ECLI:NL:RBMNE:2026:3084

ECLI:NL:RBMNE:2026:3084

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 27-05-2026
Datum publicatie 07-06-2026
Zaaknummer C/16/606536 / HA ZA 26-65
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Incident verwijzing naar kantonrechter. Afgewezen. Onjuiste toepassing van het recht, artikel 93 sub b Rv

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/606536 / HA ZA 26-65

Vonnis in incident van 27 mei 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats] ,

eisende partij in de hoofdzaak,

verwerende partij in het incident,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. O.S.H. Horssius,

tegen

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

te Utrecht,

gedaagde partij in de hoofdzaak,

eisende partij in het incident,

hierna te noemen: ASR,

advocaat: mr. A.E.M. Langerhuizen.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 t/m 7,

- de conclusie van antwoord met een incidentele vordering tot verwijzing zonder producties,

- de conclusie van antwoord in het incident zonder producties.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De kern van de zaak

ASR vordert dat de rechtbank de hoofdzaak verwijst naar de kantonrechter, omdat er geen aanwijzingen zijn dat het belang in deze zaak het competentiebedrag van € 25.000,00 overstijgt. De rechtbank wijst deze vordering af. ASR gaat uit van de verkeerde toets. Het gaat juist om de vraag of er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering géén hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000. Die aanwijzingen zijn er niet.

3. De achtergrond van de zaak

Op 20 oktober 2020 heeft [eiser] bij Aegon een huisdierenverzekering afgesloten voor de medische kosten van haar kat. In 2024 heeft ASR als rechtsopvolger van Aegon haar eigen voorwaarden van toepassing verklaard op de verzekeringsovereenkomst. Zo heeft ASR het eigen risico gewijzigd van een vast bedrag van € 50,00 per jaar naar 25% van de betreffende nota met een minimum van € 25,00. Ook is de maximaal jaarlijkse uitkering verlaagd met 33%. [eiser] meent dat zij hierdoor ten onrechte wordt geconfronteerd met een aanzienlijke lastenverzwaring.

[eiser] stelt zich kort gezegd op het standpunt dat de door ASR gewijzigde voorwaarden niet van toepassing zijn op de verzekeringsovereenkomst, omdat de gewijzigde voorwaarden haar niet (correct) ter hand zijn gesteld en het wijzigingsbeding waarop ASR zich beroept onredelijk bezwarend is, dan wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarom vordert [eiser] in de hoofdzaak beknopt weergegeven een verklaring voor recht dat:

de door ASR gewijzigde voorwaarden niet van toepassing zijn op de verzekeringsovereenkomst;

ASR de informatieplichten heeft geschonden;

ASR haar verplichting heeft geschonden om (tijdig) de algemene voorwaarden en informatieplichten op een duurzame gegevensdrager te verstrekken;

ASR haar verplichting heeft geschonden om de verzekeringskaart bij de totstandkoming van de overeenkomst aan de verzekerde te verstrekken.

In de conclusie van antwoord heeft ASR, naast het voeren van inhoudelijk verweer tegen de vorderingen van [eiser] , een incidentele vordering tot verwijzing van de zaak naar de kantonrechter ingediend. [eiser] is het hier niet mee eens en voert hiertegen verweer.

4. De beoordeling

De incidentele vordering van ASR zal worden afgewezen. De rechtbank licht dit oordeel toe.

Volgens ASR moet de zaak naar de kantonrechter worden verwezen, omdat uit de vorderingen van [eiser] in het geheel geen financieel belang volgt en er dus geen aanwijzingen zijn dat het belang in deze zaak hoger is dan het competentiebedrag van € 25.000,00. ASR voert niets aan waaruit blijkt dat het belang in deze zaak daadwerkelijk lager dan € 25.000,00 is.

De rechtbank interpreteert het standpunt van ASR zo dat ASR ervan uitgaat dat een zaak in principe bij de kantonrechter wordt behandeld, tenzij er aanwijzingen zijn dat het geldelijk belang in die zaak hoger is dan € 25.000,00. Alleen in dat geval zou de civiele kamer van de rechtbank bevoegd zijn. ASR baseert haar vordering op artikel 93 sub b Rv waarin staat:

“Door de kantonrechter worden behandeld en beslist:

(…)

b. zaken betreffende vorderingen van onbepaalde waarde, indien er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000;”

De lezing van ASR gaat uit van een onjuiste toepassing van het recht. Artikel 93 sub b Rv moet anders worden geïnterpreteerd. Vorderingen van onbepaalde waarde – zoals de vorderingen van [eiser] – worden in principe behandeld en beslist door een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de rechtbank. Alleen als er duidelijke aanwijzingen zijn dat de vorderingen geen hogere waarde hebben dan € 25.000,00, wordt de zaak door de kantonrechter behandeld en beslist. Daarvan is in dit geval geen sprake, althans ASR heeft niet onderbouwd dat die aanwijzingen er zijn. De zaak kan ook niet op een van de andere gronden in artikel 93 sub a, c, d Rv naar de kantonrechter worden verwezen. Dat betekent dat de zaak bij de juiste kamer is aangebracht en dat de rechtbank in de hoofdzaak bevoegd is deze zaak te behandelen.

ASR moet de proceskosten betalen

ASR is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ASR worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing. De rechtbank ziet geen reden om het dubbele liquidatietarief te rekenen, zoals door [eiser] is gevorderd.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident

wijst de incidentele vordering tot verwijzing af,

veroordeelt ASR in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als ASR niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt ASR tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van 10 juni 2026 voor beraad rolrechter over het plannen van een mondelinge behandeling en voor het opvragen van verhinderdata aan partijen voor de periode september tot en met oktober 2026.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Erich en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.

LMT 5629

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand