RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12190141 \ UV EXPL 26-95
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 29 mei 2026
in de zaak van
TIVOLI REAL ESTATE B.V.,
gevestigd in Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: Tivoli of de verhuurder,
gemachtigde: mr. L.A. Drenth,
tegen
[gedaagde] ,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. G.S. Geurts.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht.
De zaak wordt behandeld door mr. M.S. Koppert, kantonrechter, bijgestaan door mr. W.A.C. van der Hek als griffier.
Aanwezig zijn:
- [A] en [B] namens Tivoli
- mr. L.A. Drenth
- [gedaagde]
- mr. G.S. Geurts.
Partijen hebben op de mondelinge behandeling hun standpunten toegelicht en de gemachtigden hebben pleitnota’s voorgedragen. Partijen hebben op elkaars standpunten kunnen reageren en vragen van de kantonrechter beantwoord. Vervolgens heeft de kantonrechter de mondelinge behandeling gesloten en na een schorsing heeft de kantonrechter in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.
1. De kern van de zaak
Tussen partijen is eind mei 2025 een huurovereenkomst gesloten op basis waarvan Tivoli aan [gedaagde] een onzelfstandige woonruimte verhuurt in [plaats] aan de [adres] (intern genummerd: kamer [nummer] ). In de huurovereenkomst is bepaald dat het een huurovereenkomst voor bepaalde tijd is, lopend van 1 juni 2025 tot en met 31 mei 2026. In haar brief van 2 maart 2026 heeft [beheerder] , die optreed als beheerder namens Tivoli, aan [gedaagde] laten weten dat de huurovereenkomst op 31 mei 2026 eindigt. [gedaagde] heeft Tivoli laten weten dat hij niet akkoord gaat met het eind van de huurovereenkomst. In deze procedure vordert Tivoli ontruiming van het gehuurde. Tivoli stelt dat zij op grond van artikel 7:271 BW en artikel 1 sub a van het Besluit specifieke groepen tijdelijke huurovereenkomst (hierna: het Besluit), een tijdelijke huurovereenkomst is aangegaan met [gedaagde] . [gedaagde] voert aan hij niet onder het besluit valt.
2. De beoordeling
De ontruiming wordt afwezen. Dat wordt als volgt toegelicht.
Het komt in deze zaak aan op de uitleg van artikel 1 sub a van het Besluit. De vraag is of [gedaagde] onder dit artikel valt en of hij dus kan worden aangemerkt als een student die tijdelijk in een andere gemeente wilde wonen en studeren. Dat is niet het geval, want hij woonde en studeerde al twee jaar in Utrecht en was toen hij de huurovereenkomst sloot ook voornemens om in Utrecht te blijven studeren. Hij start in september 2026 met een Master opleiding in Utrecht. Het besluit geeft een regeling voor studenten die tijdelijk elders willen studeren. Dat is niet de situatie van [gedaagde] . De voorlopige conclusie is dan dat het besluit niet op [gedaagde] van toepassing is. Dit is de meest voor de hand liggende uitleg van het besluit. De uitleg van de verhuurder dat het alleen zou gaan om het geval dat een student oorspronkelijk uit een andere gemeente komt ligt niet voor de hand.
De verhuurder stelt zich op het standpunt dat het [gedaagde] bij het aangaan van de overeenkomst duidelijk is geweest dat het van belang was dat hij buiten de gemeente Utrecht woonde. Dit is door [gedaagde] gemotiveerd betwist en dit is dus niet voldoende aannemelijk gemaakt. Deze procedure is niet geschikt voor het leveren van bewijs. Dat moet in een eventuele bodemprocedure.
Het is op dit moment onvoldoende aannemelijk dat [gedaagde] wist van het belang van zijn woonplaats en op de hoogte was van de werking van het Besluit. Nu is alleen aannemelijk geworden dat de verhuurder uit is gegaan van het adres in Bilthoven dat vermeld stond op het inschrijvingsbewijs van de Universiteit Utrecht. Dat de verhuurder expliciet heeft gevraagd waar [gedaagde] woonde op het moment dat de huurovereenkomst gesloten werd, is niet gebleken. Ook hiervoor geldt dat dit een bodemprocedure eventueel verder kan worden uitgezocht.
Dit alles leidt ertoe dat het niet aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de huurovereenkomst met [gedaagde] onder het besluit valt. En dat betekent dat er dus waarschijnlijk in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat er geen tijdelijke huurovereenkomst in de situatie van [gedaagde] aangegaan kon worden.
De conclusie is dan ook dat de vordering tot ontruiming wordt afgewezen.
Tivoli is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.009,00
3. De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt Tivoli in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Tivoli niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.