RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/598719 / HA ZA 25-441
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonend in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. G. Bosma,
tegen
[gedaagde] ,
wonend in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. H.E.C.A. Vlasman.
1. De procedure
De rechtbank beschikt over de volgende stukken:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 11- de conclusie van antwoord met producties 1 en 2- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald.
Op 2 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij zijn partijen met hun advocaten verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De kern
[eiser] stelt geld te hebben uitgeleend aan [gedaagde] . Die betwist dat en beroept zich op verjaring. De rechtbank oordeelt dat het geld werd uitgeleend [gedaagde] . Die heeft dat als getuige erkend in een andere procedure. [gedaagde] moet de geldlening daarom aan [eiser] terugbetalen.
3. De achtergrond van het geschil
[eiser] heeft eind 2012 een envelop met € 30.000,00 overhandigd aan [A] . [A] is een kennis van hem. [eiser] was in de veronderstelling dat hij dit bedrag uitleende aan [A] . Volgens [eiser] was de afspraak dat het bedrag na een jaar terugbetaald zou worden met € 12.500,00 aan rente en kosten, zodat het in totaal terug te betalen bedrag € 42.500,00 was.
Omdat [A] de geldlening niet terugbetaalde heeft [eiser] in juli 2021 een procedure bij de rechtbank gestart tegen [A] . In die procedure stelde [A] zich op het standpunt dat het geld aan zijn compagnon [gedaagde] was geleend en is (onder anderen) - op verzoek van [A] - [gedaagde] als getuige gehoord. In het vonnis van 16 augustus 2023 is de vordering van [eiser] afgewezen. [eiser] was niet geslaagd in het bewijs dat hij het geld aan [A] heeft uitgeleend. [eiser] is in hoger beroep gegaan tegen het vonnis. Bij het gerechtshof is [gedaagde] opnieuw gehoord als getuige. Daarna heeft [eiser] de procedure tegen [A] gestaakt. [A] noch [gedaagde] hebben iets aan [eiser] (terug-)betaald van de geldlening.
4. De beoordeling
Geldlening aan [gedaagde] en toewijzing van de vordering
[eiser] vordert in deze procedure terugbetaling van de geldlening van € 30.000,00, vermeerderd met de rente en kosten van € 12.500,00. Hij eist betaling door [gedaagde] van € 42.500,00. Deze vordering wordt toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat de geldlening inderdaad is verstrekt aan [gedaagde] . De hoogte van de vordering heeft [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd betwist. Voor het oordeel dat de geldlening aan [gedaagde] is verstrekt is het volgende van belang.
Historie tussen [eiser] en [gedaagde] van betalingen in contanten
[eiser] en [gedaagde] hebben een jarenlange zakelijke relatie gehad. Vast staat dat door [eiser] op twee andere momenten betalingen hebben plaatsgevonden aan [gedaagde] . Die staan – hoewel [gedaagde] daar wisselend over heeft verklaard – naar het oordeel van de rechtbank los van het geschil dat partijen nu hebben. Daarbij ging het om de volgende contante bedragen.
- Vanwege het verkrijgen van een bouwproject aan de [straat] in [plaats] betaalde [eiser] een acquisitievergoeding van € 30.000,00 aan [gedaagde] . Toen dit project later niet doorging, en [gedaagde] de vergoeding zou moeten terugbetalen aan [eiser] , hebben ze afgesproken dat deze betaling zou gelden als vergoeding vanwege een ander project. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen een andere invulling hebben over welk project daarvoor in de plaats kwam (en voor welk project deze vergoeding dus is betaald door [eiser] ). Niettemin staat vast dat zij het erover eens zijn dat deze vergoeding aan [gedaagde] moest worden betaald. Ook is duidelijk dat de betaling van die acquisitievergoeding van € 30.000,00 geheel los staat van de geldlening van € 30.000,00 waarover het in deze procedure gaat. Verder is tijdens de mondelinge behandeling komen vast te staan dat de handgeschreven schulderkenning van [gedaagde] aan [eiser] van 24 mei 2012 ziet op deze geldsom, niet op een andere, ondanks dat dit in eerdere verklaringen en getuigenverhoren wel is gezegd of geschreven. Tot slot is vast komen te staan dat ook de handgeschreven kwitantie van [eiser] op deze betaling ziet. Daarin staat dat “de schuldbekentenis is ingelost per 22-10-2014”. Dat dit bedrag van € 30.000,00 aan [gedaagde] is verstrekt en niet meer hoeft te worden terugbetaald - en dat dit losstaat van de geldlening in deze procedure - is daarmee tussen partijen een gegeven.
- Op de mondelinge behandeling is ook komen vast te staan dat [eiser] daarna € 15.000,00 heeft uitgeleend aan [gedaagde] . Voor die lening heeft de echtgenote van [gedaagde] ook meegetekend. Deze lening is al terugbetaald en staat los van dit geschil tussen partijen.
Aanwijzingen in de correspondentie
Duidelijk is dat [eiser] de € 30.000,00 van de geldlening waar het nu over gaat niet rechtstreeks aan [gedaagde] heeft gegeven. [eiser] gaf de envelop met het geld immers aan [A] . De volgende correspondentie is van belang.
[A] heeft in een mail aan [eiser] van 31 januari 2020 onder meer geschreven:
“Je hebt [gedaagde (voornaam)] [[gedaagde] , toevoeging rechtbank] een bedrag geleend. [gedaagde (voornaam)] heeft daarvoor ook een schuldbekentenis getekend. Omdat [gedaagde (voornaam)] die dag verhinderd was heb ik jou de door [gedaagde (voornaam)] ondertekende schuldbekentenis overhandigd en het geld namens [gedaagde (voornaam)] in ontvangst genomen.”
[gedaagde] heeft op 15 september 2021 in een brief aan [A] geschreven:
“Ik heb er nog eens goed over nagedacht. Ik herinner mij dat jij inderdaad eind 2012 een gesloten enveloppe van mij aan [eiser] hebt gegeven en een gesloten enveloppe van [eiser (voornaam)] voor mij mee terug hebt genomen en aan mij gegeven.
Het betrof een geldlening van € 30.000 waarvan ik met [eiser (voornaam)] had afgesproken dat die (met € 12.000 rente) uit [.] werd terugbetaald. Dat laatste wist jij. (…)
Nu [eiser (voornaam)] daar een slaatje uit probeert te slaan en het bedrag ook nog eens op jou probeert te verhalen bevestig ik jou hierbij hoe het is gegaan.”
Aanwijzingen in de getuigenverklaringen
Op 22 juli 2022 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen in de procedure van [eiser] tegen [A]. Kort gezegd is [A] in dat vonnis in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen de voorshands aannemelijke stelling dat [eiser] € 30.000,00 aan hem geleend heeft. [A] is daarin geslaagd. Het gevolg daarvan was dat de rechtbank in het eindvonnis de vordering van [eiser] afwees. Niet was komen vast te staan dat [eiser] een lening aan [A] had verstrekt. In die procedure hebben [A] en [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat de lening aan [gedaagde] was verstrekt.
In die procedure is [A] op 14 maart 2023 onder ede gehoord als getuige. [A] heeft in dit getuigenverhoor onder meer verklaard:
“Ik heb aan [eiser] nooit geld gevraagd of voor mezelf gekregen. (…)
[gedaagde] (…) vroeg mij ook om van [eiser] een enveloppe in ontvangst te nemen. Ik heb (…) de volgende dag van [eiser] een enveloppe in ontvangst
genomen voor [gedaagde] . Die enveloppe voor [gedaagde] heb ik die
dag na het werk naar [gedaagde] gebracht. (…) Ik heb ook nooit van [eiser] geld geleend.”
[gedaagde] is ook als getuige gehoord en heeft onder meer het volgende verklaard:
“Het klopt dat [A] een enveloppe met € 30.000,- contant voor mij in ontvangst heeft genomen. Die was afkomstig van [eiser] . Het was een lening van [eiser] aan mij privé.”
In het hoger beroep is [gedaagde] op 30 augustus 2024 opnieuw als getuige gehoord. Toen heeft hij onder meer verklaard nog achter zijn getuigenverklaring van 14 maart 2023 bij de rechtbank te staan. Het gerechtshof heeft aan [gedaagde] gevraagd:
“Het gaat dan nu met name over kwestie tussen [eiser] en [A] . U heeft daar bij de rechtbank over verklaard. U heeft bij de rechtbank verklaard: ik heb toen € 30.000 van
[eiser] geleend. Toen, dat was in 2012. Waarom heeft u € 30.000 geleend?”
Waarop [gedaagde] antwoordde:
“Ik kwam dat tekort. Ik had het jaar daarvoor mijn huis verbouwd. Dat was ingrijpend en
kostbaar. De garage was verplaatst, de oprit met parkeerplaatsen was kapotgereden. Het
moest opnieuw aangelegd worden. Het cunet moest opnieuw aangelegd worden, ook achter.
Daar had ik via [eiser] voor de achterkant IJseltjes gekocht. De waalstenen voor de
voorkant heb ik zelf gekocht. Er moesten twee opritten komen. Daarvoor heeft hij voor mij
vier stratenmakers geregeld. Zij hebben het aangelegd, zowel de voor- als achterkant. Ik
moest daarvoor aanvullende financiering hebben. Dit ging het makkelijkste via [eiser] .”
[gedaagde] heeft in het getuigenverhoor bij het gerechtshof verder verklaard dat de verbouwing van zijn woning rond 2008-2009 plaatsvond. Daarbij kan passen dat in 2012 de € 30.000,00 nodig was voor de bestrating.
De verklaringen van [gedaagde] onder ede in de procedure tussen [eiser] en [A] zijn een erkenning van de door hem ontvangen geldlening van [eiser] . Het kan niet zo zijn dat [gedaagde] in de procedure tegen [A] zich opwerpt als eigenlijke lening nemer, terwijl hij vervolgens op het moment dat hij zelf tot terugbetaling wordt aangesproken, weer een tegenovergesteld standpunt inneemt. De consequentie zou immers zijn dat [eiser] vanwege het eerdere vonnis van deze rechtbank van 16 augustus 2023 bij het verhalen van de lening bij zowel [A] als [gedaagde] bot vangt, terwijl tussen deze drie personen niet in geschil is dat € 30.000,00 in contanten is uitgeleend.
Vordering is niet verjaard
Vanwege de erkenning van de geldlening onder ede, faalt het beroep op verjaring van de vordering van [gedaagde] . De erkenning door [gedaagde] stuit immers de verjaring.
Gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen
De gevorderde wettelijke rente vanaf 6 mei 2025 wordt als onbetwist toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag van € 1.200,00 aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
Proceskosten komen voor rekening van [gedaagde]
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
1.374,00
- salaris advocaat
€
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.289,14
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals [eiser] vordert. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
5. De Beslissing
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 42.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover, met ingang van 6 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 1.200,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover, met ingang de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.289,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken door mr. J.K.J. van den Boom op 13 mei 2026.
4197