer 1] te houden en/of te drukken en/of die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen: "Ik steek je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.
zij op of omstreeks 1 juli 2025 te Swifterbant, gemeente Dronten opzettelijk en wederrechtelijk een personenvoertuig (Peugeot), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 1] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
4.
zij op of omstreeks 1 juli 2025 te Swifterbant, gemeente Dronten opzettelijk en wederrechtelijk een personenvoertuig (Mazda), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 2] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
5.
zij op of omstreeks 1 juli 2025 te Swifterbant, gemeente Dronten opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (Ford Fiesta), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 1] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Onder parketnummer 16/197765-25
1.
zij op of omstreeks 30 juni 2025 te Lelystad een auto (kenteken: [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
zij op of omstreeks 29 juni 2025 te Almere [politiebeambte] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [politiebeambte] , in gesprek met de crisisdienst en in aanwezigheid van andere politieambtenaren, dreigend de woorden toe te voegen: "Jullie collega [politiebeambte] die op [straat] woont moet helemaal oppassen, bij hem gaan er sowieso molotov's door zijn raam", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [politiebeambte] in diens hoedanigheid van politieambtenaar.