ECLI:NL:RBMNE:2026:3135

ECLI:NL:RBMNE:2026:3135

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 20-05-2026
Datum publicatie 08-06-2026
Zaaknummer 16/306698-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Opiumwet. Vervoer 34 kg cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/306698-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 20 mei 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [2000] in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres: [adres] in [woonplaats] ,

gedetineerd in de penitentiaire inrichting [verblijfplaats] ,

hierna: de verdachte.

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 20 mei 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:

op 14 november 2025 in Driebergen-Rijssenburg in vereniging ongeveer 34.778,87 gram cocaïne opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of vervoerd.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.

Standpunt van de verdediging

De advocaat voert geen verweer over het bewijs.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De verdachte bekent dat zij de cocaïne heeft ingevoerd en vervoerd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Er is namens haar ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:

- de verklaring van de verdachte op de zitting van 20 mei 2026;

- een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] van 14 november 2025;

- een kennisgeving van inbeslagneming van 14 november 2025;

- een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van 19 november 2025;

- een proces-verbaal van bevindingen onderzoek telefoon van [verbalisant 4] van 30 november 2025.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

op 14 november 2025, te Driebergen-Rijssenburg, gemeente

Utrechtse Heuvelrug, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en heeft vervoerd ongeveer 34778,87 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

Eendaadse samenloop van:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid feit en de verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5. Straf

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar, met aftrek van het voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Als bijzondere voorwaarden zouden moeten gelden: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een dagbesteding en het meewerken aan het aflossen van schulden.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om maatwerk toe te passen en in het voordeel van de verdachte af te wijken van de LOVS-oriëntatiepunten. De advocaat heeft aangegeven dat de verdachte de voorkeur zou geven aan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 jaar, boven de straf die de officier van justitie eist. Dan zou de verdachte na 32 maanden voorwaardelijk in vrijheid kunnen worden gesteld. Als de verdachte tevens aan een resocialisatieprogramma mee kan doen, dan zou zij zelfs nog eerder in vrijheid kunnen worden gesteld. Daarbij heeft de advocaat gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die ook blijken uit het reclasseringsadvies. De verdachte heeft een zoontje en voor haar is het belangrijk dat zij samen met hem in het Moeder met Kindhuis kan worden geplaatst. Hier kan zij maximaal tot haar zoon 4 jaar wordt verblijven. Daarnaast voert de advocaat aan dat de verdachte een first offender is en slechts als koerier heeft gefungeerd. Tot slot wijst de advocaat op de open proceshouding van de verdachte en op haar bereidheid tot het accepteren van hulpverlening.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer en het vervoer van ruim 34,7 kilo cocaïne. De verdachte is in een auto naar Duitsland gereden om daar de partij cocaïne op te halen en vervolgens met de cocaïne in de kofferbak terug te rijden naar Nederland. De hoeveelheid cocaïne is zo groot dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Het op de markt brengen van harddrugs vormt een ernstige bedreiging van de volksgezondheid. Daarnaast wordt met de handel in cocaïne veel zwart geld verdiend en gaat deze handel gepaard met vele vormen van zware criminaliteit. Door het invoeren van zo’n grote hoeveelheid harddrugs draagt de verdachte bij aan de instandhouding van een keten van criminele activiteiten. Internationale drugshandel op deze schaal werkt bovendien ondermijnend op de samenleving. De verdachte heeft met al deze gevolgen kennelijk geen rekening gehouden en heeft zich uitsluitend laten leiden door persoonlijk financieel gewin. De rechtbank neemt dit de verdachte zeer kwalijk.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 31 maart 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een misdrijf is veroordeeld.

Verder houdt de rechtbank rekening met het reclasseringsadvies van 12 mei 2026 van Reclassering Nederland. Hieruit blijkt dat de reclassering het recidiverisico niet goed kan inschatten. Enerzijds is de verdachte first offender, maar anderzijds zijn diverse risicofactoren geconstateerd, zoals haar psychosociale functioneren, houding, financiële problemen en een negatief sociaal netwerk. De verdachte heeft echter sterke nadelige gevolgen ondervonden van haar strafbare handelen en haar staat mogelijk een lange detentie te wachten, wat een afschrikkende uitwerking lijkt te hebben. De verdachte lijkt naïef te hebben gehandeld en de gevolgen voor haar en haar kind niet goed te hebben overzien.

Complicerende factor in deze is dat de verdachte een acht maanden oude zoon heeft. Er is onderzoek gedaan door de Raad voor de Kinderbescherming naar een juiste verblijfplaats voor haar zoon indien de verdachte voor langere tijd gedetineerd raakt. Een kind mag tot vierjarige leeftijd in het Moeder met Kindhuis. Het is afhankelijk van de duur van de uiteindelijke gevangenisstraf of de verdachte en haar zoon hiervoor in aanmerking komen. Zowel de Raad voor de Kinderbescherming als de reclassering achten het in het belang van haar zoon dat hij bij de verdachte geplaatst wordt.

Op dit moment zijn er, volgens de raadsonderzoeker, geen mogelijkheden voor opvang van het jongetje binnen de familie of het sociale netwerk van de verdachte. Hij zal, indien hij niet bij moeder in detentie kan verblijven, afhankelijk zijn van reguliere pleegzorg door een pleeggezin. Dit zal aanzienlijke negatieve gevolgen hebben voor de hechtingsrelatie tussen de verdachte en haar zoon. Het risico is aanwezig dat de zoon van de verdachte verder zal opgroeien in een pleeggezin en niet meer teruggeplaatst wordt bij de verdachte als zij uit detentie komt.

De reclassering adviseert bij een veroordeling een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, dagbesteding en het meewerken aan het aflossen van schulden.

Strafkader

Omdat sprake is van eendaadse samenloop van invoer en vervoer van cocaïne, past de rechtbank de zwaarste strafbepaling toe bij de straftoemeting, namelijk invoer van harddrugs. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het uitgangspunt bij het invoeren van meer dan 20 kilo harddrugs is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van minimaal 5 jaar. De rechtbank heeft ook gekeken naar de straffen die andere rechtsprekende instanties hebben opgelegd in soortgelijke zaken. Op basis hiervan komt de rechtbank tot de conclusie dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend is.

De rechtbank heeft bij de vaststelling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De rechtbank betrekt bij haar oordeel niet alleen de hoeveelheid cocaïne, maar ook de rol en de persoon van de verdachte. Ook houdt de rechtbank rekening met de proceshouding van de verdachte. Op de zitting heeft de verdachte bekend en in zoverre openheid van zaken gegeven. Er is in deze zaak geen enkele aanwijzing dat de rol van de verdachte een andere is geweest dan die van alleen koerier. Een koerier is niet degene die de grote winst opstrijkt van een dergelijk drugstransport. Organisaties die achter dergelijke transporten zitten, maken vaak misbruik van personen die makkelijk beïnvloedbaar en/of financieel kwetsbaar zijn, door hen een manier te bieden om snel geld te verdienen. Tegelijkertijd is de koerier de persoon die de grootste risico’s loopt en de grootste kans heeft om in de gevangenis te belanden.

Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf houdt de rechtbank, tot slot, rekening met het belang van het kind van de verdachte. Zowel de Raad voor de Kinderbescherming als de reclassering vinden het in het zijn belang dat hij bij zijn moeder geplaatst kan worden. De rechtbank houdt daarom rekening met een e-mail van de casemanager van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte overgeplaatst mag en kan worden naar het Moeder met Kindhuis als het strafrestant niet langer dan 3 jaar is.

Conclusie

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 3 jaar, met aftrek van het voorarrest, passend is en zal deze straf dan ook aan de verdachte opleggen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen en daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden. In het kader van een eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden beoordeeld welke hulp op dat moment het beste aansluit bij de persoonlijke omstandigheden en behoeften van de verdachte. De rechtbank zal daarom een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Tenuitvoerlegging van de straf

De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

6. In beslag genomen voorwerpen

Onder de verdachte zijn volgens de ter zitting overhandigde beslaglijst de volgende goederen inbeslaggenomen:

De rechtbank merkt op dat op de beslaglijst de inbeslaggenomen telefoon ontbreekt, te weten een zwarte Apple iPhone ( […] , BZAU1348). Dit toestel was ten tijde van de zitting nog niet aan de verdachte teruggegeven.

Daarnaast merkt de rechtbank op dat op de beslaglijst de inbeslaggenomen opslagbak en winkeltas, met voorwerpnummers BZAU1344 en BZAU1343, ontbreken. Een kennisgeving van inbeslagneming bevindt zich in het procesdossier.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank:

de verdovende middelen zal onttrekken aan het verkeer;

de opslagbak en de winkeltas verbeurd zal verklaren;

zal gelasten dat de telefoon wordt teruggegeven aan de verdachte;

zal gelasten dat de haar wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

Standpunt van de verdediging

De advocaat heeft ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal bepalen dat de onder de verdachte in beslag genomen verdovende middelen worden onttrokken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.

De rechtbank zal de bij het vervoer van drugs gebruikte en onder de verdachte in beslag genomen opslagbak en winkeltas verbeurd verklaren, omdat de cocaïne hierin is vervoerd.

De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de telefoon, omdat deze niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de in beslag genomen haar, omdat deze niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

7. Toegepaste wetsartikelen

De beslissing is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

8. De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

beslag

- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:

- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:

- gelast de teruggave aan de verdachte van het volgende voorwerp:

 telefoontoestel, Apple iPhone, zwart ( […] , BZAU1348);

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het volgende voorwerp:

1 STK haar (BZAU1370).

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Ourahma, voorzitter, mr. J.G. van Ommeren en mr. T.C.P. Christoph, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Veenschoten als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij, op of omstreeks 14 november 2025, te Driebergen-Rijssenburg, gemeente

Utrechtse Heuvelrug, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of

meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van

Nederland heeft gebracht en/of opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt

en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk

geval opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 34778,87 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het

vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand