RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.026920.25
Tegenspraak
Vonnis van de achter gesloten deuren gehouden terechtzitting van de meervoudige kamer van 5 februari 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] ,
verblijvende in de Justitiële Jeugdinrichting [locatie] in [plaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de zittingen achter gesloten deuren van 2 december 2025 en 22 januari 2026.
Op de zitting van 2 december 2025 waren aanwezig:
Op de zitting van 22 januari 2026 waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:
feit 1
in de periode van 1 juli 2024 tot en met 26 september 2024 in Hilversum meerdere dieren heeft mishandeld en/of gedood;
feit 2
in de periode van 27 september 2024 tot en met 24 januari 2025 in Hilversum meerdere dieren heeft mishandeld en/of gedood;
feit 3
op 24 januari 2025 in Hilversum een ploertendoder, boksbeugels en een armband met een verborgen mes voorhanden heeft gehad;
feit 4
op 24 januari 2025 in Hilversum een elektrisch stroomstootwapen voorhanden heeft gehad.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte alle tenlastegelegde feiten heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte heeft gesteld dat de Wet dieren zich richt op levende dieren. Daarom dient de verdachte onder de feiten 1 en 2 partieel vrijgesproken te worden van alle handelingen die zijn verricht na het doden van de dieren. Bij feit 1 heeft de advocaat daarbij aangevoerd dat de bewezenverklaring zich dient te beperken tot het mishandelen door het slaan en het achtervolgen van één bruine kat op 7 juli 2025.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen feit 1
De rechtbank oordeelt dat feit 1, het mishandelen en doden van meerdere dieren, is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:
De verdachte heeft op de zitting van 2 december 2025 onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:
Ik heb de bruine kat geslagen met een dweilstok, achtervolgd en bang gemaakt. Ik heb hier een filmpje van gemaakt. Dit is het filmpje van 7 juli 2024.
Verbalisant [verbalisant 1] heeft in een proces-verbaal van bevindingen van 3 februari 2025, zakelijk weergegeven, het volgende beschreven:
Ik bekeek de video’s op de onder de verdachte in beslag genomen Samsung telefoon. Op 7 juli 2024 zijn meerdere video’s gemaakt, waaronder video 24 waarop het volgende is te zien: de bruine kat wordt gevolgd door de filmer, welke hem probeert te slaan met een stok, dan wel een lang voorwerp dat lijkt op een steel van een bezem. De kat rent van links naar rechts achter een stoel en springt tegen de muren. De filmer slaat de kat met de stok tot twee keer raak. De stok gaat richting de kat en met kracht ‘prikt’ deze tot tweemaal de kat op zijn lichaam. De kat schiet weg, gevolgd door de filmer. De kat kruipt weg in een hoek en wordt wederom met kracht tegen het lichaam geprikt met de stok. De bewegingen met de stok worden heftiger en harder. Er wordt ongeveer vijf keer tegen het lichaam van de kat geprikt. De kat zit ergens onder en is zichtbaar uitgeput. De kat wordt wederom tegen het lichaam geprikt.
Verbalisant [verbalisant 2] heeft in een proces-verbaal van bevindingen van 1 februari 2025, zakelijk weergegeven, het volgende beschreven:
Voor het onderzoek bekeek ik boekjes van de verdachte waarin zij gevoelens en gedachtes beschrijft, maar vermoedelijk ook enkele gebeurtenissen waarbij dieren zijn mishandeld of gedood. In een blauw schriftje met de opdruk ‘Sport Athlete’ staat op 3 juli 2024: ik liep in het bos en zag koeien. Later haalde ik het mes uit mijn tas en liep ik ermee in mijn hand. Ik stak een kat dood.
Verbalisant [verbalisant 3] heeft in een proces-verbaal van bevindingen van 25 januari 2025, zakelijk weergegeven, het volgende beschreven:
Een blauw schrift met de opdruk ‘Sport Athlete 96’ bevat zorgelijke teksten en afbeeldingen. Op 7 juli 2024 staat: het kwam opeens in mijn hoofd dat ik [onleesbaar] wilde slaan. Ik deed de kamerdeur dicht en sloeg haar. Ze rende bang weg en ik achtervolgde haar telkens. Ze klom in de gordijnen en toen pakte ik een stok om haar daar weg te krijgen, die ik in haar duwde en waar ik haar mee sloeg. Ik vond het geweldig haar zo bang te zien.
Bewijsmiddelen feit 2
De rechtbank oordeelt dat feit 2, het mishandelen en doden van meerdere dieren, is bewezen. De verdachte bekent dat zij dit feit heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door haar of namens haar is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 2 december 2025;
een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] van 24 januari 2025, betreffende een verklaring van deze getuige;
- een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 2 februari 2025, betreffende de beschrijving van de aangetroffen video’s op de telefoon van de verdachte;
- een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 25 januari 2025, betreffende de letterlijke weergave van fragmenten uit schriftjes van de verdachte;
- een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] van 25 januari 2025, met bijlage, betreffende de doorzoeking bij de verdachte.
Bewijsmiddelen feit 3
De rechtbank oordeelt dat feit 3, het voorhanden hebben van een ploertendoder, een armband met mes en drie boksbeugels, is bewezen. De verdachte bekent dat zij dit feit heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door haar of namens haar is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 2 december 2025;
een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] van 26 januari 2025, met bijlage, betreffende de doorzoeking bij de verdachte;
- een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] van 29 januari 2025 betreffende de categorisering onder de Wet wapens en munitie van de ploertendoder;
- een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] van 29 januari 2025 betreffende de categorisering onder de Wet wapens en munitie van de armband met een verborgen mes;
- een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] van 29 januari 2025 betreffende de categorisering onder de Wet wapens en munitie van een zwarte, goudkleurige en zilverkleurige boksbeugel.
Bewijsmiddelen feit 4
De rechtbank oordeelt dat feit 4, het voorhanden hebben van een elektrisch stroomstootwapen, is bewezen. De verdachte bekent dat zij dit feit heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door haar of namens haar is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 2 december 2025;
een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] van 26 januari 2025, met bijlage, betreffende de doorzoeking bij de verdachte;
- een proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] van 29 januari 2025 betreffende de categorisering onder de Wet wapens en munitie van een elektrisch stroomstootwapen.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1 op meerdere tijdstippen in de periode van 1 juli 2024 tot en met 26 september 2024, te Hilversum , althans in Nederland, zonder redelijk doel, bij meerdere dieren, te weten meerdere katten, pijn en/of letsel heeft veroorzaakt en/of de gezondheid en/of het welzijn van die dieren heeft benadeeld, door voornoemde dieren te slaan, te steken, te achtervolgen, met een stok te slaan en/of te doden;
feit 2 op meerdere tijdstippen in de periode van 27 september 2024 tot en met 24 januari 2025, te Hilversum , althans in Nederland, zonder redelijk doel, bij meerdere dieren, te weten een kat en meerdere egels, pijn en/of letsel heeft veroorzaakt en/of de gezondheid en/of het welzijn van die dieren heeft benadeeld, door voornoemde dieren te misbruiken, te steken, te taseren, te achtervolgen, (met een stok) binnen te dringen, te onthoofden, te spiezen, te villen, open te snijden, te ontleden, de ingewanden er uit te halen, de poten en/of snuit eraf te halen en/of te snijden en/of (daardoor en/of vervolgens) te doden;
feit 3 op 24 januari 2025 te Hilversum , wapens van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een ploertendoder en drie boksbeugels (waarvan een voorzien van een mes), en een wapen van categorie I, onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten een blank wapen, namelijk een armband voorzien van een verborgen mes, dat uiterlijk gelijkt op een ander voorwerp dan een wapen, voorhanden heeft gehad;
feit 4 op 24 januari 2025 te Hilversum , een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een elektrisch stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
De feiten 1, 3 en 4 zijn strafbaar.
Voor wat betreft feit 2 heeft de rechtbank geoordeeld dat de hiervoor in paragraaf 3.4 genoemde handelingen zijn bewezen. Uit artikel 1.3 van de Wet dieren en de Memorie van Toelichting bij de Wet dieren (Kamerstuk II 31 389, nummer 3, 2007-2008, pagina 20) blijkt echter dat de intrinsieke waarde van het dier door de wet wordt erkend. Deze intrinsieke waarde staat voor de eigenheid van het dier als levend wezen en wezens met gevoel. Dit betekent dat de bewezen handelingen die verricht zijn ná het intreden van de dood, niet te kwalificeren zijn onder artikel 2.1 van de Wet dieren en dus geen strafbaar feit opleveren. Voor wat betreft die handelingen zal de verdachte daarom, zoals ook verzocht door haar advocaat, worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De overige handelingen onder feit 2 zijn strafbaar.
Deze strafbare feiten worden gekwalificeerd als:
feiten 1 en 2, telkens: zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren
feit 3: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd
feit 4: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
5. Straf en maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld:
- ( voor feit 1) tot een jeugddetentie voor de duur van 391 dagen, met aftrek van het voorarrest:
- tot de oplegging van de maatregel tbs met voorwaarden, met daarbij de voorwaarden als door de reclassering geadviseerd.
De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte voert aan dat een op te leggen vrijheidsstraf niet langer kan zijn dan de duur van de al ondergane voorlopige hechtenis. De verdachte kan zich vinden in het opleggen van een maatregel tbs met voorwaarden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 391 dagen, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast legt de rechtbank de maatregel tbs met voorwaarden op, met daarbij alle door de reclassering geadviseerde voorwaarden. Deze maatregel is dadelijk uitvoerbaar en gaat dus direct na de uitspraak in. Ook legt de rechtbank een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) op.
Bij het bepalen van deze straf en maatregelen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft over een periode van enkele maanden een aantal dieren ernstig mishandeld, gekweld, gemarteld en gedood. Die maanden lijken zich te tekenen door een grote fascinatie van verdachte voor bloed, martelingen en de dood. Een fascinatie die de verdachte opwond en machtig liet voelen waarbij zij genoot van het aangebrachte leed. In de bij haar aangetroffen schriftjes is een groot aantal gedachten, deels in bloed, opgeschreven die niet alleen zeer gruwelijk, maar bovenal zeer zorgelijk zijn. De verdachte beschrijft een (serie)moordenaar te willen zijn en heeft het tot in detail over wat zij mensen wil aandoen. Haar teksten zijn agressief en worden ondersteund door daden als het aankopen van wapens en het martelen en doden van meerdere dieren. Daarbij werd één van de gedode katten na het intreden van de dood seksueel misbruikt, gefileerd en onthoofd. Het kattenhoofd van die gedode kat bewaarde de verdachte in haar kamer net zoals organen, ingewanden en ander weefsel van dieren.
De ouders en het zusje van de verdachte hebben zich maandenlang zeer onveilig gevoeld door het gedrag van de verdachte. En alhoewel die angst geen onderdeel is van het tenlastegelegde, is deze wel goed invoelbaar met het lezen van het dossier en het horen van de moeder van de verdachte op de zitting. Het benadrukt te meer de ernst van de zorgen die de rechtbank heeft in deze zaak en ten aanzien van de persoon van de verdachte.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar:
het uittreksel Justitiële Documentatie (‘strafblad’) van de verdachte van 1 april 2025 – waaruit blijkt dat de verdachte nooit eerder is veroordeeld;
een rapport betreffende een klinisch multidisciplinair pro Justitia onderzoek van Forensisch Centrum Jeugd Teylingereind van 16 oktober 2025 inclusief addendum van 16 oktober 2025 en aanvulling van 18 november 2025;
een maatregelrapportage van Reclassering Nederland van 24 november 2025 en aanvulling op 22 januari 2026;
een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 25 november 2025.
Klinisch multidisciplinair pro Justitia onderzoek
Uit het pro Justitia onderzoek door de psycholoog en de psychiater blijkt dat de verdachte lijdt aan genderdysforie en een autismespectrumstoornis. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het uitvoeren van de tenlastegelegde feiten en hebben de keuzes en gedragingen van verdachte op dat moment beïnvloed. Ook is sprake van een ongespecificeerde schizofreniespectrumstoornis of andere psychotische stoornis.
Vanaf het begin van 2024 heeft de verdachte paranoïde psychotische klachten ontwikkeld. De herkomst van deze klachten is in het onderzoek onduidelijk gebleven. In aanloop naar het tenlastegelegde was sprake van een forse psychische en psychiatrische ontregeling. De verdachte had in die periode obsessieve gedachten, die zijzelf beschrijft als een drang om over te gaan tot risicovol gedrag, zowel naar zichzelf toe als naar anderen. De verdachte had onvoldoende controle om zich hiertegen te verzetten. Tijdens het uitvoeren van de tenlastegelegde feiten, heeft de verdachte een – door haar als positief ervaren – gevoel van ultieme macht en controle ervaren. Het is in het onderzoek niet duidelijk geworden in hoeverre zij tijdens het uitvoeren van de tenlastegelegde feiten heeft gehandeld vanuit een tekortschietende emotieregulatie, frustratietolerantie en agressieregulatie, waarbij zij wraak- en onlustgevoelens uit ageerde, met daarbinnen seksuele en sadistische componenten, of dat ook psychotische belevingen een rol in haar gedrag speelden. Het is niet mogelijk gebleken de psychische en psychiatrische ontregeling, de nog in ontwikkeling zijnde identiteits-, persoonlijkheids- en seksuele ontwikkeling en de autismespectrumproblematiek zodanig te ontwarren dat duidelijk is welke gedragingen binnen welk van deze domeinen moeten worden beschouwd. Onderzoekers adviseren de tenlastegelegde feiten in een verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Binnen de huidige setting, met een hoge mate van toezicht, beveiliging en een medicamenteuze behandeling wordt het recidiverisico door de pro justitia onderzoekers als laag ingeschat. Bij het uitblijven van behandeling en/of verblijf buiten een beschermende en beveiligde omgeving, wordt het recidiverisico als matig tot hoog ingeschat.
De psycholoog en psychiater adviseren een behandelsetting binnen het volwassenenstrafrecht omdat de verdachte niet profiteert van een groepsgerichte pedagogische aanpak binnen het jeugdstrafrecht. Daarbij is de beperkte specialistische kennis op het gebied van de bij de verdachte vastgestelde psychopathologie binnen het jeugdstrafrecht een contra-indicatie voor de toepassing hiervan. De gestelde psychopathologie, dus de ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, de autismespectrumstoornis en de genderproblematiek, maar vooral de wisselwerking hiertussen, vraagt om een meer individuele, volwassen behandelsetting. Vooral nu de verwachting is dat hiervoor een jarenlange begeleiding voor nodig zal zijn. Een klinische behandeling is noodzakelijk. Hierbij moet ruimte zijn voor procesdiagnostiek, waarbij de aard, ernst en het beloop van de psychotische klachten in kaart kan worden gebracht en de medicatie goed kan worden gemonitord. Dit geldt ook voor het duiden van de door de verdachte beschreven gevoelens van drang dan wel dwang en haar neigingen om hieraan toe te geven. Er dient aandacht te worden besteed aan de identiteits-, persoonlijkheids- en seksuele ontwikkeling, met daarbinnen aandacht voor de emotie-, spannings- en agressieregulatie. De pro justitia onderzoekers adviseren het strikte kader van een beveiligde setting, vanwege het risicovolle en zelfdestructieve gedrag dat de verdachte (ook binnen detentie) vertoont. Zeker wanneer wordt besloten medicatie af te bouwen of op termijn te stoppen wordt een setting met forensische expertise noodzakelijk geacht. Dit omdat er dan zorgvuldig en nauwgezet moet worden gemonitord of en zo ja, in hoeverre bij de verdachte opnieuw de drang zal ontstaan om tot agressief gedrag jegens anderen te komen en hoe zij hiermee omgaat. Dit is nodig om het recidiverisico te beperken en ook eventuele escalatie te voorkomen.
Volgens de pro justitia onderzoekers volstaat, gezien het voorgaande, enkel een tbs (terbeschikkingstelling)-kader. De verdachte heeft aangegeven mee te werken aan een klinische behandeling en dit heeft zij ook op de zitting bevestigd. Omdat de verdachte nooit eerder is veroordeeld, zijn de psycholoog en psychiater van mening dat de noodzakelijke behandeling kan worden vormgegeven binnen het kader van een maatregel tbs met voorwaarden. Een lichter kader, zoals een zorgkader vanuit de Wet verplichte ggz (hierna: Wvggz) of een behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel worden als ontoereikend gezien.
Raad voor de Kinderbescherming
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) onderschrijft het advies van de pro justitia onderzoekers voor langdurige behandeling in een volwassen kader (de rechtbank begrijpt: een tbs-maatregel met voorwaarden). Zij zien binnen het jeugdstrafrecht geen mogelijkheden om de verdachte langdurig en passend te behandelen. Een meerderjarige behandelsetting is volgens de RvdK voorliggend en alleen haalbaar vanuit het volwassenenstrafrecht. De RvdK meent echter wel dat de verdachte voor het minderjarige deel van de tenlastelegging (de rechtbank begrijpt: feit 1) recht heeft op een afdoening binnen het jeugdstrafrecht. Zij adviseren voor dat deel een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen.
Reclassering
Zonder behandeling schat de reclassering de kans op herhaling in als hoog waarbij zij een mogelijke toename in de ernst van de delicten niet uitsluiten. De reclassering ziet nauwelijks beschermende factoren aanwezig. De reclassering adviseert, in haar rapport van 24 november 2025, negatief ten aanzien van het opleggen van de maategel tbs met voorwaarden, omdat zij twijfels hebben over de uitvoerbaarheid door verwachte moeilijkheden bij plaatsing in een geschikte kliniek en de beperkte motivatie tot gedragsverandering van de verdachte. Uit aanvullende informatie van 22 januari 2025 blijkt dat de verdachte toch is geaccepteerd voor een klinische plaatsing en een gepaste overbruggingsplek. De volgende voorwaarden zijn geformuleerd bij het opleggen van een tbs maatregel met voorwaarden:
Geen strafbaar feit plegen;
Meewerken aan reclasseringstoezicht;
Meewerken aan time-out;
Niet naar het buitenland;
Opname in een zorginstelling;
Ambulante behandeling;
Begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
Drugsverbod;
Alcoholverbod;
Dagbesteding;
Houdverbod dieren.
De reclassering adviseert deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Ook adviseert de reclassering tot de oplegging van een GVM.
Verminderde toerekenbaarheid
De rechtbank zal de conclusies van de deskundigen met betrekking tot de toerekenbaarheid van de feiten overnemen en tot de hare maken. Dit betekent dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte zal worden toegerekend.
Strafkader: tbs-maatregel met voorwaarden, gevangenisstraf en GVM
Toepassing volwassenenstrafrecht
De verdachte was ten tijde van de tenlastegelegde feiten deels minderjarig (feit 1) en deels meerderjarig (feiten 2, 3 en 4). Artikel 495 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) maakt het voor de rechtbank mogelijk om kennis te nemen van alle feiten, zowel gepleegd op minderjarige als op meerderjarige leeftijd. Volgens lid 5 dient dan wel een keuze gemaakt te worden voor het toe te passen sanctiestelsel – waarbij de hoofdregel is dat berechting volgt volgens het volwassenenstrafrecht. De rechtbank ziet geen reden van deze hoofdregel af te wijken. Er zijn juist argumenten om het volwassenstrafrecht toe te passen gelet op de adviezen van de deskundigen. De verdachte zal daarom worden berecht op grond van het volwassenenstrafrecht met het daarbij behorende sanctiestelsel.
Tbs met voorwaarden (voor de feiten 1 en 2)
De adviezen van alle deskundigen zijn eenduidig: het opleggen van een tbs-kader is noodzakelijk. De psycholoog en psychiater hebben geconcludeerd dat de geboden langdurige behandeling kan plaatsvinden binnen een tbs-maatregel met voorwaarden. De RvdK heeft dit advies onderschreven. Alhoewel de reclassering in eerste instantie een maatregel tbs met voorwaarden niet ondersteunde, is in het laatste rapport gebleken van een mogelijkheid tot klinische plaatsing waaruit de rechtbank opmaakt dat de geadviseerde voorwaarden bij oplegging van een tbs met voorwaarden (alsnog) toereikend worden geacht. Ook de verdachte heeft op zitting aangegeven aan een behandeling binnen deze maatregel mee te werken. Een hulpverlenings- en behandelingskader in de vorm van bijzondere voorwaarden of een zorgkader vanuit de Wvggz worden door de pro justitia onderzoekers als ontoereikend gezien waardoor een lichter kader niet mogelijk is.
De rechtbank kan besluiten tot het opleggen van de maatregel tbs met voorwaarden als iemand een misdrijf heeft gepleegd waar volgens de wet een gevangenisstraf van vier jaar of meer op staat of als het gaat om een misdrijf waarvoor de wet bepaalt dat oplegging van tbs mogelijk is. Daarnaast moet die persoon toen zij de feiten beging een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens hebben gehad. Tot slot moet de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen eisen dat aan die persoon tbs wordt opgelegd.
Aan al deze voorwaarden is voldaan. Op de feiten 1 en 2 staat volgens artikel 8.12 van de Wet dieren een gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaar. De rechtbank baseert het oordeel dat de verdachte tijdens het plegen van deze feiten aan een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens leed en dat voor de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van tbs noodzakelijk is, op de conclusies van de deskundigen die de persoonlijkheid van de verdachte hebben onderzocht en hierover rapporten hebben opgemaakt, zoals deze hierboven uitgebreid zijn weergegeven. Ook neemt de rechtbank de door de verdachte geschreven passages in dagboeken, de bewaarde video’s en overblijfselen van dieren en ook bebloede voorwerpen in haar kamer, haar uitingen tegen haar familieleden en de wijkagent mee in haar overweging. De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat het onverantwoord is om de verdachte onbehandeld in de maatschappij te laten terugkeren. Een lichter, minder ingrijpend, kader dan die van de tbs is niet aanwezig. De rechtbank acht de tbs-maatregel gezien al het voorgaande passend en geboden en legt deze op met de daarbij door de reclassering geadviseerde voorwaarden, zoals vermeld in het dictum.
Gemaximeerde tbs
De rechtbank stelt vast dat de bewezenverklaarde strafbare feiten niet gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Dat betekent dat als de tbs-maatregel met voorwaarden wordt omgezet in een
tbs-maatregel met dwangverpleging deze gemaximeerd zal zijn.
Dadelijke uitvoerbaarheid maatregel tbs met voorwaarden
De rechtbank zal de maatregel en de daarbij te stellen voorwaarden, gelet op wat hiervoor is overwogen, dadelijk uitvoerbaar verklaren.
Gevangenisstraf
Gezien de aard en de ernst van de feiten waarbij de verdachte een aantal dieren op gruwelijke wijze heeft mishandeld, gemarteld, gedood en in het bezit is geweest van diverse wapens, vindt de rechtbank dat ook een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet volgen. Het is echter in het belang van de verdachte om zo snel als mogelijk te kunnen starten met een klinische behandeling – die naar verwachting langdurig zal zijn. Het is daarom niet wenselijk een gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Hierin houdt de rechtbank ook rekening met de verminderde toerekenbaarheid. De rechtbank legt daarom een gevangenisstraf op voor de duur van 391 dagen, met aftrek van het voorarrest.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM)
De rechtbank legt ten slotte aan de verdachte een GVM op in de zin van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De rechtbank is van oordeel dat het van groot belang is dat recidive wordt voorkomen gezien de ernst van de feiten en de ernst van de persoonlijkheidsproblematiek en stoornissen. Oplegging van een GVM kan een bijdrage leveren aan het voorkomen van herhaling. De rechtbank overweegt dat ondanks dat een behandeling in het kader van een tbs-maatregel succesvol kan worden doorlopen, het op basis van de gestelde problematiek, stoornissen en de noodzaak tot langdurige behandeling van belang is dat tegen het einde van de tbs-maatregel opnieuw wordt bekeken wat er op dat moment (nog) nodig is in het kader van risicomanagement.
Deze maatregel houdt in dat de verdachte zich na de tbs-maatregel aan vrijheidsbeperkende en gedragsbeïnvloedende maatregelen moet houden. De verdachte zal daarbij onder langdurig toezicht staan van de reclassering, zodat het risico op herhaling wordt geminimaliseerd. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan, aangezien de tbs-maatregel wordt opgelegd en de oplegging van de maatregel naar het oordeel van de rechtbank in het belang is van de bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen. De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van die maatregel en het eventuele bepalen van specifieke voorwaarden zal in de laatste fase van de executie van de maatregel tbs met voorwaarden plaatsvinden. Een risicotaxatie van het dan nog aanwezige recidivegevaar dient in het kader van die beoordeling plaats te vinden.
Schorsing voorlopige hechtenis: verblijf in Justitiële Jeugdinrichting (JJI) tot aan opname
Als de verdachte in hoger beroep gaat, is er geen mogelijkheid om de opgelegde en dadelijk uitvoerbare tbs-maatregel met voorwaarden om te zetten in een tbs-maatregel met dwangverpleging als de verdachte zich niet houdt aan de voorwaarden (ECLI:NL:HR:2024:1729). Daarvoor moet het vonnis namelijk onherroepelijk zijn. Het is onwenselijk dat de verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij. Om dit te voorkomen, zal de rechtbank de voorlopige hechtenis schorsen en niet beëindigen. Deze schorsing dient als vangnet voor het geval de verdachte de dadelijk uitvoerbare voorwaarden overtreedt terwijl zij in hoger beroep is. De voorlopige hechtenis wordt geschorst met ingang van de datum dat de verdachte kan worden geplaatst in de overbruggingskliniek [kliniek] , dan wel een door DIZ aangewezen soortgelijke FPK of FHIC kliniek. Tot de tijd dat de verdachte terecht kan bij deze kliniek, acht de rechtbank het van groot belang dat zij verblijft in de [locatie] (ondanks de toepassing van het volwassenenstrafrecht) en niet onnodig zal worden overgeplaatst.
6. In beslag genomen voorwerpen
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert de onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen 33 tot en met 39 op de beslaglijst. Deze voorwerpen zijn volgens haar van zodanige aard dat bezit daarvan om strijd is met het algemeen belang gelet op de inhoud en omstandigheden waarin het is aangetroffen.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte heeft hierover geen standpunt ingenomen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen onder 33-36, 38 en 39, te weten:
(33) 1 STK Papier, PL0900-2025024148-3472383
(34) 2 STK Boek, PL0900-2025024148-3472384
(35) 1 STK Papier, PL0900-2025024148-3472392
(36) 1 STK Papier, PL0900-2025024148-3472395
(38) 1 STK Boek, PL0900-2025024148-3472401
(39) 1 STK Papier, PL0900-2025024148-3472402
onttrekken aan het verkeer. Gezien de inhoud zijn deze voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. De rechtbank merkt op dat er geen voorwerp onder nummer 37 op de beslaglijst staat.
7. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf, maatregelen en de beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
8. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3 en 4 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart de handelingen als genoemd onder feit 2 niet strafbaar, voor zover dit handelingen betreft die zijn gepleegd na het intreden van de dood van de dieren en ontslaat de verdachte voor die handelingen van alle rechtsvervolging;
- verklaart het bewezenverklaarde onder 1, voor het overige onder 2, 3 en 4 strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf en maatregel
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 391 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- gelast dat de verdachte voor de feiten 1 en 2 ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:
1. De verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat de verdachte:
• zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
• een of meer vingerafdrukken laat nemen en een geldig identiteitsbewijs laat zien. Dit is nodig om de identiteit van betrokkene vast te stellen.
• zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om betrokkene te helpen bij het naleven van de voorwaarden.
• de reclassering helpt aan een actuele foto waarop het gezicht van de verdachte herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.
• meewerkt aan huisbezoeken.
• de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
• zich niet vestigt op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
• meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, als dat van belang is voor het toezicht.
2. De verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
3. De verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribische deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
4. Time-out
Als de reclassering dat nodig vindt en de verdachte daarmee instemt, kan de betrokkene voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per
jaar.
5. Opname in een zorginstelling
De verdachte laat zich opnemen in FPK de Boog of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Eventueel laat de verdachte zich ter overbrugging opnemen in [kliniek] of een soortgelijke FPK of FHIC instelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
De opname start zodra er plek is bij de kliniek. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de
zorginstelling dat nodig vindt.
Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
6. Ambulante behandeling
De verdachte laat zich behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na de klinische behandeling. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de
behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
7. Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
De verdachte verblijft in een instelling voor beschermd/ begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Als dit nodig wordt geacht na de klinische opname zal dan het verblijf starten. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt.
De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
8. Drugsverbod
De verdachte gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd.
9. Alcoholverbod
De verdachte gebruikt geen alcohol, en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd.
10. Dagbesteding
De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan een gezond dag- en nachtritme.
11. Houdverbod dieren
De verdachte houdt geen huisdieren. De verdachte werkt mee aan controle hierop bij huisbezoeken door de Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn, de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit en de politie. Zodra de verdachte in een situatie verblijft waarin het houden van huisdieren tot de mogelijkheden behoort zal de reclassering melding doen bij de instanties verantwoordelijk voor de controle hierop.
- legt aan de verdachte op de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;
Beslag
- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
(33) 1 STK Papier, PL0900-2025024148-3472383;
(34) 2 STK Boek, PL0900-2025024148-3472384;
(35) 1 STK Papier, PL0900-2025024148-3472392;
(36) 1 STK Papier, PL0900-2025024148-3472395;
(38) 1 STK Boek, PL0900-2025024148-3472401;
(39) 1 STK Papier, PL0900-2025024148-3472402;
Voorlopige hechtenis
- schorst de voorlopige hechtenis met ingang van de datum dat de verdachte kan worden geplaatst in de overbruggingskliniek [kliniek] , dan wel een door DIZ aangewezen soortgelijke FPK of FHIC kliniek, onder dezelfde voorwaarden als die zijn verbonden aan de tbs-maatregel, zoals hiervoor weergegeven.
Tot het moment dat de verdachte terecht kan bij deze kliniek, acht de rechtbank het van groot belang dat de verdachte verblijft in de [locatie] en niet zal worden overgeplaatst.
Dit vonnis is gewezen door mr. H. den Haan, voorzitter, mr. S.M. van Meer en mr. T. van Haaren-Paulus, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026.
De oudste en jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na een op 24 juni 2025 toegestane vordering nadere omschrijving van de tenlastelegging ten laste gelegd dat zij:
1op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 26 september 2024, te Hilversum , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, zonder redelijk doel en/of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij een of meerdere dieren, te weten een of meerdere katten en/of egels,pijn en/of letsel heeft veroorzaakt en/of de gezondheid en/of het welzijn van die/dat dier(en) heeft benadeeld, door voornoemde dieren te misbruiken, te slaan, te steken, te taseren, te achtervolgen, met een stok te slaan en/of binnen te dringen, te onthoofden, te spiezen, te villen, open te snijden, te ontleden, de ingewanden er uit te halen, de poten en/of snuit er af te halen en/of snijden en/of (daardoor en/of vervolgens) te doden;
2op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 september 2024 tot en met 24 januari 2025, te Hilversum , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, zonder redelijk doel en/of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij een of meerdere dieren, te weten een of meerdere katten en/of egels,pijn en/of letsel heeft veroorzaakt en/of de gezondheid en/of het welzijn van die/dat dier(en) heeft benadeeld, door voornoemde dieren te misbruiken, te slaan, te steken, te taseren, te achtervolgen, met een stok te slaan en/of binnen te dringen, te onthoofden, te spiezen, te villen, open te snijden, te ontleden, de ingewanden er uit te halen, de poten en/of snuit er af te halen en/of snijden en/of (daardoor en/of vervolgens) te doden;
3op of omstreeks 24 januari 2025 te Hilversum , althans in Nederland, een of meer wapens van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten een ploertendoder en/of drie boksbeugels (waarvan een voorzien van een mes), en/of een wapen van categorie I, onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten een blank wapen, namelijk een armband voorzien van een verborgen mes, dat uiterlijk gelijkt op een ander voorwerp dan een wapen voorhanden heeft gehad;
4op of omstreeks 24 januari 2025 te Hilversum , althans in Nederland, een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een elektrisch stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.