RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5801
(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: J.J. Grasmeijer).
Procesverloop
In het besluit van 30 januari 2024 (het primaire besluit) heeft het Uwv de aanvraag van eiser voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) afgewezen, omdat eiser per 12 juni 2023 minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht (22,35%). Het Uwv heeft zich hierbij mede gebaseerd op het rapport van de primaire arbeidsdeskundige van 29 januari 2024. Eiser heeft bezwaar tegen dit besluit gemaakt.
In het besluit van 26 juli 2024 (het bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, omdat eiser nog steeds minder dan 35% arbeidsongeschikt werd bevonden (17,31%).
Eiser heeft beroep tegen het bestreden besluit I ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2025 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het Uwv. Op deze zitting heeft de rechtbank het aanvullend beroepschrift van 25 maart 2025 toegelaten tot de procedure. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst en het Uwv in de gelegenheid gesteld om de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op het aanvullend beroepschrift te laten reageren. Verder heeft de rechtbank het Uwv gevraagd om een reactie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op het standpunt van eiser over de indexering van het maatmanloon.
Het Uwv heeft een schriftelijke reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 april 2025 en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 25 april 2025 ingebracht. Op 26 mei 2025 heeft eiser nog een aanvullend beroepschrift ingediend. Het Uwv heeft op 11 juni 2025 laten weten hierin geen aanleiding te zien om van standpunt te wijzigen.
De rechtbank heeft het beroep op 29 augustus 2025 op een tweede zitting behandeld. Hierbij waren eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het Uwv aanwezig. Op de zitting is met partijen afgesproken dat verzekeringsarts bezwaar en beroep [A] eiser op korte termijn op een spreekuur zou zien en hierover zou rapporteren.
Het Uwv heeft op 11 september 2025 een toelichting van een staf arbeidsdeskundige bezwaar en beroep met betrekking tot de indexering van het maatmanloon ingebracht.
Op 20 oktober 2025 heeft het Uwv een nieuw besluit op eisers bezwaar genomen (het bestreden besluit II). In dat besluit heeft het Uwv eiser alsnog per 12 juni 2023 een WIA-uitkering toegekend omdat eiser 65,82% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het Uwv heeft zich daarbij gebaseerd op een rapport en een nieuwe functionele mogelijkheden lijst (FML) van verzekeringsarts bezwaar en beroep, beiden van 18 september 2025, en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 2 oktober 2025.
Op 10 november 2025 heeft eiser beroepsgronden tegen het bestreden besluit II ingediend.
Partijen hebben de rechtbank laten weten akkoord te zijn met afdoening van de zaak zonder een nadere zitting. De rechtbank heeft bepaald dat die zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek hierna op 9 december 2025 gesloten.
De rechtbank heeft op 20 maart 2026 een tussenuitspraak gedaan waarin het Uwv in de gelegenheid is gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Het Uwv heeft in reactie op de tussenuitspraak schriftelijk verklaard geen gebruik te maken van deze gelegenheid.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 2 april 2026 gesloten.
Overwegingen
Tussenuitspraak
2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraken. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
3. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak geconcludeerd dat het bestreden besluit II in strijd met artikel 8, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) is genomen. Het Uwv heeft het maatmaninkomen van eiser ten onrechte geïndexeerd naar juni 2023. Omdat het arbeidsdeskundige onderzoek op 29 januari 2024 heeft plaatsgevonden had het Uwv bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid echter moeten uitgaan van het CBS-indexcijfer van december 2023. Dit is het cijfer dat uiterlijk bekend was ten tijde van het arbeidsdeskundige onderzoek. Het bestreden besluit II is dan ook gebrekkig.
Beoordeling
4. Het Uwv heeft de rechtbank meegedeeld dat hij geen gebruikt maakt van de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit II te herstellen. Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt dit besluit voor zover dit in strijd is met artikel 8, eerste lid, van het Schattingsbesluit. Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het Uwv het maatmaninkomen heeft geïndexeerd naar juni 2023. Voor het overige blijft het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat het Uwv geen nieuwe FML hoeft vast te stellen en ook niet opnieuw functies hoeft te duiden. Het Uwv moet wel het maatmaninkomen opnieuw indexeren uitgaande van het CBS-indexcijfer van december 2023 en moet voor dit gedeelte dus opnieuw op het bezwaar beslissen. Het Uwv moet ook onderzoeken of dit opnieuw geïndexeerde maatmaninkomen leidt tot een ander arbeidsongeschiktheidspercentage en als dat het geval is moet het Uwv ook daarover een nieuw besluit op het bezwaar nemen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
Griffierecht en proceskostenvergoeding
5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het Uwv aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 51,- vergoedt.
6. Verder veroordeelt de rechtbank het Uwv in de door eiser gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 4 punten op (2 punten voor het indienen van twee beroepschriften met een waarde per punt van € 934,- en 2 punten voor het verschijnen op de twee zittingen met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 3.736,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit II voor zover daarbij het maatmaninkomen is geïndexeerd per juni 2023;
- draagt het Uwv op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak het maatmaninkomen opnieuw vast te stellen en voor dit gedeelte een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.736,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.