[verzoekster] , uit [verzoekster] , verzoekster
V-nummer: [V-nummer]
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: R.E. Thijssen).
Inleiding
1. Bij besluit van 11 mei 2023 heeft de rechtsvoorganger van de minister bepaald dat verzoekster geen rechtmatig verblijf heeft. Verzoekster heeft op 12 december 2023 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij besluit van 6 februari 2025 heeft de minister dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekster heeft bij brief van 3 maart 2025 beroep ingesteld tegen het besluit van 6 februari 2025.
Bij brief van 1 juli 2025 heeft de minister kenbaar gemaakt dat hij het besluit van
6 februari 2025 intrekt en dat hij opnieuw op het bezwaar van 12 december 2023 zal beslissen. Hierop heeft verzoekster het beroep tegen het besluit van 6 februari 2025 ingetrokken en heeft zij verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten die zij heeft gemaakt. De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld om te reageren op dit verzoek. De minister heeft hierop niet gereageerd.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
4. In haar beroepschrift van 3 maart 2025 komt verzoekster onder meer op tegen het feit dat de minister haar niet heeft gehoord op haar bezwaarschrift van 12 december 2023. De minister heeft het besluit op 1 juli 2025 ingetrokken, met onder meer de toezegging dat hij verzoekster zal horen op haar bezwaarschrift. De rechtbank begrijpt dit aldus, dat de minister hiermee tegemoetgekomen is aan het beroepschrift van verzoekster.
5. Desondanks bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het beroepschrift is namelijk niet ingediend door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Verder is ook niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank wijst het verzoek af als kennelijk ongegrond.
6. De rechtbank wijst erop dat de minister wel gehouden is om het door verzoekster betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden.Verzoekster moet zich hiervoor wenden tot de minister.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.
De griffier is verhinderd om deze
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.