ECLI:NL:RBMNE:2026:306

ECLI:NL:RBMNE:2026:306

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 04-02-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer UTR 25/6573
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Sancties RDW, verzoek om voorlopige voorziening, verzoek afgewezen, verbale agressie tijdens APK herkeuring, RDW mocht uitgaan van verklaring steekproefcontroleur

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

mede namens [bedrijfsnaam] B.V., verzoekster, hierna te noemen: [bedrijfsnaam]

De directie van de RDW

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/6573

en

(gemachtigde: M. Arends).

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de intrekking APK erkenning van [bedrijfsnaam] B.V. en de intrekking keuringsbevoegdheid van keurmeester [verzoeker] . Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om de bestreden besluiten te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met de afzonderlijke bestreden besluiten van 9 juli 2025 heeft de RDW de sancties opgelegd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

De RDW heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, mede namens [bedrijfsnaam] en de gemachtigde van de RDW.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming van de besluiten

3. Op 3 juni 2025 heeft de RDW op locatie van [bedrijfsnaam] een steekproefherkeuring uitgevoerd. Tijdens deze keuring is, volgens de RDW, sprake geweest van verbale agressie en intimiderend gedrag richting de steekproefcontroleur van de RDW. Daarnaast is de steekproefcontroleur gefilmd. Wegens dit gedrag heeft de RDW op 9 juli 2025 de erkenning APK van [bedrijfsnaam] ingetrokken (bestreden besluit 1) en de keuringsbevoegdheid APK van verzoeker ingetrokken (bestreden besluit 2). Voor bestreden besluit 1 heeft de RDW zich gebaseerd op de Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK en het Algemeen deel Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW. Er is een sanctie opgelegd van intrekking van zes maanden van de erkenning APK van verzoekster. Voor bestreden besluit 2 heeft de RDW zich gebaseerd op de Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK en de Toezichtbeleidsbrief, Bijlage APK Keurmeester 2021. Aan verzoeker is een sanctie opgelegd van intrekking van zes maanden van zijn keuringsbevoegdheid. Beide sancties zijn opgelegd wegens verbale agressie en intimiderend gedrag richting de steekproefcontroleur van de RDW.

Spoedeisend belang

4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.

5. Verzoekers voeren in dit verband aan dat sprake is van een spoedeisend belang. Door de bestreden besluiten komt zowel [bedrijfsnaam] als (het gezin van) verzoeker in acute financiële nood en is voortzetting van het bedrijf vrijwel onmogelijk. [bedrijfsnaam] loopt nu veel inkomsten mis, zo’n 90% van haar inkomsten loopt zij mis doordat zij geen APK keuringen kan uitvoeren. Ook verzoeker kan geen APK’s uitvoeren. Verzoekers hebben financiële stukken overgelegd, waaruit volgens hen blijkt dat sprake is van een acute financiële noodsituatie. Verder heeft [bedrijfsnaam] toegelicht dat geen geld kan worden verdiend met de handel van auto’s, omdat er onvoldoende geld beschikbaar is om auto’s in te kopen.

6. De RDW stelt zich op het standpunt dat [bedrijfsnaam] nog omzet kan maken. Naast APK kan [bedrijfsnaam] ook inkomen genereren door verkoop van occasions, auto onderhoud en reparaties, dienstverlening in kader van export en kentekenloket. Uit het KVK-uittreksel blijkt ook dat [bedrijfsnaam] andere activiteiten heeft. Ook kunnen APK keuringen worden uitbesteed, waarna [bedrijfsnaam] de reparaties nog wel kan doen. Uit de financiële stukken die [bedrijfsnaam] meestuurt volgt niet dat sprake is van een financiële noodsituatie. Verder volgt ook dat [bedrijfsnaam] andere activiteiten heeft dan APK keuringen. Verder is niet aangetoond dat verzoeker geen salaris ontvang van verzoekster. Daarnaast komt op korte termijn de beslissing op bezwaar volgens de RDW.

7. Uit vaste rechtspraak volgt dat een financieel belang op zichzelf onvoldoende reden vormt om een voorlopige voorziening te treffen. Eventuele schade kan immers worden verhaald, indien achteraf blijkt dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Een financieel belang kan wel voldoende reden zijn voor het treffen van een voorlopige voorziening indien aannemelijk is dat verzoekers in een financiële noodsituatie zullen komen te verkeren.

8. Ter zitting is verduidelijkt dat verzoeker salaris ontvangt van [bedrijfsnaam] . Daarnaast blijkt uit de financiële gegevens die door [bedrijfsnaam] zijn overgelegd dat er een aantal bijschrijvingen zijn gedaan van ‘ [....] LDA’, de Portugese tak van [bedrijfsnaam] B.V.. Gelet daarop twijfelt de voorzieningenrechter aan het spoedeisend belang. Aan de andere kant ziet de voorzieningenrechter niet in hoe praktisch kan worden ingeregeld dat APK keuringen worden uitbesteed, waarna [bedrijfsnaam] en verzoeker de reparaties nog wel kunnen uitvoeren. Daarbij komt dat verzoeker ter zitting heeft aangegeven dat hij geen grote reparaties uitvoert en alleen reparaties uitvoert die voortkomen uit de APK-keuringen. De voorzieningenrechter ziet in alle omstandigheden bij elkaar aanleiding om verzoekers het voordeel van de twijfel te geven en voldoende spoedeisend belang aan te nemen.

Voorlopig rechtmatigheidsoordeel en belangenafweging

9. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is in beginsel alleen aanleiding als het bestreden besluit zo gebrekkig is dat dit in de heroverweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand kan blijven. De voorzieningenrechter zal daarom eerst een voorlopig oordeel geven over de kans van slagen van het bezwaarschrift en daarmee over de vraag of de sancties rechtmatig zijn. Daarna zal zij beoordelen of de belangen van verzoekers om de sancties te schorsen al dan niet zwaarder moeten wegen dan de belangen van de RDW om de sancties in stand te laten. Als de bezwaren geen redelijke kans van slagen hebben, is er weinig ruimte om alsnog een voorlopige voorziening te treffen en komt er meer gewicht toe aan het belang dat is gediend met de bestreden besluiten.

De sancties wegens verbale agressie en intimidatie

10. In bestreden besluit 1 verwijst de RDW naar artikel 31, vijfde lid en artikel 36 van de Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK en paragraaf 3.1.1. van het Algemeen deel Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW. Hieruit volgt, kort gezegd, dat het niet meewerken aan toezicht leidt tot een sanctie. Indien sprake is van onder andere verbale agressie of intimidatie, dan is dit een categorie IV overtreding en volgt een intrekking voor onbepaalde tijd van de erkenning en, indien van toepassing, een wachttijd van 30 maanden.

11. Verzoeker voert aan dat er geen sprake is geweest van verbale agressie en intimidatie. Ten aanzien van het filmen voert verzoeker aan dat hier een gerechtvaardigd belang voor was, namelijk de discriminerende uitlatingen van de steekproefcontroleur van de RDW. Verzoeker beroept zich in dit kader op zijn eigen verklaringen, vier getuigenverklaringen, de overgelegde video’s en zijn bij de RDW ingediende klacht.

12. In beginsel mag van de juistheid van een verklaring van een steekproefcontroleur worden uitgegaan en komt aan de inhoud van een dergelijke verklaring een sterke bewijskracht toe. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State (Afdeling).

13. In de verklaring van de steekproefcontroleur van de RDW staat dat hij 2 afkeurpunten (gordel en stuurhuishoes) constateerde. Toen hij het rapport wilde invullen met de afkeurpunten, kwam het verzoek van de keurmeester (te weten verzoeker) om dit te repareren zodat hij niet de strafpunten zou krijgen hiervoor. De steekproefcontroleur stond dit niet toe. Verder staat in de verklaring van de steekproefcontroleur dat de keurmeester eerst aandrong, maar daarna van mening veranderde en zei dat de steekproefcontroleur de stuurhuishoes kapot had gemaakt. Hierbij betrok de keurmeester de eigenaar van het voertuig en (vermoedelijk) een werknemer. De steekproefcontroleur kwam niet meer aan het woord en heeft één keer met luide stem geroepen dat hij wat wilde zeggen. Ook staat in de verklaring dat de steekproefcontroleur werd gefilmd, dat het filmen is doorgegaan toen de keurmeester tekende voor beroep en dat de steekproefcontroleur in de tijd dat hij moest wachten meerdere keren is uitgescholden voor ‘klootzak’ en ‘vuile racist’ door de keurmeester en zijn werknemer.

14. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter mocht de RDW uitgaan van de verklaring van de steekproefcontroleur. De RDW heeft dit in het bestreden besluit voldoende toegelicht. De video’s die verzoeker heeft overgelegd, passen in het verhaal van de steekproefcontroleur. Op de video’s is niet te zien dat de steekproefcontroleur zich discriminerend uitlaat tegenover verzoeker. Het moment van filmen lijkt ook anders te zijn in de klacht van verzoeker, vergeleken met het moment dat wordt genoemd tijdens de horing. Uit de klacht komt namelijk naar voren dat al werd gefilmd toen de steekproefcontroleur schreeuwde tegen verzoeker en een racistische opmerking maakte tegen verzoeker, terwijl verzoeker tijdens de horing juist heeft verklaard dat pas werd gefilmd nadat de steekproefcontroleur een racistische opmerking maakte. Daarnaast is het opvallend dat verzoekers slechts drie korte video’s heeft overgelegd, terwijl de steekproefcontroleur heeft verklaard dat hij gedurende langere tijd is gefilmd. Op deze korte video’s is het gedrag van verzoeker nauwelijks te zien. Ook heeft de RDW het opvallend mogen vinden dat verzoeker tegenover de RDW pas melding heeft gemaakt van discriminatoir gedrag door de steekproefcontroleur nádat de RDW contact met hem opnam voor een horing over de verbale agresssie tegenover de steekproefcontroleur. De voorzieningenrechter volgt de RDW in het standpunt dat het hierdoor lijkt alsof verzoeker de steekproefcontroleur in diskrediet wilde brengen. Onder deze omstandigheden wordt meer gewicht gehecht aan de steekproefcontroleur. Aan de door verzoeker als tegenbewijs ingebrachte getuigenverklaringen komt dan ook niet de betekenis toe die hij eraan gehecht wil zien.

15. De RDW heeft aan verzoekers een sanctie mogen opleggen met categorie IV. Ter zitting is toegelicht dat een zwaardere sanctie van 30 maanden aan de orde had kunnen zijn volgens het beleid, maar dat hiervan is afgezien omdat geen sprake is geweest van fysiek geweld. De voorzieningenrechter kan dit volgen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar geen redelijke kans van slagen.

Belangenafweging

16. De voorzieningenrechter weegt altijd nog zelf de belangen af. In dit geval ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de belangenafweging in het voordeel van verzoekers te laten uitvallen. Hierbij weegt zwaar in het nadeel van verzoekers mee dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Verder weegt de voorzieningenrechter hierbij mee dat twijfel bestaat over de financiële nood van verzoekers, zoals eerder is overwogen. Daarnaast heeft de RDW aangegeven dat een beslissing op bezwaar spoedig zal volgen. Een te treffen voorlopige voorziening zou dan ook van korte duur zijn. De belangen van verzoekers wegen daarom niet zwaarder dan die van de RDW.

Conclusie en gevolgen

17. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de sancties tegen verzoekers niet zullen worden opgeschort gedurende de bezwaarprocedure. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026.

De voorzieningenrechter is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. I

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?