RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16-033255-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 3 juni 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2006] in [geboorteplaats] (Eritrea),
ingeschreven op het adres [adres] in [woonplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 8 mei 2026. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Het onderzoek is gesloten op 3 juni 2026.
Op de inhoudelijke behandeling waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1, primair:
op 31 januari 2025 in [woonplaats] samen met anderen een ontploffing teweeg heeft gebracht nabij de woning aan de [adres] , met gemeen gevaar voor goederen;
feit 1, subsidiair:
medeplichtigheid bij dat feit, door de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met een auto naar en vanaf de plaats van het misdrijf te vervoeren;
feit 2, primair:
op 31 januari 2025 in [woonplaats] samen met anderen een ontploffing teweeg heeft gebracht nabij de woning aan de [adres] , met gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel;
feit 2, subsidiair:
medeplichtigheid bij dat feit, door de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met een auto naar en vanaf de plaats van het misdrijf te vervoeren.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis.
3. Bewijs
Inleiding
Op 31 januari 2025 vindt rond 07:10 uur een ontploffing plaats bij een woning op de [adres] in [woonplaats] . De bewoners van nummer [huisnummer] en [huisnummer] schrikken op van een harde knal, zien een vlammenzee en blussen zelf de brand bij de voordeur.
Even later die ochtend, omstreeks 08:30 uur, vindt nog een ontploffing plaats bij een woning aan de [adres] in [woonplaats] . De bewoners zelf zijn op dat moment niet thuis, maar door getuigen wordt gezien dat twee mannen wegrennen en vervolgens wegrijden in een donkere auto met kenteken [kenteken] . De brand wordt door een getuige geblust.
Een half uur later houdt de politie de auto met kenteken [kenteken] staande. In de auto zitten [medeverdachte 1] (de verdachte), [verdachte] (medeverdachte) en [medeverdachte 2] (medeverdachte).
De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben tegenover de politie bekend dat zij betrokken waren bij de ontploffingen: [medeverdachte 1] heeft beide ontploffingen gefilmd terwijl [medeverdachte 2] de vuurwerkbommen bij de woningen aanstak. Over de verdachte hebben zij verklaard dat hij in de tussentijd in de auto is gebleven. De verdachte ontkent dat hij wist van de ontploffingen en de plannen daarover.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert een vrijspraak voor het medeplegen (feit 1 primair en feit 2 primair). De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat wel kan worden bewezen dat de verdachte medeplichtig is geweest aan beide ontploffingen (feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair).
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte volledig vrij te spreken, omdat de verdachte niet wist dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ontploffingen aan het plegen waren.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.4.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen feiten 1 subsidiair en 2 subsidiair
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 subsidiair en 2 subsidiair zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage 2 van dit vonnis staan.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewijsoverwegingen
Vaststelling van de feiten
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte samen met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de nacht van 31 januari 2025 vanuit [woonplaats] naar Rotterdam is gereden. Daar hebben zij een tas met daarin vuurwerk en brandstof opgehaald. Vervolgens zijn zij naar een locatie nabij de woningen in Kortenhoef en Baarn gereden, waar de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uit de auto zijn gestapt. Vervolgens heeft [medeverdachte 2] bij beide locaties de vuurwerkbommen aangestoken en heeft [medeverdachte 1] de ontploffing gefilmd. Toen de jongens terug bij de auto kwamen en zijn ingestapt, zat de verdachte achter het stuur en is hij weggereden.
De rechtbank zal hierna uitleggen waarom het handelen van de verdachte moet worden gekwalificeerd als medeplichtig (feiten 1 subsidiair en 2 subsidiair). Daarna zal de rechtbank ingaan op de vraag of sprake was van levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel bij de ontploffing in Baarn (feit 2).
De verdachte is medeplichtig (feiten 1 subsidiair en 2 subsidiair)
Voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige, maar ook dat zijn opzet was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict), althans een misdrijf dat daarmee voldoende verband houdt.
De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de verdachte in de tas heeft gekeken waar de vuurwerkbommen in zaten en dat de verdachte daarvan schrok. De verdachte heeft gedurende vrijwel de hele nacht samen met de medeverdachten in de auto gezeten terwijl zij in nauw contact stonden met de opdrachtgever. Ook heeft de verdachte twee keer in de auto gewacht totdat de medeverdachten terugkwamen van het afsteken van de vuurwerkbommen. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het volstrekt ongeloofwaardig dat de verdachte niet wist van het plan en de uitvoering daarvan. De rechtbank schuift deze verklaring van de verdachte dan ook terzijde.
De verdachte heeft op enig moment voorafgaand aan de ontploffingen de wetenschap gekregen over het plan en ook meegewerkt aan het plan. De verdachte was immers de chauffeur van de auto waarmee hij samen met de medeverdachten van en naar de locaties reed waar de ontploffingen hebben plaatsgevonden. Daarmee staat vast dat hij opzet heeft gehad op het misdrijf dat zijn medeverdachten hebben gepleegd. Hij heeft hen opzettelijk geholpen door ze op te wachten zodat ze konden vluchten na de ontploffingen. Aan het juridische vereiste van dubbel opzet voor het medeplegen, dan wel de medeplichtigheid, is daarmee voldaan.
Vervolgens is het de vraag of het vervoeren van de medeverdachten en het verschaffen van de vlucht moet worden aangemerkt als medeplegen of als medeplichtigheid.
Voor medeplegen is nodig dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De rol van de verdachte is van onvoldoende gewicht om te komen tot medeplegen. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de verdachte enige intellectuele bijdrage heeft geleverd aan het delict. Het lijkt erop dat de verdachte pas in de auto op de hoogte is geraakt van het plan om de ontploffingen te plegen en dat zijn rol verder beperkt is gebleven tot het chaufferen en verschaffen van de vlucht. Verder zijn er ook geen aanwijzingen dat de verdachte zelf in contact stond met de opdrachtgever. De rechtbank komt dus tot de conclusie dat de verdachte dient te worden aangemerkt als medeplichtige en dat de feiten 1 primair en 2 primair (het medeplegen van beide ontploffingen) dus niet zijn bewezen. De rechtbank spreekt de verdachte daarvan vrij.
Op basis van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte medeplichtig is geweest aan de ontploffingen (feiten 1 en 2 subsidiair).
Levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel (feit 2)
De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of bij de ontploffing bij de woning aan de [straat] in [woonplaats] levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel in het leven is geroepen.
De explosie is veroorzaakt door het aansteken van een Cobra 6 waaraan een petfles met vloeibare brandstof is bevestigd. Dit heeft geleid tot een steekvlam, waardoor achter de voordeur brand is ontstaan. Uit het dossier blijkt dat de houten betimmering in de hal vlak achter de deur vlam had kunnen vatten. Dit terwijl de bewoners van het huis waarvoor de explosie heeft plaatsgevonden (huisnummers [huisnummer] en [huisnummer] ) op dat moment thuis waren. Aangever [aangever] heeft bovendien verklaard dat hij lag te slapen in zijn slaapkamer boven de voordeur. Als de brand niet direct was geblust door de bewoners, had dus een levensgevaarlijke woningbrand kunnen ontstaan.
Dat sprake was van levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, was voor de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ook te voorzien. Gelet op het tijdstip van de ontploffing, omstreeks 07:00 uur, was naar algemene ervaringsregels te verwachten dat de bewoners thuis waren en zelfs nog lagen te slapen. Het explosief is bovendien neergelegd bij de voordeur waardoor de vluchtroute belemmerd had kunnen zijn.
De rechtbank komt tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen is dat bij de brand levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1, subsidiair:
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 31 januari 2025 te [woonplaats] , gemeente Wijdemeren, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg hebben gebracht door zwaar vuurwerk en een brandbare vloeistof tot ontploffing te brengen nabij de woning aan de [adres] te [woonplaats] terwijl daarvan gemeen gevaar voor de voornoemde woning en de in die woning aanwezige goederen en de naastgelegen woningen te duchten was,
bij welk misdrijf hij, verdachte, op 31 januari 2025 te gemeente Wijdemeren, opzettelijk behulpzaam is geweest door die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met een auto naar en vanaf de plaats van het misdrijf te vervoeren;
feit 2, subsidiair:
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 31 januari 2025 te [woonplaats] , gemeente Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een ontploffing teweeg hebben gebracht door zwaar vuurwerk en een brandbare vloeistof, tot ontploffing te brengen nabij de woning aan de [adres] te [woonplaats] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor de voornoemde woning ( [adres] te [woonplaats] ) en de in die woning aanwezige goederen en de naastgelegen woningen te duchten was en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van die woning en anderen te duchten was,
bij welk misdrijf hij, verdachte, op 31 januari 2025 te gemeente Utrecht, opzettelijk behulpzaam is geweest heeft verschaft door die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met een auto naar en vanaf de plaats van het misdrijf te vervoeren.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1, subsidiair: medeplichtigheid aan opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
feit 2, subsidiair: medeplichtigheid aan opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert de toepassing van het jeugdstrafrecht en eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
een jeugddetentie van 196 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 150 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar; en
een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 100 uur, te vervangen door 50 dagen vervangende jeugddetentie als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.
Standpunt van de verdediging
Indien de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komt, vraagt de advocaat om de verdachte niet terug te sturen naar de (jeugd)gevangenis. De advocaat vraagt daarnaast niet ook nog een werkstraf aan de verdachte op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte op:
een jeugddetentie van 196 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 150 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar; en
een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 150 uur, te vervangen door 75 dagen vervangende jeugddetentie als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.
Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte is in de vroege ochtend van 31 januari 2024 behulpzaam geweest bij twee ontploffingen van een vuurwerkbom bij twee verschillende woningen. Bij een van de woningen is ook levensgevaar is ontstaan. De verdachte is met een vriend in de nachtelijke uren op aanwijzingen van een opdrachtgever gaan rijden en heeft een voor hem onbekende jongen in [woonplaats] opgehaald. Samen zijn ze naar Rotterdam gereden, waar ze de vuurwerkbommen in handen kregen. Vervolgens zijn ze op aanwijzingen van de opdrachtgever richting de twee woningen in Baarn en Kortenhoef gereden, waar beide vuurwerkbommen door de medeverdachten bij de voordeur tot ontploffing zijn gebracht. De verdachte heeft de medeverdachten telkens in de auto opgewacht en heeft hen vervolgens de vlucht verschaft. Het is niet duidelijk geworden waarom deze woningen doelwit waren. Bij een van de woningen lijkt sprake te zijn geweest van een vergissing.
Bij de eerste ontploffing in Baarn is een steekvlam ontstaan en is kort brand uitgebroken. De bewoners waren op dat moment thuis en zijn enorm geschrokken. Dankzij snel optreden van de bewoners, die de brand direct hebben geblust, is gelukkig erger voorkomen. De harde knal en impact van de eerste ontploffing hebben de verdachte en zijn mededaders er niet van weerhouden een tweede bom tot ontploffing te brengen.
De laatste jaren is er een grote toename van aanslagen op woningen te zien. De gevolgen hiervan zijn enorm: woningen raken zwaar beschadigd, hele straten worden afgezet, woningen worden gesloten of onbewoonbaar verklaard en de hele buurt voelt zich lange tijd nog onveilig thuis. In sommige gevallen vallen er zelfs dodelijke slachtoffers of raken mensen ernstig gewond.
Het werd de verdachte in de auto pas duidelijk wat het plan was en wat er van hem werd verwacht. De verdachte heeft verder weinig inzicht gegeven in zijn beweegredenen en gedachten op dat moment. De verdachte heeft op dat moment de verkeerde keuze gemaakt om bij te dragen aan het plan, in plaats van afstand te nemen.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De verdachte is niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit. Hij heeft voor deze zaak 46 dagen in voorarrest doorgebracht. Daarna is de voorlopige hechtenis geschorst onder strenge voorwaarden, waaronder een enkelband en een avondklok. De verdachte heeft de enkelband ruim negen maanden gedragen, zonder overtreding van de voorwaarden.
Volgens de reclassering is de verdachte makkelijk beïnvloedbaar en laat hij weinig emoties zien. Uit wantrouwen trekt hij zich terug uit sociale contacten.
Uit de toepassing van het risicotaxatie-instrument OXREC komt een laag recidiverisico. Het professionele oordeel van de reclassering is dat het risico op recidive niet kan worden ingeschat, omdat de verdachte de feiten ontkent. Toch vindt de reclassering bijzondere voorwaarden of een voortzetting van het reclasseringstoezicht niet nodig. De reclassering schat in dat de verdachte zich meer kan ontwikkelen wanneer hij naar school blijft gaan en gaat leren van opgedane ervaringen. De reclassering heeft een behandeling overwogen, maar vindt dat toch niet passend vanwege de leeftijd van de verdachte, zijn culturele achtergrond en het feit dat hij verder wel stabiliteit toont op alle leefgebieden. De reclassering kan niet inschatten wat de pedagogische waarde is van (ofwel: gaat hij leren van) een op te leggen straf. De reclassering adviseert de verdachte niet terug te sturen naar de (jeugd)gevangenis en daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie en een werkstraf op te leggen.
Jeugdstrafrecht
De verdachte was (net) 18 jaar ten tijde van het plegen van de feiten. Dat maakt dat in beginsel het volwassenstrafrecht op hem van toepassing is, tenzij de rechtbank in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan aanleiding ziet om het jeugdstrafrecht toe te passen.
De reclassering adviseert de toepassing van het jeugdstrafrecht, onder meer omdat de verdachte op school niet laat zien in staat te zijn zelfstandig te functioneren. Hij heeft sturing van buitenaf nodig om geconcentreerd te blijven en laat zien dat hij de gevolgen van zijn gedrag niet altijd kan overzien. Zijn mentor is van mening dat de verdachte nog een lange weg te gaan heeft richting volwassenheid en noemt hem beïnvloedbaar.
De rechtbank neemt het advies van de reclassering over. Mede gelet op de jeugdige indruk die de verdachte op de zitting heeft gemaakt is de rechtbank van oordeel dat het jeugdstrafrecht het meest passend is.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor jeugd voor brandstichting is in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie.
De rechtbank is het met de officier van justitie, de advocaat en de reclassering eens dat het niet wenselijk is om de verdachte terug te sturen naar de jeugdgevangenis. Het is vooral van belang dat de verdachte school blijft volgen om een positieve basis te leggen voor zijn toekomst. Daarnaast heeft de verdachte een beperkte rol gehad bij de strafbare feiten. De verdachte heeft bovendien ook al lange tijd beperkingen in zijn bewegingsvrijheid gehad vanwege de enkelband en avondklok.
De rechtbank zal daarom conform de eis van de officier van justitie een deels voorwaardelijke jeugddetentie opleggen van 196 dagen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest. Mocht de verdachte gedurende de proeftijd van twee jaar toch opnieuw een strafbaar feit plegen, dan kan alsnog het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie ten uitvoer worden gelegd. De rechtbank legt daarbij geen bijzondere voorwaarden op. Dit is niet geadviseerd en de verdachte vindt dat zelf ook niet nodig.
Gelet op de ernst van de feiten, vindt de rechtbank dat daarnaast nog vergelding op zijn plaats is. De rechtbank zal daarom ook een taakstraf in de vorm van een werkstraf opleggen van 150 uur. Dit is hoger dan de door de officier van justitie geëiste straf. De rechtbank acht een hogere werkstraf passend vanwege de ernst van de feiten.
De voorlopige hechtenis
De voorlopige hechtenis van de verdachte is geschorst. Het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal daarom het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
6. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straffen zijn gebaseerd op de artikelen 48, 49, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
7. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart de feiten 1 primair en 2 primair niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezenverklaarde;
straffen
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 150 uren;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E.S. Dolmans, voorzitter en kinderrechter, mr. O. Böhmer, kinderrechter, en mr. C. Van Wambeke, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.C. van Grinsven als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
Bijlage 1: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1hij, op of omstreeks 31 januari 2025, te [woonplaats] , gemeente Wijdemeren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een of meer stuk(s) (zwaar) vuurwerk en/of een brandbare vloeistof, althans een of meer explosieven en/of een brandbare vloeistof tot ontploffing te brengen nabij de woning aan de [adres] te [woonplaats] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor de voornoemde woning en de in die woning aanwezige goederen en/of de naastgelegen woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 31 januari 2025 te [woonplaats] , gemeente Wijdemeren, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht door een of meer stuk(s) (zwaar) vuurwerk en/of een brandbare vloeistof, althans een of meer explosieven en/of een brandbare vloeistof, tot ontploffing te brengen nabij de woning aan de [adres] te [woonplaats] terwijl daarvan gemeen gevaar voor de voornoemde woning en de in die woning aanwezige goederen en/of de naastgelegen woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was,
bij welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 31 januari 2025 te gemeente Wijdemeren, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door:-die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] met een auto naar en/of vanaf de plaats van het misdrijf te vervoeren;
2hij, op of omstreeks 31 januari 2025, te [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een of meer stuk(s) (zwaar) vuurwerk en/of een brandbare vloeistof, althans een of meer explosieven en/of een brandbare vloeistof, tot ontploffing te brengen nabij de woning aan de [adres] te [woonplaats] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor de voornoemde woning ( [adres] ) en de in die woning aanwezige goederen en/of de naastgelegen woningen en/of nabij geparkeerde voertuigen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoner(s) van die woning, in elk geval levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 31 januari 2025 te [woonplaats] , gemeente Utrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht door een of meer stuk(s) (zwaar) vuurwerk en/of een brandbare vloeistof, althans een of meer explosieven en/of een brandbare vloeistof, tot ontploffing te brengen nabij de woning aan de [adres] te [woonplaats] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor de voornoemde woning ( [adres] te [woonplaats] ) en de in die woning aanwezige goederen en/of de naastgelegen woningen en/of nabij geparkeerde voertuigen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoner(s) van die woning, in elk geval levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was,
bij welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 31 januari 2025 te Utrecht, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door:-die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] met een auto naar en/of vanaf de plaats van het misdrijf te vervoeren.
Bijlage 2: Bewijsmiddelen
Ten aanzien van feit 1, subsidiair:
1. Het proces-verbaal van forensisch onderzoek aan de woning [adres] in [woonplaats] , opgemaakt op 10 februari 2025, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Op 31 januari 2025 ter plaatse in [woonplaats] vertelde collega [verbalisant] mij het volgende:
- Door buurtbewoners en getuigen is een harde knal gehoord.
- Ze zagen dat er binnen in de woning brand aan het ontwikkelen was.
Omschrijving onderzoekslocatie
De woning maakte onderdeel uit van een aaneengesloten bebouwing.
Bevindingen
Ik zag op het deurkozijn en op de bakstenen voorgevel een roetaanslag. Halverwege de plantenbak zag ik een plastic deel liggen. Ik zag dat het plastic deel was aangetast door brand en hitte. Het plastic deel was namelijk vervormd/gesmolten en zwart verkleurd. In de tuin trof ik meerdere gelijksoortige delen aan. Bij elkaar waren deze delen gelijkend op de restanten van een of meerdere plastic fles(sen). In de voortuin zag ik verspreid kartonnen snippers liggen. Op sommige delen zag ik letters en tekst staan. Op één van de delen zag ik de kop van een Cobra. Deze kenmerken zijn mij bekend als dat van het vuurwerkartikel Cobra 6. Alles gecombineerd is het mij duidelijk dat er gebruik is gemaakt van een Vuurwerk-Brandstof-Combinatie, verder V.B.C. genoemd.
Binnen in de woning zag ik dat de rechterzijde van de voordeur was aangetast door hitte en brand.
Gevaarzetting
Door gebruik te maken van een explosief in combinatie met een ontbrandbaar middel creëer je een ongecontroleerde brand. De brand heeft zich verder kunnen ontwikkelen, want de goederen op de vensterbank waren aangetast door het vuur en door dat de kapstok niet ver van de vensterbank af hing, was het mogelijk dat de jassen aan de kapstok waren gaan mee branden. Dit had tot gevolg kunnen hebben dat de brand zich verder in de woning kon ontwikkelen met alle gevolgen van dien.
Ten aanzien van feit 2, subsidiair:
2. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] , opgemaakt op 31 januari 2025, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Ik ben eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] . Mijn woning is een rijtjeswoning. Mijn voordeur zit naast de voordeur van [adres] . Ik lag op 31 januari 2025 omstreeks 07:05 uur in bed. Mijn slaapkamer zit boven de voordeur. Ik hoorde een harde knal. Ik keek direct uit het raam en zag een vlammenzee.
3. Het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict aan de woning [adres] in [woonplaats] , opgemaakt op 31 januari 2025, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Op vrijdag 31 januari 2025 ter plaatse in Baarn verkregen informatie
- Dat de woning een gescheiden boven- en benedenwoning betreft;
- Dat zowel de bewoner van de boven als de benedenwoning in de woning aanwezig waren tijdens de explosie.
Interpretatie van bevindingen
Tijdens het onderzoek werden er door mij resten aangetroffen van een Super Cobra 6, duct tape en een petfles welke naar een brandbare vloeistof rook. Daarnaast vertoont het plaats delict voor de voordeur als mede ook in de woning vlak achter de voordeur tekenen van een brand. Tot slot is er zelfs een stuk van de Cobra 6 aangetroffen waar nog een stuk duct tape op bevestigd zat. Al met al kon hierdoor worden gesteld dat er vermoedelijk gebruik gemaakt is van een zogeheten Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC).
Gevaarzetting
Gelet op het schadebeeld en de verklaringen is er kort na het afgaan van het explosief een steekvlam ontstaan waarbij de gehele deur tot aan de deurluifel is aangetast. Daarbij is er een brand ontstaan in de woning vlak achter de voordeur nabij de sluitnaad waarbij de vloermat is gesmolten.
De bewoners van de woning met huisnummer [huisnummer] , net als de directe buren van huisnummer [huisnummer] waren beide aanwezig in de woning. Als gevolg van het afgaan van de VBC had zich een woningbrand kunnen voltrekken, met alle gevolgen van dien, omdat er bewust gebruik gemaakt is van een ontbrandbare vloeistof, daarnaast was er genoeg brandstof aanwezig wat vlam had kunnen vatten zoals de houten voordeur met deurkozijn, als ook houten betimmering die in de hal vlak achter de deur aanwezig was.
Ten aanzien van feiten 1, subsidiair en 2, subsidiair:
4. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de zitting van 8 mei 2026, voor zover inhoudende:
[medeverdachte 1] en ik hebben eerst [medeverdachte 2] opgehaald. Toen gingen we richting Rotterdam en gaven twee jongens een tas door het raam. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] stapten in Baarn uit. Ik ben toen in de auto gebleven en ben achter het stuur gaan zitten. Toen ze terug naar de auto kwamen ben ik weggereden. Bij Kortenhoef ging het hetzelfde. Ze gingen de auto uit en kwamen even later weer terug naar de auto. Ik zat toen weer achter het stuur en ben weggereden.
5. Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 1] van 25 februari 2025, voor zover inhoudende:
Nadat [medeverdachte 2] de tas kreeg zei “ [bijnaam] ” dat ik [medeverdachte 2] naar twee locaties moest brengen omdat hij wat moest doen. Ik keek vervolgens in de tas die [medeverdachte 2] daarvoor van de twee jongens had gekregen. Toen zag ik cobra’s geplakt met benzine. Ik zag dat [verdachte] in de tas keek. Ik zag dat [verdachte] schrok. Dat zag ik aan zijn gezicht.
Ik heb de filmpjes van de explosies gemaakt. De persoon die op de filmpjes te zien is bij beide locaties is [medeverdachte 2] .