RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/601869 / FL RK 25-1110
Gezag na voogdij
Beschikking van 26 mei 2026
in de zaak van:
[ouder 1] ,
en
[ouder 2] ,
wonend in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de ouders,
advocaat mr. E. Lucas,
tegen
[opa moederzijde] ,
wonend in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: opa moederszijde.
1. De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de ouders (met bijlagen), binnengekomen op 16 oktober 2025;
het bericht van de ouders (met bijlagen) van 11 november 2025.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 13 april 2026. Daarbij waren aanwezig: de ouders, de voogd, en [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
De rechtbank heeft de minderjarige [minderjarige] , de dochter van de ouders, niet gevraagd wat zij van het verzoek vindt. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.
2. Waar de procedure over gaat
De ouders hebben een relatie met elkaar.
De vader heeft op 25 oktober 2022 de ongeboren vrucht erkend.
Deze rechtbank heeft op 23 februari 2023 opa moederszijde als voogd over het ongeboren kind [naam] benoemd.
Op [geboortedatum] 2023 is in [geboorteplaats] het kind van de ouders geboren: [minderjarige]. [minderjarige] woont bij de ouders.
De ouders willen dat de voogdij wordt beëindigd en verzoeken om hen samen met het gezag over [minderjarige] te belasten. Opa moederszijde is het hier mee eens.
3. De beoordeling
Bevoegdheid van de rechtbank
De rechtbank is bevoegd om een beslissing te nemen op het verzoek van de ouders, omdat opa moederszijde de bevoegdheid van deze rechtbank heeft geaccepteerd.
De beslissing
De rechtbank wijst het verzoek van de ouders toe en legt hierna uit waarom.
De rechtbank kan - wanneer de grond van onbevoegdheid is vervallen - op verzoek van de ouders hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten, tenzij het belang van het kind zich hiertegen verzet.
In het geval van de ouders was de grond voor onbevoegdheid het feit dat de moeder ten tijde van de geboorte van [minderjarige] minderjarig was. De rechtbank stelt vast dat deze grond is komen te vervallen, want de moeder is meerderjarig. Verder is de rechtbank, met de Raad, van oordeel dat het belang van [minderjarige] zich niet verzet tegen het belasten van de ouders met het gezag over haar. [minderjarige] heeft sinds haar geboorte bij de ouders gewoond en opa moederszijde (de voogd) heeft altijd een rol op afstand gespeeld en geen zorgtaken gehad, anders dan het zijn van opa voor [minderjarige] .
Omdat de erkenning door de vader voor 1 januari 2023 heeft plaatsgevonden, heeft hij op dit moment geen gezag over [minderjarige] . De rechtbank zal daarom het verzoek van de ouders toewijzen en hen gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] belasten. Dit betekent dat opa moederszijde wordt ontslagen als voogd over [minderjarige] .
De uitvoerbaarheid bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
De kosten van deze procedure
De rechtbank zal beslissen dat iedere ouder de eigen proceskosten betaalt, omdat zij geen reden ziet om één van de ouders in de proceskosten te veroordelen.
4. De beslissing
De rechtbank:
belast de ouders met ingang van vandaag met het gezag over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ;
ontslaat [opa moederzijde] , geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] als voogd over [minderjarige] ;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten betalen.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. D. van Bloemendaal, (kinder)rechter in samenwerking met mr. J.J. Terpstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.