ECLI:NL:RBMNE:2026:3069

ECLI:NL:RBMNE:2026:3069

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 03-06-2026
Datum publicatie 05-06-2026
Zaaknummer 12150795 \ MV EXPL 26-39 D/51246
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Almere

Samenvatting

Kort geding. Geen ontruiming van de zorgwoning, want zorgverlener mocht de zorgovereenkomst niet opzeggen. Beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Geen zwaarwegende reden en zorgverlener heeft niet zorgvuldig gehandeld.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Almere

Zaaknummer: 12150795 \ MV EXPL 26-39 D/51246

Vonnis in kort geding van 3 juni 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eisende partij] B.V.,

gevestigd in [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eisende partij] ,

gemachtigde: mr. C.A.M.H. Vink,

tegen

[gedaagde partij] ,

wonend in [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde partij] ,

gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 9 april 2026 met 26 producties;- de producties 1 tot en met 12 van [gedaagde partij] ;- de mondelinge behandeling van 20 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

Tijdens de mondelinge behandeling op 20 april 2026 was namens [eisende partij] de heer [A] aanwezig. Hij is algemeen directeur van [eisende partij] . Namens mr. Vink was mr. P.B.P. Hertroijs aanwezig. Ook [gedaagde partij] is naar de zitting gekomen. Hij werd bijgestaan door mr. Van Tellingen. [gedaagde partij] heeft mevrouw [B] meegenomen naar de zitting. Zij is cliëntbegeleider van de broer van [gedaagde partij] bij de organisatie [organisatie] . Tijdens de zitting hebben mr. Hertroijs en mr. Van Tellingen spreekaantekeningen voorgedragen. De voorzieningenrechter heeft die spreekaantekeningen aan het dossier toegevoegd.

De voorzieningenrechter heeft besloten dat hij schriftelijk uitspraak doet.

2. De kern van de zaak

[gedaagde partij] woont in de zorgwoning van [eisende partij] aan de [adres] in [woonplaats] . [eisende partij] eist dat [gedaagde partij] de woning ontruimt op straffe van een dwangsom. Zij zegt dat zij de zorgovereenkomst met [gedaagde partij] heeft opgezegd en dat [gedaagde partij] daarom zonder recht of titel in de woning woont. [eisende partij] eist ook dat [gedaagde partij] € 7.200,56 aan huurachterstand betaalt. De voorzieningenrechter wijst deze vorderingen af. [eisende partij] mocht de zorgovereenkomst niet opzeggen. Daarnaast heeft [gedaagde partij] misschien een vordering op [eisende partij] die hij met de huurachterstand mag verrekenen. [gedaagde partij] zegt namelijk dat hij [eisende partij] heeft betaald voor begeleiding die [eisende partij] niet heeft gegeven. Partijen kunnen in een bodemprocedure verder over de gefactureerde begeleiding discussiëren. Dat kan niet in dit kort geding.

3. De beoordeling

[eisende partij] heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen

In dit kort geding moet de voorzieningenrechter allereerst beoordelen of [eisende partij] een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Van een spoedeisend belang is sprake als een onmiddellijke voorziening nodig is en van [eisende partij] niet kan worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Bij de beoordeling moet de voorzieningenrechter de belangen van beide partijen afwegen.

De voorzieningenrechter vindt dat [eisende partij] een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde ontruiming. Het gaat in dit geval om een zorgwoning, waarvoor volgens [eisende partij] lange wachtlijsten bestaan. [eisende partij] wil de woning aan een andere zorgbehoevende verhuren. Zij heeft er dus belang bij om zo snel mogelijk duidelijkheid te krijgen over de beschikbaarheid van de woning. Daar staat tegenover dat [eisende partij] na de opzegging van de zorgovereenkomst maanden heeft gewacht met het uitbrengen van de dagvaarding. Dit lange tijdsverloop maakt het spoedeisend belang van [eisende partij] twijfelachtiger, maar de voorzieningenrechter vindt de wachtlijsten voor de zorgwoning voldoende om een spoedeisend belang aan te nemen.

De voorzieningenrechter zal in dit kort geding ook over de andere vorderingen van [eisende partij] (waaronder de huurachterstand) beslissen. Het is voor partijen om proceseconomische redenen beter om ook direct op die vorderingen een beslissing te krijgen. Daarnaast lijkt er geen restitutierisico te zijn: als de voorzieningenrechter de huurachterstand in dit kort geding toewijst en [eisende partij] krijgt in een bodemprocedure toch ongelijk, lijkt het erop dat [eisende partij] de huurachterstand aan [gedaagde partij] kan terugbetalen.

Wat toetst de voorzieningenrechter in dit kort geding?

De voorzieningenrechter moet in dit kort geding beoordelen of het in hoge mate waarschijnlijk is dat de bodemrechter de vorderingen van [eisende partij] in een bodemprocedure zal toewijzen. Het oordeel in kort geding is alleen een voorlopig oordeel. Bij de beoordeling van de vordering tot ontruiming moet de voorzieningenrechter terughoudend zijn, omdat een ontruiming een ingrijpend karakter en vaak onomkeerbare gevolgen heeft.

[gedaagde partij] hoeft de woning niet te ontruimen

[gedaagde partij] mag in de woning blijven wonen. [eisende partij] heeft de zorgovereenkomst opgezegd, maar dat was niet terecht. Het is daarom op voorhand niet aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat [gedaagde partij] de woning moet ontruimen. De voorzieningenrechter legt dit hierna uit.

De zorgovereenkomst tussen partijen is een ‘gewone’ overeenkomst van opdracht

[eisende partij] en [gedaagde partij] hebben vanaf 1 april 2025 een zorgovereenkomst gesloten. Partijen vinden dat de zorgovereenkomst een overeenkomst voor een geneeskundige behandeling is. De voorzieningenrechter ziet dit anders. In artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat wat een overeenkomst voor een geneeskundige behandeling is. In het kort moet het gaan om ‘handelingen op het gebied van de geneeskunst’. Daaronder vallen alle handelingen die worden verricht:

om een persoon van een ziekte te genezen;

om een persoon voor het ontstaan van een ziekte te behoeden;

om de gezondheidstoestand van een persoon te beoordelen;

om verloskundige bijstand aan een persoon te verlenen;

door een arts of tandarts (in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf);

om een persoon te verplegen en te verzorgen in het kader van de hiervoor genoemde handelingen;

om te voorzien in de materiële omstandigheden die nodig zijn om de hiervoor genoemde handelingen mogelijk te maken.

De zorg en begeleiding die [eisende partij] en [gedaagde partij] hebben afgesproken, zijn geen handelingen op het gebied van de geneeskunst. [gedaagde partij] is licht verstandelijk beperkt, heeft autisme en ADHD. [eisende partij] zou [gedaagde partij] begeleiden bij zijn gedragsregulering, bij het maken van sociale contacten en bij het vergroten van zijn zelfstandigheid. Daarnaast zou [eisende partij] [gedaagde partij] helpen bij zijn persoonlijke verzorging, bij het doen van gezonde boodschappen en bij het nemen van zijn medicatie. [gedaagde partij] zou hiervoor van [eisende partij] elke week meerdere dagdelen dagbesteding en meerdere uren thuisbegeleiding krijgen. Dat staat in de zorgovereenkomst. Van een overeenkomst voor een geneeskundige behandeling is dus geen sprake. De zorgovereenkomst tussen [eisende partij] en [gedaagde partij] is een ‘gewone’ overeenkomst van opdracht (artikel 7:400 BW). Dit is relevant, omdat voor de opzegging van een overeenkomst voor een geneeskundige behandeling andere vereisten gelden dan voor de opzegging van een gewone overeenkomst van opdracht.

Als [eisende partij] de zorgovereenkomst terecht heeft opgezegd, moet [gedaagde partij] de woning verlaten

[gedaagde partij] heeft vanaf 1 augustus 2025 ook een huurovereenkomst met [eisende partij] gesloten. Normaal gelden er bij een huurovereenkomst voor een woning wettelijke bepalingen die de huurder beschermen tegen beëindiging van de huurovereenkomst door de verhuurder en tegen een ontruiming. Die bepalingen gelden in dit geval niet; de wettelijke huurbescherming is hier niet van toepassing. Dat betekent dat [gedaagde partij] de woning moet verlaten als [eisende partij] de zorgovereenkomst terecht heeft opgezegd. De voorzieningenrechter legt dit hierna uit.

Partijen hebben een gemengde overeenkomst gesloten. Zij zijn het er namelijk over eens dat de zorgovereenkomst en de huurovereenkomst aan elkaar gekoppeld zijn. Uit de wet volgt dat de wettelijke bepalingen van beide overeenkomsten naast elkaar gelden, tenzij die bepalingen niet met elkaar te verenigen zijn. In dit geval is sprake van onverenigbaarheid. Voor opzegging van een overeenkomst van opdracht (de zorgovereenkomst) gelden namelijk minder strenge eisen dan voor beëindiging van een huurovereenkomst voor een woning. Om te bepalen welke wettelijke regels in dit geval van toepassing zijn, moet de voorzieningenrechter beoordelen welk element uit de gemengde overeenkomst overheersend is. De voorzieningenrechter stelt vast dat het zorgelement in dit geval het zwaarst weegt. Weliswaar staat in de tekst van de huurovereenkomst niet heel duidelijk dat de huur van de woning afhankelijk is van de zorgovereenkomst, maar partijen zijn het er wel over eens dat dit hun bedoeling was. [gedaagde partij] mocht de woning alleen huren omdat hij zorg van [eisende partij] afnam. In zo’n situatie weegt het zorgelement zwaarder dan het huurelement.

De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat de regels voor de opzegging van een gewone overeenkomst van opdracht van toepassing zijn.

Aan de vereisten voor opzegging is in principe voldaan

[eisende partij] heeft [gedaagde partij] op 20 augustus 2025 een brief gestuurd waarin zij de zorgovereenkomst vanaf 20 september 2025 opzegt. [eisende partij] schrijft in de brief dat de samenwerkingsproblemen met [gedaagde partij] ondanks herhaalde inspanningen en meerdere gesprekken niet op te lossen zijn. Daarnaast schrijft [eisende partij] dat zij zich ernstige zorgen maakt om het gedrag van [gedaagde partij] richting collega’s en medebewoners, waaronder bedreigingen en verbale uitingen die voor onveiligheid zorgen. Uiteindelijk is de zorg vanaf 13 oktober 2025 formeel beëindigd door het Zorgkantoor. [gedaagde partij] is het daar niet mee eens en kan zich niet vinden in de redenen die [eisende partij] in de opzeggingsbrief heeft genoemd.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat aan de vereisten voor opzegging is voldaan. De vereisten die in deze zaak gelden staan in artikel 7:408 lid 2 BW. Een professionele opdrachtnemer (zoals [eisende partij] ) kan een overeenkomst van opdracht alleen opzeggen als:

er sprake is van gewichtige redenen; of

de overeenkomst voor onbepaalde tijd geldt en niet door volbrenging eindigt.

Het is de voorzieningenrechter niet duidelijk geworden of de zorgovereenkomst is aangegaan voor bepaalde of onbepaalde tijd. Voor de verdere beoordeling gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de overeenkomst gold voor onbepaalde tijd. In die situatie is voor de opzegging in principe alleen vereist dat de overeenkomst niet eindigt door het voltooien van een taak, proces of activiteit (‘volbrenging’). Een zorgovereenkomst eindigt niet door volbrenging, want de zorg en begeleiding loopt steeds door. Aan de vereisten voor opzegging is dus voldaan. Toch mocht [eisende partij] de zorgovereenkomst niet opzeggen. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom dat zo is.

[gedaagde partij] doet terecht een beroep op de redelijkheid en billijkheid

[gedaagde partij] voert aan dat [eisende partij] de zorgovereenkomst niet mocht opzeggen, omdat er geen goede reden was voor de opzegging en omdat [eisende partij] niet zorgvuldig heeft gehandeld. Met dit verweer doet [gedaagde partij] een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid uit artikel 6:248 lid 2 BW. Op grond van dit artikel is een regel die als gevolg van een overeenkomst tussen partijen geldt niet van toepassing, voor zover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Bij de beoordeling moet de voorzieningenrechter alle omstandigheden van het geval meewegen. Een van die omstandigheden is dat het hier gaat om een zorgovereenkomst. Uit de jurisprudentie volgt dat een zorgverlener een zorgovereenkomst niet zo maar mag opzeggen. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat er een voldoende zwaarwegende reden voor de opzegging moet zijn en dat de zorgverlener in de aanloop naar en bij de opzegging zorgvuldig moet handelen.

In dit geval is het onaanvaardbaar dat [eisende partij] de zorgovereenkomst heeft opgezegd. Het beroep van [gedaagde partij] op artikel 6:248 lid 2 BW is dus terecht. De voorzieningenrechter ziet daarvoor twee argumenten:

het is nog maar de vraag of de gewichtige reden die [eisende partij] in haar opzeggingsbrief noemt daadwerkelijk zwaarwegend genoeg is om de zorgovereenkomst op te zeggen en dat is in dit geval wel nodig; en

[eisende partij] heeft niet zorgvuldig gehandeld in de aanloop naar de opzegging.

De voorzieningenrechter bespreekt deze argumenten hierna achter elkaar.

Het is nog maar de vraag of [eisende partij] een zwaarwegende reden had voor de opzegging

In de zorgovereenkomst staat dat het essentieel is dat [gedaagde partij] de nodige zorg en begeleiding krijgt om zijn welzijn en zelfstandigheid te waarborgen. Als hij niet de juiste zorg en ondersteuning krijgt, bestaat het risico dat zijn gedragsproblemen verergeren en dat hij geïsoleerd raakt door een gebrek aan sociale interactie. Daarnaast kan het gebrek aan hulp bij huishoudelijke taken en persoonlijke verzorging leiden tot verwaarlozing. In de zorgovereenkomst staat ook dat [gedaagde partij] gezondheidsproblemen kan krijgen als hij niet wordt ondersteund bij bijvoorbeeld het eten, omdat hij dit anders misschien vergeet of hier onvoldoende aandacht aan besteedt. [gedaagde partij] is dus erg afhankelijk van de zorg en de begeleiding. Daarom vindt de voorzieningenrechter dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat [eisende partij] de zorgovereenkomst alleen mocht opzeggen als zij hiervoor een voldoende zwaarwegende reden heeft, ook al volgt dit vereiste niet uit de opzeggingsregels uit artikel 7:408 lid 2 BW voor een overeenkomst voor onbepaalde tijd..

[eisende partij] noemt in deze procedure vier redenen waarom zij vindt dat zij de zorgovereenkomst mocht opzeggen. De eerste reden is dat [gedaagde partij] structureel overlast zou hebben veroorzaakt voor begeleiders, omwonenden en andere zorgcliënten. Deze reden kan [eisende partij] niet helpen. Dat daadwerkelijk sprake was van structurele overlast door [gedaagde partij] is de voorzieningenrechter niet gebleken. [eisende partij] heeft tijdens de mondelinge behandeling zelf aangegeven dat de zorg en begeleiding in de eerste maanden (april, mei en juni 2025) goed verliepen. In de maand juli 2025 ging het minder goed. [gedaagde partij] werd negatiever en gefrustreerder. Dat schrijven de begeleiders van [eisende partij] in de zorgrapportages in het systeem Cliëndo. [eisende partij] heeft die zorgrapportages ingediend. In de rapportages uit de maand juli 2025 komt vaak terug dat [gedaagde partij] ontevreden was over zijn vorige zorgverleners. Op 28 juli 2025 is [gedaagde partij] samen met een zorgbegeleider van [eisende partij] naar zijn vorige zorgverlener gegaan om zijn spullen op te halen. De zorgbegeleider schrijft in de zorgrapportage in Cliëndo dat de spullen van [gedaagde partij] waterschade hadden opgelopen doordat zijn vorige zorgverlener de spullen in een schuur met een lekkend dak had neergezet. Volgens [eisende partij] is de situatie geëscaleerd en heeft [gedaagde partij] dreigend gedrag naar zijn vorige zorgverlener vertoond. Zo zou [gedaagde partij] tegen zijn vorige zorgverlener hebben gezegd dat ze niet verbaasd moeten opkijken als de boel in de fik staat. [eisende partij] zegt dat haar zorgbegeleiders hier zo erg van geschrokken zijn, dat zij [gedaagde partij] daarna niet meer durfden te begeleiden. [gedaagde partij] ontkent dat hij zijn vorige zorgverlener heeft bedreigd. De voorzieningenrechter laat in het midden wat [gedaagde partij] precies tegen de vorige zorgverlener heeft gezegd. Ook als [gedaagde partij] dreigend is geweest, levert dit nog niet voldoende reden op om de zorgovereenkomst op te zeggen. Het gaat namelijk om een incident en [gedaagde partij] zat hierbij in een situatie waarin het voor hem juist erg moeilijk is om zijn gedrag te reguleren. [gedaagde partij] heeft door zijn verstandelijke beperking en problematiek begeleiding nodig bij dit soort momenten en dat weet [eisende partij] .

In de zorgrapportages uit de maand juli 2025 komt ook vaak terug dat [gedaagde partij] ontevreden was over de gang van zaken rondom zijn zorgwoning. [gedaagde partij] heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat [eisende partij] hem in eerste instantie drie andere zorgwoningen had toegezegd, maar dat hij uiteindelijk de zorgwoning aan de [adres] in [woonplaats] kreeg. Daar was [gedaagde partij] ontevreden over. De woning aan de [adres] ligt namelijk naast een school en heeft directe buren, wat [gedaagde partij] extra prikkels geeft. Daarnaast is de woning volgens [gedaagde partij] niet goed geïsoleerd en zijn er allerlei gebreken. [gedaagde partij] geeft ook aan dat hem eerder een andere, in zijn ogen meer passende woning is aangeboden en hij later ontdekte dat de vorige bewoner van zijn huidige woning in zijn plaats naar die woning is verhuisd. De voorzieningenrechter vindt het met deze omstandigheid in het achterhoofd niet vreemd dat [gedaagde partij] minder goed gedrag is gaan vertonen. Dit levert nog niet meteen structurele overlast op. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat het om een relatief korte periode van een paar weken gaat en dat moeilijk gedrag inherent is aan een zorgcliënt met deze problematiek. [eisende partij] moet van [gedaagde partij] dus wel wat tolereren voordat sprake is van (structurele) overlast.

Volgens [eisende partij] heeft [gedaagde partij] ook overlast veroorzaakt doordat hij dreigend is geweest naar zorgbegeleiders en omwonenden. Ook dit kan [eisende partij] niet helpen. De voorzieningenrechter vindt het op dit moment niet aannemelijk dat [gedaagde partij] dreigend gedrag naar begeleiders en omwonenden heeft vertoond. [eisende partij] heeft weliswaar verklaringen van zorgbegeleiders ingediend waarin zij schrijven dat [gedaagde partij] een dreigende toon had, maar deze verklaringen zijn niet voldoende. De verklaringen zijn namelijk te algemeen en zijn pas in februari 2026 (maanden na de opzeggingsbrief van 20 augustus 2025) opgesteld. Bovendien schrijven de zorgbegeleiders in de maand augustus 2025 in de zorgrapportages in Cliëndo juist dat het beter gaat met het gedrag van [gedaagde partij] . Daarnaast geldt dat [gedaagde partij] de zorgwoning pas huurt vanaf 1 augustus 2025. Als hij al dreigend zou zijn geweest naar omwonenden (wat onvoldoende is gebleken), dan is de periode vanaf 1 augustus 2025 tot aan de opzegging op 20 augustus 2025 te kort om te spreken van structurele overlast.

De tweede reden die [eisende partij] voor de opzegging noemt, is dat [gedaagde partij] de zorg en begeleiding zou hebben geweigerd. Ook dit ontkent [gedaagde partij] . Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [gedaagde partij] meerdere keren niet naar de dagbesteding is gegaan en dat hij zonder toestemming van [eisende partij] het slot van zijn zorgwoning heeft vervangen. Daardoor konden de zorgbegeleiders de woning niet meer in. Volgens [gedaagde partij] is hij juist weggestuurd van de dagbesteding, is de dagbesteding van [eisende partij] niet goed en heeft hij aan [eisende partij] doorgegeven dat hij op vakantie was. Daarnaast zegt [gedaagde partij] dat hij het slot van de woning alleen maar heeft vervangen omdat er mensen zonder zijn toestemming de woning binnenkwamen. Hoe het ook zit, het lijkt erop dat [gedaagde partij] erg vrijblijvend met de zorg en begeleiding is omgegaan. Dat is niet de bedoeling. Die zorg heeft een duidelijk doel. Als hij het niet eens is met de aangeboden zorg of de doelmatigheid ervan in twijfel trekt, moet hij dit bij zijn zorgverleners aankaarten. Hij kan daarin niet eenzijdig wijzigingen aanbrengen. De voorzieningenrechter laat in het midden of dit ook daadwerkelijk zorgweigering oplevert. Ook als dat zo is, zou de voorzieningenrechter de gevorderde ontruiming afwijzen. [eisende partij] heeft namelijk niet zorgvuldig gehandeld in de aanloop naar de opzegging (waarover later meer).

Als derde en vierde reden zegt [eisende partij] dat [gedaagde partij] de huur van de zorgwoning structureel niet op tijd betaalde en dat [gedaagde partij] de zorgwoning in eerste instantie niet bewoonde. Dit zijn geen zwaarwegende redenen voor opzegging van de zorgovereenkomst. [gedaagde partij] huurt de zorgwoning pas vanaf 1 augustus 2025. Vanaf dat moment is hij pas verplicht om de huur te betalen en de woning te bewonen. Van structurele wanbetaling en een lange periode van niet-bewoning was op het moment van de opzegging op 20 augustus 2025 nog geen sprake.

[eisende partij] heeft in de aanloop naar de opzegging niet zorgvuldig gehandeld

De voorzieningenrechter vindt dat [eisende partij] in de aanloop naar de opzegging niet zorgvuldig heeft gehandeld. De voorzieningenrechter rekent [eisende partij] dat zwaar aan. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [eisende partij] [gedaagde partij] nooit officieel (met een brief) heeft gewaarschuwd dat zij de zorgovereenkomst zou opzeggen als [gedaagde partij] zijn gedrag niet zou aanpassen. Dat had [eisende partij] wel moeten doen, zeker omdat zij een professionele zorgverlener is en een terechte opzegging van de zorgovereenkomst voor [gedaagde partij] grote gevolgen heeft (waaronder verlies van de zorgwoning). Daarnaast heeft [eisende partij] niet duidelijk gemaakt dat zij [gedaagde partij] vóór de opzegging voldoende concreet op zijn gedragsproblemen heeft gewezen. In de zorgrapportages schrijven zorgbegeleiders weliswaar welk gedrag [gedaagde partij] vertoont, maar dat [eisende partij] dit gedrag ook met [gedaagde partij] heeft besproken blijkt onvoldoende uit de stukken. Volgens [eisende partij] heeft zij meerdere gesprekken met [gedaagde partij] gehad over zijn gedrag. Omdat [gedaagde partij] dit ontkent, had [eisende partij] gespreksverslagen (of andere relevante stukken) moeten indienen. Dat heeft zij niet gedaan. Daarnaast vindt de voorzieningenrechter dat [eisende partij] in het kader van de zorgvuldigheid een externe professional had moeten inschakelen toen zij in conflict raakte met [gedaagde partij] . Door het conflict konden de zorgbegeleiders van [eisende partij] [gedaagde partij] niet meer de zorg en begeleiding geven die hij juist in dit soort situaties nodig heeft. Zij kwamen immers tegenover elkaar te staan. Dat het [gedaagde partij] zonder begeleiding niet is gelukt om zijn gedrag goed te reguleren, is niet aan hem te wijten. [eisende partij] had meer kunnen en moeten doen om [gedaagde partij] hierbij te helpen. Dat zij dat heeft nagelaten is voor de voorzieningenrechter de belangrijkste reden om te oordelen dat [eisende partij] niet zorgvuldig heeft gehandeld.

De belangen van [gedaagde partij] bij behoud van de zorgovereenkomst wegen zwaarder dan de belangen van [eisende partij] bij beëindiging daarvan

De voorzieningenrechter moet bij de beoordeling ook een belangenafweging maken. Omdat [gedaagde partij] sterk afhankelijk is van de zorg en de begeleiding, heeft hij er belang bij dat de zorgovereenkomst in stand blijft. Daarnaast heeft hij er belang bij dat hij in de woning mag blijven wonen. [gedaagde partij] heeft weliswaar tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij liever bij een andere zorgverlener in behandeling gaat en dat hij daar dan ook gaat wonen, maar op dit moment is er nog geen nieuwe plek voor hem. [gedaagde partij] moet zorg en begeleiding krijgen en onderdak hebben totdat die plek er wel is. Tegenover de belangen van [gedaagde partij] staat het belang van [eisende partij] om voor haar andere zorgcliënten en voor haar zorgbegeleiders een veilige woon- en werkomgeving te creëren en te behouden. Dat zij dat door de aanwezigheid van [gedaagde partij] niet goed kan doen, is de voorzieningenrechter onvoldoende gebleken. Maar ook als dat zo zou zijn, kan [eisende partij] andere oplossingen zoeken om de situatie voor haar andere cliënten en haar zorgbegeleiders te verbeteren. [eisende partij] kan bijvoorbeeld (tijdelijk) een externe professional inschakelen om haar te helpen bij de begeleiding van [gedaagde partij] . Dat het belang van [eisende partij] alleen gediend kan worden door opzegging van de zorgovereenkomst is niet gebleken.

Conclusie: [eisende partij] mocht de zorgovereenkomst niet opzeggen, dus [gedaagde partij] mag in de woning blijven wonen

De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat de opzegging door [eisende partij] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarom is het op dit moment niet aannemelijk dat de bodemrechter [gedaagde partij] in een bodemprocedure zou veroordelen om de woning te ontruimen. Dat betekent dat de voorzieningenrechter de vordering tot ontruiming en de daaraan gekoppelde dwangsom in dit kort geding afwijst.

[eisende partij] vordert ook een schadevergoeding vanwege misgelopen huurinkomsten voor elke maand waarin [gedaagde partij] de woning na maart 2026 in gebruik houdt (de ‘gebruiksvergoeding’). De voorzieningenrechter wijst deze vordering ook af, omdat [gedaagde partij] alleen een gebruiksvergoeding moet betalen als hij wordt veroordeeld om de woning te ontruimen. [gedaagde partij] blijft op grond van de huurovereenkomst wel de maandelijkse huur aan [eisende partij] verschuldigd.

[gedaagde partij] hoeft de huurachterstand nu nog niet te betalen

De huurprijs die [gedaagde partij] aan [eisende partij] moet betalen is € 900,07 per maand. [gedaagde partij] heeft vanaf 1 augustus 2025 (het begin van de huurovereenkomst) geen huur betaald. Daardoor is er een huurachterstand ontstaan. Die huurachterstand is € 7.200,56 tot en met de maand maart 2026. [eisende partij] eist dat [gedaagde partij] dit bedrag aan haar betaalt. De voorzieningenrechter wijst die vordering af, omdat [gedaagde partij] mogelijk een vordering op [eisende partij] heeft die hij met de huurachterstand mag verrekenen. Dit wordt hierna uitgelegd.

[eisende partij] heeft vanaf 1 april 2025 zorgfacturen bij [gedaagde partij] in rekening gebracht. [gedaagde partij] heeft die facturen betaald. [gedaagde partij] voert aan dat [eisende partij] de gefactureerde zorg niet (volledig) heeft verleend en dat hij daarom een vordering op [eisende partij] heeft, die hij mag verrekenen met de huurachterstand. Het is op dit moment nog onduidelijk of [eisende partij] de gefactureerde zorg terecht in rekening heeft gebracht. Aan de ene kant zegt [gedaagde partij] dat hij in de maanden april tot en met juli 2025 geen (thuis)begeleiding heeft gehad en dat dit ook niet kon, omdat hij pas vanaf 1 augustus 2025 een zorgwoning kreeg. [eisende partij] stelt daar tegenover dat zij wel degelijk begeleiding heeft aangeboden, maar dat [gedaagde partij] daar zelf geen gebruik van heeft gemaakt. Er is in dit kort geding geen ruimte om verder te onderzoeken of de zorgfacturen van [eisende partij] kloppen. Partijen kunnen hier verder over discussiëren in een bodemprocedure. Er kan dan ook bewijslevering volgen. Op dit moment is in ieder geval nog niet voldoende aannemelijk dat de bodemrechter [gedaagde partij] in een bodemprocedure zou veroordelen om de huurachterstand te betalen. Daarom wijst de voorzieningenrechter de huurachterstand in dit kort geding af.

De voorzieningenrechter wijst ook de door [eisende partij] gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand af, omdat [gedaagde partij] die rente alleen verschuldigd kan zijn als hij de huurachterstand moet betalen.

[eisende partij] moet de proceskosten betalen

[eisende partij] heeft ongelijk gekregen en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

865,00

- nakosten

144,00

Totaal

1.009,00

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de vorderingen van [eisende partij] af;

veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eisende partij] niet op tijd aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet [eisende partij] ook de kosten van betekening betalen.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand