RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/163925-24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 juni 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2001] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres: [adres] , [woonplaats] ,
gedetineerd in de [verblijfplaats] ,
hierna: de verdachte.
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 20 mei 2026. Het onderzoek is gesloten op 10 juni 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De beschuldiging over feit 1 is op de zitting gewijzigd. De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
in of omstreeks de periode van 31 juli 2023 tot en met 29 juli 2025 in Hilversum en/of Hardenberg, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft belaagd (‘gestalkt’);
feit 2
in of omstreeks de periode van 29 augustus 2024 tot en met 29 januari 2025 in Hardenberg en/of Zwolle, [slachtoffer 3] heeft belaagd;
feit 3
in of omstreeks de periode van 15 november 2023 tot en met 23 maart 2025 in [woonplaats] , [slachtoffer 4] heeft belaagd;
De volledige tekst van de gewijzigde beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis.
3. Ontvankelijkheid van de officier van justitie
De officier van justitie en de verdediging hebben aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte ten aanzien van [slachtoffer 2] (feit 1). Hij heeft namelijk geen aangifte gedaan en ook geen klacht ingediend.
De rechtbank stelt vast dat het dossier geen aangifte van [slachtoffer 2] bevat. Uit het dossier is ook niet gebleken dat door hem een klacht over de verweten stalking is ingediend. Gelet hierop, oordeelt de rechtbank dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte, voor zover die ziet op de belaging (hierna: stalking) van [slachtoffer 2] .
4. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte alle drie de feiten heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van alle feiten.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen feiten 1, 2 en 3
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1, 2 en 3 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage 2 van dit vonnis staan.
Bewijsoverwegingen
Inleiding
De verdachte wordt verdacht van belaging (ook wel: stalking) van [slachtoffer 1] (feit 1), [slachtoffer 3] (feit 2) en [slachtoffer 4] (feit 3). Hij heeft de verweten feitelijke gedragingen - het herhaaldelijk contact zoeken met de slachtoffers - voor alle drie de tenlastegelegde feiten bekend. Dit deed hij onder meer door het sturen van e-mails, ongevraagd langskomen en het versturen van berichten via onder andere WhatsApp en Instagram. De rechtbank moet beoordelen of deze handelingen als belaging in de zin van de wet kunnen worden aangemerkt. Eerst wordt het juridisch kader geschetst, waarna per feit besproken wordt of sprake is van belaging in juridische zin.
Juridisch kader
Van belaging als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht is sprake wanneer iemand opzettelijk een ander herhaaldelijk lastig valt en daarmee een inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van die persoon. Daarbij zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Een dader moet met zijn gedragingen het oogmerk hebben om het slachtoffer te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel het slachtoffer vrees aan te jagen.
Laatste woord van de verdachte
De verdachte heeft op de zitting een deel van zijn 22 pagina’s tellende laatste woord voorgelezen aan de rechtbank. Hij verzoekt daarin om vrijspraak. Een deel van dit laatste woord is ook tijdens het bespreken van de feiten en persoonlijke omstandigheden aan bod gekomen. De rechtbank heeft het geheel voor het bepalen van dit vonnis gelezen. De rechtbank leest in die verklaring van de verdachte, kortgezegd, dat het inspireren van anderen met zijn transformatie zijn persoonlijke missie is geworden. De verdachte zegt te beseffen dat de manier waarop hij steeds weer contact heeft gezocht met slachtoffers niet goed is geweest. Hij wilde antwoorden en erkenning krijgen: dit was de steeds weer de hardnekkige kern van het veelvuldig contact zoeken.
Feit 1: stalking [slachtoffer 1]
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte vanaf 31 juli 2023 veelvuldig en op diverse manieren contact heeft gezocht met aangever [slachtoffer 1] , terwijl aangever meermalen duidelijk had gemaakt geen contact te willen. De verdachte stuurde via WhatsApp en mail vele berichten en foto’s, hij verscheen (onaangekondigd) diverse keren op locaties waar [slachtoffer 1] aanwezig was, liet persoonlijke spullen zoals zijn rijbewijs achter in de brievenbus bij het pand van aangever en benaderde vele zakelijke en privécontacten rondom aangever. Aan de verdachte is op diverse momenten op onmiskenbare wijze duidelijk gemaakt dat hij geen contact meer mocht opnemen, dat hij niet welkom was in de buurt van aangever en dat hij aangever met rust moest laten. Er heeft een stopgesprek met de politie plaatsgevonden en aan de verdachte is een contactverbod opgelegd in het kader van zijn schorsing van de voorlopige hechtenis. Desondanks gingen de contactpogingen – ook vanuit detentie – door, tot 29 juli 2025. De verdachte heeft zelf op de zitting verklaard dat hij te ver is gegaan in het blijven benaderen van aangever. Zijn uitingen in mails, zo zegt de verdachte, waren te emotioneel en hij had ze niet zo mogen versturen.
De rechtbank oordeelt dat sprake was van een stelselmatige en wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangever. De vele en diverse pogingen van de verdachte in contact te komen met het slachtoffer, maken dat het slachtoffer niets anders kon dan die pogingen te dulden. Het slachtoffer had geen andere keus dan deze wijze van contact zoeken te ondergaan. Daarmee heeft verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde belaging.
Feit 2: stalking [slachtoffer 3]
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte vanaf 29 augustus 2024 tot en met 28 januari 2025 veelvuldig en op allerlei manieren – via WhatsApp, Instagram, Telegram, SMS en telefonisch – contact heeft gezocht met aangeefster. Hoewel uit het dossier niet volgt dat aangeefster expliciet aan de verdachte heeft gezegd dat hij moest stoppen met zijn contactpogingen en dat zij daar niet van gediend was, heeft aangeefster wel verklaard dat zij al vanaf begin 2023 niet meer heeft gereageerd op de berichten van de verdachte.
De verdachte bleef desondanks voortdurend en op indringende manieren contact met haar zoeken, ook nadat de verdachte door aangeefster was geblokkeerd op WhatsApp en de verdachte in september 2024 vanuit zijn eigen kringen te horen heeft gekregen dat aangeefster geen contact wenste. De verdachte heeft hierover bovendien op zitting gezegd: als iemand niet reageert, is het wel duidelijk.
De rechtbank oordeelt dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van deze gedragingen, de omstandigheden waaronder zij hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven van aangeefster naar objectieve maatstaven bezien - zodanig zijn geweest dat sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. Daarbij wijst de rechtbank mede op de indringende aard van de inhoud van sommige berichten, zoals zijn mededeling dat hij zelfmoord zou plegen en dat aangeefster hem daarbij succes moest wensen.
De verdachte heeft, door berichten te versturen met een dergelijke inhoud en in een dergelijke frequentie, het oogmerk gehad aangeefster te dwingen deze wijze van contact zoeken te dulden. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde belaging.
De advocaat stelt dat de verdachte niet ondubbelzinnig heeft erkend alle in de aangifte genoemde berichten te hebben verzonden, met name niet de 23 sms-berichten van 28 januari 2025, en dat vrijspraak moet volgen nu de berichten niet als bijlage zijn opgenomen bij de aangifte of elders in het dossier. Voor een bewezenverklaring is echter niet vereist dat de verdachte ondubbelzinnig erkent dat hij deze berichten heeft verstuurd. Uit de bewijsmiddelen blijkt genoegzaam dat hij in de ten laste gelegde periode via verschillende applicaties/diensten berichten aan aangeefster heeft gestuurd.
Feit 3: stalking [slachtoffer 4]
Periode
In de beschuldiging van feit 3 is als pleegperiode 15 november 2023 tot en met 23 maart 2025 opgenomen. De officier van justitie heeft op de zitting aangegeven dat het jaartal 2023 onjuist is, en dat het moet gaan om het jaartal 2024. Volgens de officier van justitie moet dit worden gezien als een kennelijke verschrijving. De verdediging heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft daarom als uitgangspunt genomen dat de tenlastelegging ziet op de periode 15 november 2024 tot en met 23 maart 2025.
Na een ontmoeting in november 2023 bij aangever [slachtoffer 4] thuis, ontvangt de aangever via Instagram allerlei berichten van de verdachte. En alhoewel de aangever daar, als bekende artiest met fans, in eerste instantie geen kwaad in ziet, ontvangt hij vanaf november 2024 vele berichten die hem wel degelijk angstig maken, en die hij vervelend en zorgelijk vindt. De verdachte stuurt berichten over een wapenstilstand, het inleveren van BB guns bij de politie, dat er een vredespact gesloten moest worden en dat hij dertig dagen in de gevangenis had gezeten. Ook verschijnt de verdachte weer aan zijn thuisadres,
Het blijkt de aangever ook dat zijn assistent benaderd wordt. Die assistent verklaart bovendien dat hij de verdachte al in november 2022 heeft weggestuurd bij de woning van aangever en vervolgens meerdere berichten en foto’s van de verdachte heeft gekregen. Ook wordt de assistent van aangever telefonisch benaderd door de verdachte.
De handelingen van de verdachte vormen, in samenhang bezien, een stelselmatige en opzettelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangever. De verdachte bleef herhaaldelijk en op indringende wijze contact zoeken, hoewel het voor hem duidelijk moest zijn, mede gezien de strekking van zijn berichten die bepaald niet als ‘normale fanmail’ zijn te kenmerken, dat aangever geen contact wenste. Desondanks probeerde hij dit contact af te dwingen door de woning van aangever te bezoeken en berichten aan zowel aangever als zijn persoonlijke assistent te sturen.
De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde belaging.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1:
op meerdere tijdstippen in de periode van 31 juli 2023 tot en met 29 juli 2025 te Hilversum en Hardenberg, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten van [slachtoffer 1] , door
- vanaf verschillende telefoonnummers via whatsapp een grote hoeveelheid berichten te sturen aan die [slachtoffer 1] en het netwerk van die [slachtoffer 1]
- ( daarbij) een grote hoeveelheid, e-mailberichten, te sturen aan die [slachtoffer 1] en het netwerk van die [slachtoffer 1]
- ( daarbij) foto's van zichzelf of pakketten te sturen aan die [slachtoffer 1]
- ( daarbij) meermalen ongevraagd langs te komen op het kantoor van [bedrijf] en een sportschool [naam 1] en/of
- ( daarbij) ongevraagd locatiegegevens te sturen aan het netwerk van die [slachtoffer 1] en
- ( daarbij) verzoeken te doen een gemaakte documentaire en businessplan te bekijken en
- een rijbewijs af te leveren in de brievenbus van het kantoorpand van die [slachtoffer 1] ,
met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dwingen iets te dulden;
feit 2:
in de periode van 29 augustus 2024 tot en met 28 januari 2025 te Hardenberg, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 3] , door
- meermaals via whatsapp, sms, Telegram en via Instagram een grote hoeveelheid, berichten te sturen aan die [slachtoffer 3] met de strekking aan die [slachtoffer 3] te verzoeken contact op te nemen, zelfmoord te willen plegen en antwoorden op vragen te krijgen, en
- meermaals vanaf verschillende telefoonnummers te bellen en voicemailberichten in te spreken met de strekking aan die [slachtoffer 3] te vragen contact op te nemen, met het oogmerk die [slachtoffer 3] te dwingen iets te dulden;
feit 3:
in de periode 15 november 2024 tot en met 23 maart 2025 te [woonplaats] , gemeente Lochem, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 4] , door aan die [slachtoffer 4] en de persoonlijk assistent van die [slachtoffer 4]
- veelvuldig berichten te sturen via Instagram en WhatsApp inhoudende - zakelijk weergegeven - dat er wapens moeten worden ingeleverd en dat er een wapenstilstand wordt ingelast en dat er een vredespact wordt gesloten en met de strekking die [slachtoffer 4] te verzoeken contact op te nemen en
- bij de woning van die [slachtoffer 4] langs te gaan en
- meermalen te bellen,
met het oogmerk die [slachtoffer 4] , te dwingen iets te dulden.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
5. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1, feit 2 en feit 3: belaging
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
6. Straf en maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaar, met aftrek van het voorarrest.
De officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte wordt opgelegd:
tbs met dwangverpleging, gemaximeerd;
de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid van de verdachte voor de duur van vijf jaren, inhoudende:
een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een locatieverbod voor Hilversum ,
een contactverbod met [slachtoffer 3] en een locatieverbod voor Hardenberg ;
een contactverbod met [slachtoffer 4] en een locatieverbod voor [plaats] ;
met één week hechtenis voor de eerste keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, twee weken hechtenis voor de tweede keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, oplopend met steeds een week hechtenis erbij voor iedere nieuwe overtreding, tot een maximum van zes maanden.
- een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex art. 38z Sr.
De officier van justitie eist dat de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid van de verdachte direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank rekening te houden met zijn persoonlijke omstandigheden en verminderde toerekeningsvatbaarheid. Zij stelt dat het opleggen van een tbs-maatregel met dwang disproportioneel is, gezien de ten laste gelegde feiten, waarbij geen sprake is van (bedreiging met) geweld. Daarnaast wijst zij erop dat de verdachte al geruime tijd in voorarrest zit en dat de wachttijd voor plaatsing in een tbs-kliniek gemiddeld twee jaar bedraagt.
De advocaat heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de verdachte zijn straf ruimschoots in voorlopige hechtenis heeft uitgezeten. De straf die wordt opgelegd zou hooguit enkele maanden moeten zijn, althans ten hoogste van het voorarrest.
Tot slot verzoekt de advocaat geen locatieverbod voor geheel Hardenberg op te leggen, omdat de ouders van de verdachte daar wonen en hij na zijn detentie bij hen zal verblijven in afwachting van een nieuwe woning. Een locatieverbod beperkt tot de straat van het slachtoffer is voldoende.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf en maatregel(en) houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van [slachtoffer 1] (bijna twee jaar), [slachtoffer 3] (vijf maanden) en [slachtoffer 4] (vier maanden).
Belaging, ‘stalking’, is een ernstig feit omdat de verdachte daarmee een ongewenste claim op het persoonlijk leven van het slachtoffer legt. Het is een feit van algemene bekendheid dat belaging, vooral als die langere tijd voortduurt, het leven van een slachtoffer in negatieve zin kan gaan beheersen. Op die manier worden slachtoffer ernstig aangetast in hun vrijheid en persoonlijke levenssfeer.
De verdachte heeft gedurende langere tijd op intensieve en indringende manieren geprobeerd contact te leggen met zijn slachtoffers. Bij [slachtoffer 1] duurde dit het langst. De aangever moest voortdurend over zijn schouder kijken uit angst voor een confrontatie met de verdachte. Dit leidde tot voortdurende gevoelens van machteloosheid, onzekerheid en onveiligheid, met onder andere stress en slaaptekort als gevolg. De verdachte heeft [slachtoffer 1] en personen uit zijn netwerk meerdere keren opgezocht en aangesproken, ondanks dat duidelijk was gemaakt dat het slachtoffer geen contact wilde. Er vond een stopgesprek plaats, er werd aangifte gedaan en hij kreeg tijdens de voorlopige hechtenis maar liefst zes schorsingskansen, waarbij hij telkens werd gewaarschuwd geen contact met het slachtoffer op te nemen. Ondanks deze waarschuwingen zocht hij herhaaldelijk toch contact, zelfs als dat betekende dat hij opnieuw in hechtenis werd genomen.
De grote impact van het gedrag van de verdachte blijkt uit de verschillende aangiftes en vooral uit de schriftelijke slachtofferverklaring die namens [slachtoffer 3] door de officier van justitie is voorgelezen. Daarin is helder verwoord hoe het gevoel van onrust, veroorzaakt door de angst voor een ongewenst weerzien met de verdachte en het ontvangen van telefoontjes en berichten – zelfs toen de verdachte in detentie zat – de persoonlijke vrijheid en levenssfeer van het slachtoffer ernstig heeft aangetast.
Ook [slachtoffer 4] heeft door het gedrag van de verdachte een tijdlang in angst moeten leven. Angst voor een ontmoeting met de verdachte, angst voor zijn naasten en angst voor het ongewisse over wat de verdachte zou kunnen doen.
Hoewel de verdachte erkent dat hij in sommige situaties te ver is gegaan, stelt hij tot in zijn laatste woord dat hij uit emotie handelde, dat hem zelf ook onrecht is aangedaan en dat hij slechts ‘antwoorden’ wilde. Er is geen sprake van berouw of schuldbesef bij de verdachte, wat het gevoel van veiligheid bij de slachtoffers niet ten goede komt. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij haar oordeel over de gevorderde tbs-maatregel met dwangverpleging.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:
- het strafblad van de verdachte van 4 april 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld;
- een pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum van 28 januari 2026;
- een reclasseringsadvies van 26 maart 2026, uitgebracht door Reclassering Nederland.
Pro Justitia rapportage
De psycholoog en de psychiater van het Pieter Baan Centrum concluderen dat bij de verdachte sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline, narcistische en histrionische kenmerken. Het gaat daarbij om een combinatie van kenmerken, zonder dat één specifieke trek centraal staat. De persoonlijkheidsstoornis was aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde. De psycholoog en de psychiater adviseren het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De psycholoog en de psychiater geven aan dat de verdachte met betrekking tot alle ten laste gelegde feiten nog steeds de overtuiging heeft dat hij iets goed heeft gedaan en hem niets te verwijten valt. Dit als gevolg van een ontbrekend ziektebesef.
Zowel de psycholoog als de psychiater schatten het risico dat de verdachte de aangevers – of een nieuw slachtoffer – opnieuw gaat stalken als hoog in. Het strafbaar handelen van de verdachte wordt namelijk in belangrijke mate beïnvloed door zijn persoonlijkheidsstoornis waarbij in hoge mate sprake is van volharding. Het risico dat de verdachte zich opnieuw niet houdt aan voorwaarden wordt ook als hoog ingeschat. Het risico op geweld als escalatie van belaging wordt niet als direct risico gezien. Er is namelijk geen documentatie van agressief gedrag. Wel bestaat een hoog risico op psychosociale schade bij de verdachte zelf als gevolg van de frustraties en teleurstelling die het belagen opleveren (bijvoorbeeld wanneer het willen herstellen van een band of relatie telkens niet lukt).
Gezien de ernstige pathologie, de doorwerking in het tenlastegelegde en het hoge risico op herhaling van delictgedrag, adviseren de psycholoog en de psychiater om een langdurende gedwongen behandeling op te leggen om het risico op delictgedrag duurzaam te verminderen. De noodzakelijke behandeling kan goed worden vormgegeven in een tbs met dwangverpleging. Minder vergaande alternatieven worden niet haalbaar geacht, vanwege de complexe persoonlijkheidsstoornis, een ontbrekend ziektebesef, het gebrek aan inzicht en het ontbreken van elke motivatie voor behandeling.
De psycholoog en de psychiater adviseren alles overwegend om de behandeling op te leggen in het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging.
Reclasseringsrapport
De reclassering concludeert, net als de psycholoog en de psychiater, dat het bij de verdachte ontbreekt aan behandelmotivatie. Hij kan en wil zich niet houden aan bijzondere voorwaarden. Omdat betrouwbare samenwerking en instemming met voorwaarden essentieel zijn voor tbs met voorwaarden, ziet de reclassering geen mogelijkheid om voor een dergelijke maatregel een werkbaar plan van aanpak op te stellen.
Gelet op de wens van de slachtoffers om aan de verdachte een contact- en locatieverbod op te leggen, en omdat de verdachte deze gedurende de schorsing van de preventieve hechtenis, voortdurend heeft overtreden, adviseert de reclassering – bij een veroordeling tot een tbs-maatregel – om aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. Deze maatregel zorgt ervoor dat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden, ook na de (gemaximeerde) tbs of gevangenisstraf kunnen worden toegepast.
Verminderde toerekenbaarheid
In de hiervoor genoemde rapportage van de psychiater en de psycholoog wordt geadviseerd het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Nu de conclusies van de psychiater en de psycholoog gedragen worden door hun bevindingen, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in verband waarmee hij in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht. Ook hiermee houdt de rechtbank dus rekening bij het bepalen van de straf en maatregel.
De op te leggen straf
Gelet op de aard, de ernst en de duur van de feiten oordeelt de rechtbank dat een langdurige gevangenisstraf passend en geboden is. Bij het bepalen van de hoogte hiervan heeft de rechtbank gelet op straffen die voor soortgelijke zaken worden opgelegd.
De rechtbank zal aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van één jaar opleggen, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. De feiten rechtvaardigen een gevangenisstraf van lange duur, maar de rechtbank heeft ook rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld en het bewezenverklaarde in verminderde mate aan hem is toe te rekenen.
De rechtbank komt, gelet op het voorgaande, en omdat de rechtbank uitgaat van een ander uitgangspunt op basis van vergelijkbare zaken, uit op een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist.
De opgelegde gevangenisstraf is korter dan de tijd die de verdachte al in detentie heeft doorgebracht. Dat de verdachte langere tijd in voorlopige hechtenis heeft gezeten komt vooral door zijn zeer hardnekkige (delict)gedrag, waarbij hij steeds opnieuw zijn schorsingsvoorwaarden overtrad – zelfs vanuit de gevangenis – door opnieuw contact met slachtoffers te zoeken. Hierdoor moest hij telkens weer terug in de gevangenis en bleek de noodzaak tot een onderzoek naar de persoon van de verdachte. Omdat hiervoor ook een opname in het PBC nodig was, heeft dit onderzoek enige tijd in beslag genomen.
De op te leggen maatregelen
De tbs-maatregel met dwangverpleging
De officier van justitie heeft tbs met dwangverpleging gevorderd. De rechtbank overweegt dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een tbs-maatregel is voldaan, namelijk dat:
sprake is van een misdrijf dat is genoemd in artikel 37a eerste lid onder 2 van het Wetboek van Strafrecht;
is vastgesteld dat bij de verdachte ten tijde van het delict sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens;
de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel vereist (gevaarscriterium);
de rechtbank beschikt over adviezen van gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht.
Ter toelichting geldt het volgende.
Een misdrijf genoemd in artikel 37a, eerste lid en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht:
De rechtbank stelt vast dat de bewezen verklaarde belaging een misdrijf is waarvoor op grond van artikel 37a eerste lid onder 2 van het Wetboek van Strafrecht oplegging van de tbs-maatregel mogelijk is.
Gebrekkige ontwikkeling of stoornis van de geestvermogens:
Bij de verdachte was ten tijde van de bewezen verklaarde feiten sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De rechtbank volgt daarbij de hierboven genoemde conclusies van de gedragsdeskundigen en legt die ten grondslag aan haar oordeel.
Gevaarscriterium
De rechtbank oordeelt dat het risico op recidive hoog is. Uit de rapporten van de gedragsdeskundigen en het rapport van de reclassering volgt dat er een grote kans is op recidive ten aanzien van soortgelijke delicten, zowel ten aanzien van de aangevers als een mogelijk nieuw slachtoffer. De verdachte heeft zich ook meermalen niet gehouden aan eerder (in het kader van schorsingsvoorwaarden in deze strafzaak) opgelegde contactverboden.
De rechtbank oordeelt ook dat sprake is van gevaar voor de veiligheid van anderen. De gedragingen waaruit de belagingen bestonden waren niet fysiek agressief van aard, maar
onder gevaar voor de veiligheid van anderen, kan volgens vaste jurisprudentie ook worden verstaan gevaar voor de psychische gezondheid van anderen.
Verdachte wordt veroordeeld voor het stelselmatig inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de aangevers. Zoals hiervoor bij de ernst van de feiten is overwogen, volgt uit het dossier, de slachtofferverklaring van aangever [slachtoffer 3] en de vordering benadeelde partij van [slachtoffer 1] dat de belagingen voor hen een zware psychische belasting hebben gevormd. Hierbij spelen de duur en intensiteit van de belagingen een belangrijke rol. De belagingen zijn bovendien, ondanks dat de verdachte in voorlopige hechtenis kwam te zitten, niet gestopt. Dit kan bij slachtoffers het gevoel van uitzichtloosheid (‘niets helpt’) versterken. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er ook gevaar voor de psychische gezondheid van anderen bestaat. Mede hierom is de maatregel ook proportioneel.
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan het gevaarscriterium en daarmee aan alle wettelijke vereisten om een tbs-maatregel op te leggen.
Oplegging tbs-maatregel met verpleging van overheidswege
De rechtbank oordeelt dat het noodzakelijk is dat de verdachte langdurig wordt behandeld, om de kans op recidive terug te dringen en omdat de veiligheid van anderen dit vereist.
De deskundigen adviseren, gezien de ernstige pathologie, de doorwerking in het tenlastegelegde en het hoge risico op herhaling van delictgedrag, een langdurende gedwongen behandeling om het risico op delictgedrag duurzaam te verminderen. Binnen een dergelijke behandeling zal uitgebreid moeten worden ingezet op de cognitieve vervormingen van de verdachte. Vanwege het onrijpe ontwikkelingsniveau van de verdachte moeten ervaringen uit de jeugd en de daardoor ontstane hardnekkige, disfunctionele patronen worden doorgrond en veranderd. Er wordt gedacht aan langdurige schematherapie om hardnekkige patronen te doorbreken, gecombineerd met psycho-educatie om ziektebesef en behandelmotivatie te vergroten. Dit kan goed worden vormgegeven in een tbs met dwangverpleging.
Er is onderzoek verricht naar alternatieven voor de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege. Een behandeling binnen een voorwaardelijk kader zoals bijzondere voorwaarden of een tbs met voorwaarden is niet haalbaar, vanwege de complexe persoonlijkheidsstoornis met disfuncties, het gebrek aan inzicht (ontbrekend ziektebesef) en het ontbreken van elke motivatie voor behandeling.
Ook de reclassering heeft de mogelijkheid van een tbs-maatregel met voorwaarden onderzocht. Zij heeft daarover in het rapport van 26 maart 2026 negatief geadviseerd. De verdachte is tweemaal gesproken. Gelet op zijn niet-meewerkende houding wordt een tbs-maatregel met voorwaarden niet haalbaar geacht. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico’s in te perken of gedragsverandering te bewerkstelligen.
De rechtbank weegt verder mee dat de verdachte ook op de zitting heeft aangegeven geen hulp te willen accepteren en dat hij niet zal meewerken aan voorwaarden of welke behandeling dan ook. Dit terwijl behandeling wel noodzakelijk is om het hoge recidiverisico en verdere schade voor eventuele slachtoffers te voorkomen.
Ook een civiele maatregel als de zorgmachtiging is geen reële mogelijkheid. De zorgmachtiging is betrekkelijk kort, voornamelijk gericht op ambulante behandeling en valt niet onder de controle van het strafrecht. Ook is deze maatregel niet specifiek gericht op voorkomen van recidive. De zorgmachtiging biedt tot slot niet de noodzakelijke langdurende klinische en gesloten behandeling noodzakelijk voor de hardnekkig recidiverend belagingsproblematiek.
De rechtbank overweegt over de mogelijkheid om geen maatregel op te leggen en te volstaan met enkel een kale straf als volgt. Tijdens de voorlopige hechtenis is de verdachte in totaal zes keer geschorst om hem de kans te bieden terug te keren in de maatschappij zonder opnieuw delictgedrag te vertonen. Na elke schorsing heeft de verdachte opnieuw contact gezocht met één van de aangevers. Gezien de hardnekkige problematiek van de verdachte, die langdurige klinische behandeling vereist, en de meerdere kansen die tijdens de schorsingen zijn geboden, oordeelt de rechtbank dat achterwege laten van behandeling en terugkeer van de verdachte in de maatschappij na een kale gevangenisstraf onverantwoord is.
Alles overziend oordeelt de rechtbank dat de veiligheid van anderen de oplegging van tbs met dwangverpleging noodzakelijk maakt en dat deze maatregel de enige mogelijkheid is om de verdachte te helpen en het hoge recidiverisico in te perken.
Duur van de maatregel
Op grond van artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, mag de totale duur van de maatregel een periode van vier jaren niet te boven gaan, tenzij de tbs-maatregels is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De beslissing over de vraag of de tbs gemaximeerd is, is blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht gebaseerd op het oordeel over de aard van het feit. De rechtbank is van oordeel dat de bewezen verklaarde belagingen onder de omstandigheden waaronder die hebben plaatsgevonden niet kunnen worden aangemerkt als een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De verdachte heeft weliswaar nare en vervelende berichten verzonden en aangevers in persoon opgezocht, maar niet is gebleken dat daarbij gevaar voor personen in de zin van de wet is ontstaan.
Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de voorwaarde voor het opleggen van een ongemaximeerde tbs-maatregel. De tbs-maatregel met dwangverpleging kan daarom maximaal vier jaar bedragen. De rechtbank zal dan ook aan de verdachte een gemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging opleggen.
Oplegging van gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38z Sr)
Naast het opleggen van tbs met dwang heeft de officier van justitie geëist (en de reclassering geadviseerd) om aan de verdachte ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) op te leggen vanwege de vermoedelijke lange behandelduur door de complexiteit van de problematiek. De GVM in combinatie met een tbs-maatregel is bedoeld om de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen te beschermen in aansluiting op een in duur gemaximeerde tbs-maatregel.
De rechtbank gaat, gezien de adviezen van de deskundigen en de reclassering, ervan uit dat de tbs-behandeling van de verdachte langere tijd zal duren. Dit is mede vanwege het steeds opnieuw terugvallen in delictgedrag, het ontbreken van probleembesef en de weigering om mee te werken aan behandeling.
Gelet op de maximering van de op te leggen tbs-maatregel, afgezet tegen de rapportages van de deskundigen en de reclassering, de stoornis van de verdachte en het grote recidivegevaar, oordeelt de rechtbank het noodzakelijk om naast de tbs met dwang ook de maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Aan de voorwaarden voor het opleggen van een dergelijke maatregel is voldaan. De rechtbank gelast immers de tbs van de verdachte en gelet op de aard van de stoornissen en de risico’s is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen. De rechtbank zal daarom tot de oplegging van deze maatregel overgaan.
38v-maatregel
De rechtbank zal ook een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen ter beveiliging van de aangevers en ter voorkoming van strafbare feiten door de verdachte. Deze maatregel bestaat uit een contact- en locatieverbod, inhoudende dat de verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze contact mag opnemen of hebben met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .
De maatregel omvat ook een contactverbod met [slachtoffer 2] , ondanks dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging van de verdachte voor stalking van [slachtoffer 2] . Dit heeft als doel om strafbaar gedrag te voorkomen. De verdachte heeft [slachtoffer 2] namelijk meerdere keren (geprobeerd) te benaderen en ook herhaaldelijk aangegeven contact te willen opnemen, terwijl [slachtoffer 2] dit niet wenste. Daarnaast speelt mee dat [slachtoffer 2] deel uitmaakt van de kring van [slachtoffer 1] .
Verder mag de verdachte zich niet ophouden in de gemeenten Hilversum, Lochem (waaronder [woonplaats] valt) en, wat betreft Hardenberg, ten oosten van de rivier de Vecht (zie ter verduidelijking bijlage 3). De verdachte mag zich wel aan de westkant van de Vecht bevinden, omdat zijn ouders daar wonen. De verdachte mag zich niet aan de oostkant van de Vecht bevinden om te voorkomen dat hij aangever [slachtoffer 3] tegenkomt.
Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal 1 (één) maand, met een maximum van 6 (zes) maanden. De rechtbank kiest voor deze duur van vervangende hechtenis om de rechter-commissaris de gelegenheid te bieden maatwerk te leveren in geval van herhaalde overtredingen.
De rechtbank oordeelt het noodzakelijk dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Gelet op de aard van de feiten en de hardnekkigheid van verdachtes problematiek, is de rechtbank namelijk van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en zich belastend zal gedragen jegens de aangevers. Daarom zal zij bevelen dat het contact- en locatieverbod dadelijk uitvoerbaar is.
7. In beslag genomen voorwerpen
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide telefoons verbeurd moeten worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft verzocht de telefoons terug te geven aan de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat er geen noodzaak is om de in beslag genomen telefoons verbeurd te verklaren. De telefoons bevatten persoonlijke foto’s, contactgegevens en bestanden van de verdachte. De rechtbank zal daarom aan de verdachte de teruggave gelasten van de in beslag genomen Apple iPhone telefoons.
8. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)
[slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.136,63 voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.136,63 voor vergoeding van materiële schade en € 3.000,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de behandeling een onevenredige belasting van het strafproces meebrengt. De kosten van beveiliging hebben volgens de advocaat geen rechtstreeks verband met het strafbare feit. Als de rechtbank daar niet in meegaat, stelt de advocaat zich op het standpunt dat de aanschaf van één camera voldoende was geweest om de gestelde gevoelens van onveiligheid te kunnen ondervangen. Voorts stelt de advocaat zich op het standpunt dat geen sprake is van een grondslag voor toewijzing van immateriële schade. Als de rechtbank daar niet in meegaat, verzoekt de advocaat de rechtbank het toe te wijzen bedrag voor immateriële schade, gelet op vergelijkbare zaken, te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade – kosten zes camera’s
De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd. De rechtbank stelt op basis van het dossier en het onderzoek ter zitting vast dat de benadeelde rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit. Uit het dossier blijkt dat de verdachte de benadeelde en diens sociale kring herhaaldelijk heeft benaderd en ook meerdere keren is verschenen bij het bedrijf van de benadeelde. Het hardnekkig blijven zoeken van contact, zelfs vanuit detentie, leidt tot het oordeel dat de benadeelde terecht vrees mocht hebben voor huisbezoeken van de verdachte. Daarnaast heeft de benadeelde de camera’s pas aangeschaft nadat een stopgesprek tussen de verdachte en de politie had plaatsgevonden en de verdachte zijn contactpogingen richting de benadeelde bleef voortzetten. Wat betreft de hoogte van de kosten, oordeelt de rechtbank dat deze niet onredelijk zijn en gangbaar voor de aanschaf van een beveiligingssysteem.
De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Er is weliswaar geen diagnose over geestelijk letsel, maar gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, zoals omschreven in zijn vordering, oordeelt de rechtbank dat hij door het strafbare feit op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Het is daarbij alleszins voorstelbaar dat het slachtoffer bij elke beltoon, aan de deur of telefoon, het gevoel krijgt dat de verdachte opnieuw contact zoekt.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 1.500 billijk is. Het toegewezen bedrag is lager dan het door de benadeelde gevraagde, omdat de onderbouwing van het geestelijk letsel alleen bestaat uit een verwijzing van de huisarts. Deze verwijzing spreekt over vervelende klachten, maar niet over de zwaardere vormen van geestelijk letsel. De rechtbank wil daarmee geen afbreuk doen aan het leed van de benadeelde, dat zeker zwaar kan zijn, maar kan dit niet aannemen vanwege het ontbreken van een passende onderbouwing.
De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot het bedrag van € 1.500,- toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Totale schade en wettelijke rente
De rechtbank zal de vordering tot het bedrag van € 2.673,35 toewijzen.
De vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. De vergoeding van de materiële schade wordt verhoogd met de wettelijke rente, berekend vanaf de verschillende aankoopdata van de camera’s.
De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 mei 2025, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade (in ieder geval) vanaf die datum, waarop de benadeelde naar zijn huisarts is gegaan, is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. Als de verdachte niet betaalt, zal deze verplichting worden aangevuld met 26 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
Proceskosten
De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
9. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf, de maatregelen en de schadevergoedingsmaatregel zijn gebaseerd op de wetsartikelen 36f, 37a, 37b, 38v, 38w, 38z, 57 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
10. De beslissing
[verdachte] verklaarde dat hij dit begreep.
De rechtbank:
Ontvankelijkheid officier van justitie
- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van feit 1, voor zover het betreft de vervolging voor belaging van [slachtoffer 2] ;
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1, 2 en 3 bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (één) jaar;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
tbs met dwang
- gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;
- bepaalt dat de totale duur van de TBS-maatregel is gemaximeerd;
vrijheidsbeperkende maatregel
- legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 (vijf) jaren;
- beveelt dat de verdachte
op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met:
o [slachtoffer 1] (geboren op [1994] in [geboorteplaats] );
o [slachtoffer 2] (geboren op [1988] in [geboorteplaats] );
o [slachtoffer 3] (geboren op [2003] in [geboorteplaats] );
o [slachtoffer 4] (geboren op [1995] in [geboorteplaats] );
zich niet ophoudt in:
o de gemeente Hilversum;
o de gemeente Lochem;
o het gebied van de gemeente Hardenberg ten oosten van de rivier de Vecht;
- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel wordt vervangen door maximaal 1 (één) maand hechtenis, met een maximum van 6 (zes) maanden hechtenis;
- beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
- legt aan de verdachte op de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1)
over een bedrag van € 1.500,- (immateriële schade) met ingang van 16 mei 2025;
over een bedrag van € 272,72 (materiële schade) met ingang van 25 juli 2024;
over een bedrag van € 267,76 (materiële schade) met ingang van 26 juli 2024;
over een bedrag van € 165,28 (materiële schade) met ingang van 4 augustus 2024;
over een bedrag van € 133,88 (materiële schade) met ingang van 10 september 2024;
over een bedrag van € 296,99 (materiële schade) met ingang van 2 juni 2025 telkens tot de dag van volledige betaling;
over een bedrag van € 1.500,- (immateriële schade) met ingang van 16 mei 2025;
over een bedrag van € 272,72 (materiële schade) met ingang van 25 juli 2024;
over een bedrag van € 267,76 (materiële schade) met ingang van 26 juli 2024;
over een bedrag van € 165,28 (materiële schade) met ingang van 4 augustus 2024;
over een bedrag van € 133,88 (materiële schade) met ingang van 10 september 2024;
over een bedrag van € 296,99 (materiële schade) met ingang van 2 juni 2025 telkens tot de dag van volledige betaling;
beslag
- gelast de teruggave aan de verdachte van de volgende voorwerpen:
Dit vonnis is gewezen door mr. V.A. Groeneveld, voorzitter, mr. A.M.M. Lemmen en mr. T. van Haaren-Paulus, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.L. Sterkenburg als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
De oudste en jongste rechters zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage 1: de tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de beschuldiging tenlastegelegd dat:
feit 1:
hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 juli 2023 tot en met 29 juli 2025 te Hilversum en/of Hardenberg, althans in Nederland, meermalen wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , door
- vanaf verschillende telefoonnummers via whatsapp een grote hoeveelheid, in elk geval meerdere, berichten, te weten (ongeveer) 86, te sturen aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of het netwerk van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [bedrijf] en/of
- ( daarbij) vanaf verschillende e-mailadressen een grote hoeveelheid, in elk geval meerdere, e-mailberichten, te sturen aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of het netwerk van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [bedrijf] en/of
- ( daarbij) meerdere foto's van zichzelf of pakketten/cadeaus te sturen aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of het netwerk van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [bedrijf] en/of
- ( daarbij) meermalen ongevraagd langs te komen op het kantoor van [bedrijf] en/of een (parkeerplaats van een) sportschool [naam 1] en/of
- ( daarbij) al dan niet tijdens de nachtelijke uren ongevraagd locatiegegevens en routegegevens te sturen aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of het netwerk van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [bedrijf] en/of
- ( daarbij) verzoeken te doen een gemaakte documentaire en/of businessplan te bekijken en/of
- een rijbewijs af te leveren in de brievenbus van het kantoorpand van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [bedrijf] , met het oogmerk die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
feit 2:
hij in of omstreeks de periode van 29 augustus 2024 tot en met 29 januari 2025 te Hardenberg en/of Zwolle, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 3] , door
- meermaals vanaf verschillende telefoonnummers via whatsapp en/of sms en/of Telegram en/of via Instagram een grote hoeveelheid, in elk geval 36, in elk geval meerdere, berichten te sturen aan die [slachtoffer 3] en/of [E] en/of het netwerk van die [slachtoffer 3] (telkens) met de strekking aan die [slachtoffer 3] te verzoeken contact op te nemen en/of zelfmoord te willen plegen en/of antwoorden op vragen te krijgen en/of iets te willen vertellen, en/of
- meermaals vanaf verschillende telefoonnummers te bellen en/of voicemailberichten in te spreken (telkens) met de strekking aan die [slachtoffer 3] te vragen contact op te nemen en/of een e-mail namens hem, verdachte, te sturen (telkens) met het oogmerk die [slachtoffer 3] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
feit 3:
hij in of omstreeks de periode 15 november 2024 tot en met 23 maart 2025 te [woonplaats] , gemeente Lochem, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 4] , door aan die [slachtoffer 4] en/of de persoonlijk assistent van die [slachtoffer 4] en/of de buren en/of het netwerk van die [slachtoffer 4]
- veelvuldig, in elk geval (in totaal) 28, berichten te sturen via Instagram en/of WhatsApp inhoudende - zakelijk weergegeven - dat er wapens moeten worden ingeleverd en/of dat er een wapenstilstand wordt ingelast en/of dat er een vredespact wordt gesloten en/of met de strekking die [slachtoffer 4] te verzoeken contact op te nemen en/of dat er domme dingen worden gedaan en/of dat hij, verdachte, in de gevangenis zit, en/of
- bij de woning van die [slachtoffer 4] en/of de buren van die [slachtoffer 4] langs te gaan en/of
- meermalen, in elk geval vier maal, te bellen,
met het oogmerk die [slachtoffer 4] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Bijlage 2: de bewijsmiddelen van feit 1, 2 en 3
De verdachte heeft op de zitting van 20 mei 2026 onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:
Feit 1:
Ik heb tussen 31 juli 2023 en 29 juli 2025 veel contact opgenomen met [slachtoffer 1] . Ik ben daarin te ver gegaan. Op 25 augustus 2023 ben ik naar een borrel van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gegaan, terwijl aan mij was gezegd dat ik niet moest komen en ik ook had toegezegd niet te zullen komen.
Ik heb een keer een foto gestuurd van een dichtgetaped pakket, ik begrijp dat dat mogelijk grimmig overkwam. Ik heb een keer naast [slachtoffer 1] geparkeerd. Hij heeft mij toen verteld dat ik hem met rust moest laten. Ik kan mij voorstellen dat [slachtoffer 1] angstig was om mij steeds tegen te komen. Ik kan mij ook inbeelden dat dat voor hem vervelend is geweest.
Ik heb in april 2024 meerdere berichten verzonden, ook aan teamleden van [slachtoffer 1] . Ik begrijp waarom de politie op 15 april 2024 een stopgesprek met mij heeft gevoerd. Alleen waar ik om aandacht heb gevraagd, wordt niet begrepen. Dan denk ik dat het zo wel makkelijk afkomen is van mij.
Ik heb veel e-mails gestuurd aan [slachtoffer 1] , waarvan de uitingen wel wat te emotioneel zijn geweest. Ik kon in die e-mailberichten ook dwingend zijn.
Op 28 juli 2025 en 29 juli 2025 heb ik vanuit de penitentiaire instelling [slachtoffer 1] gebeld en voicemailberichten achtergelaten. Dat was geen goed idee van mij.
Feit 2:
Vanaf augustus 2024 heb ik berichten naar [slachtoffer 3] gestuurd. Ik heb een bericht naar haar gestuurd over het plegen van zelfmoord. Ik heb op verschillende manieren, namelijk via WhatsApp, Telegram, Instagram en SMS, geprobeerd contact op te nemen met [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] heeft mij op enig moment geblokkeerd op WhatsApp. Vanaf 29 september 2024 was het mij wel duidelijk dat ze geen contact meer met mij wilde. Ik ben doorgegaan met het sturen van berichten, omdat ik nog steeds met vragen zat. Ik wilde weten waarom zij geen contact meer wilde.
Feit 3:
Ik ben in totaal drie keer bij de woning van [slachtoffer 4] geweest. Op 12 november 2022 was ik bij de woning van [slachtoffer 4] toen ik zijn assistent [getuige 1] tegenkwam, die zei dat [slachtoffer 4] geen bezoek ontving bij zijn woning. Op 15 november 2024 heb ik [slachtoffer 4] via berichten laten weten dat ik langs zijn woning zou gaan. Dat heb ik vervolgens ook gedaan in het witte busje van mijn vader. Ik heb ook een keer een mijn boek en een brief door de brievenbus van de woning van [slachtoffer 4] gedaan.
Ik heb aan [slachtoffer 4] gevraagd om een vredespact te sluiten met onder meer [slachtoffer 2] . Ik heb [slachtoffer 4] bericht over het inleveren van BB Guns, omdat ik wilde dat hij als bemiddelaar kon fungeren tussen [slachtoffer 2] en ik. Op 4 maart 2025 heb ik [getuige 1] gebeld met de vraag of hij met zijn taxi wil langskomen.
Feit 1:
Uit de aangifte van [slachtoffer 1] van 3 mei 2024 volgt, zakelijk weergegeven:
Ik doe aangifte van stalking door [verdachte] . Op 31 juli 2023 krijg ik een bericht van [verdachte] dat hij onderweg was naar ons kantoor in Hilversum. Ineens stond [verdachte] voor onze neus. Wij hebben gezegd dat dit niet de bedoeling is. [verdachte] is weggegaan, maar dit koste wel wat moeite.
Op 1 augustus 2023 stuurt [verdachte] een bericht, hij geeft aan dat hij bezig is met een documentaire te maken over zichzelf, het afval proces. Hierover stuurt [verdachte] ons veel berichten. Hij wil bij ons langskomen. Wij geven duidelijk aan dat dit niet kan. Ik geef ook nogmaals aan dat hij beter niet naar de borrel kan komen op 25 augustus 2023.
Tussen 4 augustus 2023 en 23 augustus 2023 stuurt [verdachte] 26 WhatsApp-berichten en spraakmemo's. Al deze berichten hebben dezelfde strekking: hij uit zichzelf over zijn geestelijke toestand. De berichten gaan ook over zakelijke voorstellen die hij heeft. Ik reageer op geen van de berichten.
Op 23 augustus 2023 geef ik een reactie op een bericht die ik van [verdachte] heb ontvangen. Ik geef aan dat hij moet stoppen met de vele berichten die hij stuurt. Ik zeg hem dat hij te veel berichten en e-mails stuurt naar mij, mijn collega's en zakenpartners. Ik ben duidelijk en zeg dat dit moet stoppen.
Op 25 augustus 2023 komt [verdachte] tegen de afspraak in naar de borrel. [getuige 2] is naar hem toegegaan om te zeggen dat hij niet welkom was.
[verdachte] stopt niet met berichten sturen. Ik reageer op geen van de berichten. Op 31 augustus 2023 stuurt hij een foto waarin ik zie dat hij bij ons voor het pand staat.
Tussen 31 augustus 2023 en 10 november 2023 ontvang ik nogmaals 44 berichten. Hij vertelt ook dat [getuige 2] nogmaals heeft gezegd dat het contact moet stoppen. [verdachte] biedt zijn excuses aan en zegt te begrijpen dat dit helemaal bij hem ligt. Ik reageer niet op deze berichten.
Op 10 november 2023 krijg ik een foto toegestuurd van een dichtgetaped pakket. Het pakket ziet er grimmig uit. Ik blokkeer [verdachte] . Kort nadat ik [verdachte] had geblokkeerd, sta ik met een collega voor de [naam 1] in Hilversum. Ineens parkeerde [verdachte] naast ons. Ik heb nogmaals gezegd dat hij iedereen met rust moet laten.
[verdachte] blijft mijzelf, collega's en zakenpartners benaderen via social media en via de mail. In totaal heb ik van [verdachte] vanaf 3 augustus 2023 tot 26 februari 2024 36 e-mails ontvangen. Hierna is het doorgegaan met het versturen van chatberichten via Instagram en e-mail. Via Whatsapp kan hij mij niet meer benaderen. Dan zie ik dat ik op 11 februari 2024 een bericht heb ontvangen van een mij onbekend telefoonnummer. Dit zijn berichten van [verdachte] . Berichten gaan door tot en met 27 februari 2024. Ik negeer en blokkeer dit nummer. Ik blijf horen van collega's en zakenpartners dat zij ook berichten van [verdachte] blijven ontvangen.
Op 12 april 2024 word ik gebeld door een collega dat [verdachte] in ons pand staat. Hij ziet dat ik er niet ben, zegt dat hij terug zou komen en is weggegaan. Een collega liet weten dat hij uit het niets een live locatie had gekregen van een onbekend telefoonnummer. Dit nummer ben ik gaan bellen en dit nummer blijkt van [verdachte] . Ik wijs hem erop dat hij niet mag komen en geen contact meer mag opnemen. Ik geef aan dat hij behoorlijk aan het stalken is. Hij zegt het te begrijpen. Ik ben niet verbaast en ontvang dus vanaf het nieuwe telefoonnummer al snel berichten. Ik reageer niet.
Op 13 april 2024 krijg ik weer een bericht. Ik lees dat hij zijn rijbewijs bij ons door de brievenbus zal gaan gooien. Ik reageer niet. Op 15 april 2024 kom ik bij ons pand en zie ik dat in de brievenbus het rijbewijs van [verdachte] ligt. Omstreeks 11:30 krijg ik een bericht met de tekst: tot zo. Ik zie een live locatie dat hij bijna bij het pand zou zijn. Ik heb direct de politie gebeld en die zijn gekomen. [verdachte] was er inmiddels ook. Ik heb [verdachte] genegeerd. Er is door de politie een stop gesprek gehouden met [verdachte] . Na het stopgesprek is het nog niet klaar, [verdachte] gaat door. Op 16 april 2024 en 26 april 2024 stuurt [verdachte] weer e-mailberichten naar mij.
Ik wil dat de stalking stopt. Ik kijk continu over mijn schouder of ik [verdachte] zie. [verdachte] valt mij en mijn collega's stelselmatig lastig. Dit belemmert mij in mijn dagelijkse werk.
[slachtoffer 1] heeft op 3 mei 2024 bij de politie een klacht ingediend en heeft, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal ontvangst klacht, uitdrukkelijk verzocht om tot vervolging van [verdachte] over te gaan.
Uit een proces-verbaal van verhoor verdachte van 19 mei 2024 volgt, zakelijk weergegeven:
V: Als er niet op de berichten gereageerd werd, waarom bleef u dan berichten sturen? A: Ja, dat is hopen dat er uiteindelijk wel gereageerd wordt.
V: Waarom blijft u ondanks dat al meermaals tegen u gezegd is dat u geen contact meer moet opnemen, toch contact opnemen? A: Omdat ik verhaal wilde halen. Dat is tot vandaag de dag nog steeds hetzelfde.
Uit een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 14 mei 2024 volgt, zakelijk weergegeven:
Rond augustus 2023 hadden wij een borrel, waarbij [verdachte] ineens onaangekondigd voor mijn neus stond. Toen heb ik hem verzocht om de borrel te verlaten.
Toen heb ik hem gebeld en gevraagd, [slachtoffer 1] , al onze collega's en bekenden met rust te laten. Dat heeft hij niet gedaan. Ik had hem geblokkeerd. Hij bleef ongevraagd ons benaderen. Hij heeft een paar keer onaangekondigd voor onze neus gestaan, in het pand.
Uit een proces-verbaal van bevindingen van 12 mei 2024 volgt, zakelijk weergegeven:
Op 15 april 2024 om 11.45 uur kreeg ik bericht van [slachtoffer 1] dat [verdachte] bij de [naam 2] was. Om 12.00 uur trof ik [verdachte] aan bij de [naam 2] te Hilversum. [verdachte] wilde een gesprek met [slachtoffer 2] . [verdachte] kwam over als zeer geobsedeerd door [slachtoffer 2] en zijn team.
STOPGESPREK
Ik heb [verdachte] het volgende heel duidelijk gemaakt:
- op geen enkele manier contact zoeken met [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en de rest van de crew, samenwerkingspartners, of wie dan ook met deze groep te maken heeft;
- niet via social media, telefoon, persoonlijk, etc. geen contact zoeken;
- als hij dit wel doet dat er dan aangifte gedaan zal worden;
- dat er dan een strafrechtelijk onderzoek zal komen ter zake stalking;
- dat hij hierdoor een strafblad kan krijgen.
Uit een proces-verbaal van bevindingen van 19 september 2024 volgt, zakelijk weergegeven:
Op 18 mei 2024 is verdachte [verdachte] aangehouden. [verdachte] heeft naar aanleiding van deze aanhouding een contact- en locatieverbod gekregen voor [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Op diverse datums, na het uitspreken van het contact verbod, is door [verdachte] e-mails verzonden naar het e-mailadres van [slachtoffer 2] .
Uit een proces-verbaal van bevindingen van 15 oktober 2024 volgt, zakelijk weergegeven:
Op 14 oktober 2024 zag ik dat [slachtoffer 1] een tweetal e-mails had ontvangen van het e-mailadres van de verdachte. Door het sturen hiervan heeft de verdachte zijn contact verbod overtreden.
Uit een proces-verbaal van bevindingen van 30 juli 2025 volgt, zakelijk weergegeven:
Op 22 juli 2025 zag ik dat ik 17 ingesproken voicemail berichten doorgestuurd had gekregen van [slachtoffer 1] . Deze berichten zijn afkomstig van een telefoonnummer van een penitentiaire instelling. Tevens zie ik dat ik een screenshot heb ontvangen waarop te zien is dat er ook nog 17 keer gebeld is en [slachtoffer 1] deze oproepen heeft gemist.
Ik heb een aantal berichten geluisterd en ik herken de stem van [verdachte] van eerdere berichten die ik heb geluisterd die door hem zijn ingesproken. Ik weet dat [verdachte] op dit moment verblijft in een penitentiaire instelling.
Uit een proces-verbaal van bevindingen van 8 augustus 2025 volgt, zakelijk weergegeven:
Ik heb van [slachtoffer 1] nogmaals ingesproken voicemailberichten ontvangen. De verbalisant heeft de voicemailberichten die zijn ontvangen tussen 28 juli 2025 en 29 juli 2025 geluisterd. De berichten zijn ingesproken door [verdachte] .
Feit 2:
Uit de aangifte van [slachtoffer 3] van 28 januari 2025 volgt, zakelijk weergegeven
Ik doe aangifte van stalking gepleegd in Hardenberg. Ik word behoorlijk lastiggevallen door [verdachte] .
Op 29 augustus 2024, 20 september 2024, 24 september 2024, 25 september 2024 en 8 november 2024 ontving ik WhatsApp-berichten van [verdachte] . In deze berichten maakt [verdachte] kenbaar dat hij met mij wil praten. Op 21 november 2024 heeft [verdachte] mij WhatsApp-berichten gestuurd. Hierin vermeldt hij dat hij zelfmoord zou gaan plegen en dat ik hem succes moest wensen.
Op 29 december 2024 ontving ik via Instagram een bericht van [verdachte] . Hierin vermeldt hij dat dit zijn laatste bericht zou zijn van 2024. Het was hem inmiddels duidelijk dat er geen contact tussen hem en mij zou ontstaan. Het enige dat hij mij nog wilde vertellen was dat hij benieuwd was of hij in 2025 zou worden aangehouden.
Op 25 januari 2025 nam [verdachte] via Telegram contact met mij op. In dit bericht vraag [verdachte] waarom ik de kant van zijn broer had gekozen.
Op 28 januari 2025 ontving ik van [verdachte] vanaf 07.55 uur tot 10.40 uur in totaal 23 SMS-berichten.
In het eerste bericht vermeld [verdachte] dat ik van hem houd. Hierna volgen er allerlei Sms'jes met vreemde zinnen zoals: "Ik ga waarschijnlijk vandaag voor 90 naar binnen, dus koffie? Can I get my dog back? Ben je nodig, meer dan dat jij begrijpt, leg je wel uit wat we gaan doen. We gaan de tent afbreken en jij blijft bij mij, wat dacht je, dat ik je gewoon liet? Business is wat anders als privé [slachtoffer 3] . Ik kom vandaag naar Hardenberg. Wil je geld of wat wil je?".
Ik heb vanaf begin 2023 niet meer op [verdachte] zijn berichtgevingen gereageerd.
Ik moet er niet aan denken dat ik [verdachte] op dit moment tegen kan komen. Inmiddels ben ik best wel angstig voor hem.
[slachtoffer 3] heeft op 28 januari 2025 bij de politie een klacht ingediend en heeft, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal ontvangst klacht, uitdrukkelijk verzocht om tot vervolging van [verdachte] over te gaan.
Uit een proces-verbaal van verhoor verdachte van 29 januari 2025 volgt, zakelijk weergegeven:
Ik heb op 8 december 2024 vanuit de penitentiaire inrichting telefonisch contact gezocht met [slachtoffer 3] en een voicemailbericht achtergelaten. Op 25 januari 2025 nam ik contact met haar op via telegram, omdat ik haar nummer niet meer had.
V: Op 28 januari 2025 heb jij 23 sms-berichten naar [slachtoffer 3] gestuurd. Wat vind je hiervan?
A: Ik heb een toekomst perspectief wat ik haar kan bieden. Ik hou van haar.
V: Als iemand niet meer reageert op jouw berichten waarom blijf je dan appen?
A: Omdat ik antwoorden wil.
Feit 3:
Uit de aangifte van [slachtoffer 4] van 7 maart 2025 volgt, zakelijk weergegeven
Ik doe aangifte van stalking tegen [verdachte] , met plaats delict [woonplaats] , binnen de gemeente Lochem. Ik word door hem al lange tijd lastiggevallen. Hij stuurt mij berichten via Instagram en staat zelfs ongevraagd voor mijn woning.
15 november 2024 in de avond ontvang ik berichten van [verdachte] waarin hij zegt dat hij beter met mij kan praten in plaats van domme dingen doen. Hij schrijft dat hij onderweg is naar mijn woning. Hij zegt met 55 minuten voor mijn deur te staan. Ik was op dat moment niet thuis. Ik heb de politie gebeld en mijn buurman. Mijn buurman heeft een camera neergezet. Later was op de beelden terug te zien dat er rond het tijdstip waarop hij had gezegd voor mijn deur te staan, een witte bestelbus te zien. De bus stond geparkeerd voor mijn woning. Ik denk dat dit [verdachte] was die in deze bestelbus heeft gezeten.
Op 13 januari 2025 zag ik dat ik een bericht had ontvangen en las dat hij een wapenstilstand wil inlassen. Dat hij vandaag bij de politie had gemeld dat hij BB Guns had en deze wil inleveren. Hij wil schoon schip maken. Hij zegt ook dat hij misschien weer terug moet naar de gevangenis. Hij vraagt of ik aan [A] of [B] wil vragen of er een vredespact gesloten kan worden met [slachtoffer 2] of [C] . Ik reageer hier niet op.
15 januari 2025 heb ik opnieuw een bericht ontvangen en ik lees dat hij schrijft dat hij zijn airsoft wapens heeft ingeleverd. 22 januari 2025 ontvang ik een bericht dat hij schrijft dat hij weer vrij is en dat hij op zijn verjaardag heeft binnen gezeten. Nogmaals vraagt hij of ik een vredespact wil sluiten met [slachtoffer 2] of [C] .
29 januari 2025 zag ik dat ik weer een afbeelding heb ontvangen. Ik zag een afbeelding en lees de tekst: "me deciding if i shoud heal of just give up and go completely insane".
2 maart 2025 ontvang ik een bericht met de tekst: "ik heb alles geprobeerd. Kan nergens heen. Ik heb advocaat gevraagd of ik terug kan. Heb alweer 30 dagen in de PI gezeten en waarom?".
Ik heb gehoord van [D] , mijn personal assisant, dat ook hij berichten van [verdachte] heeft ontvangen. Op 28 februari 2025 heeft hij telefonisch contact gezocht met [D] , hij wilde een taxi bij hem regelen. [D] heeft geen taxibedrijf. Hij doet persoonlijk vervoer en alleen voor vaste klanten.
Ik heb lang getwijfeld of ik aangifte wilde gaan doen, maar het stopt niet. Ik begin het krijgen van deze berichten echt angstig te vinden.
[slachtoffer 4] heeft op 7 maart 2025 bij de politie een klacht ingediend en heeft, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal ontvangst klacht, uitdrukkelijk verzocht om tot vervolging van [verdachte] over te gaan.
Uit een proces-verbaal van verhoor verdachte van 1 april 2025 volgt, zakelijk weergegeven:
V: Kunt u aangeven waarom u toch door blijft gaan met het sturen van berichten ondanks dat niet wordt gereageerd?
A: Stoppen we ook met mensen helpen als ze hulp nodig zijn? Het wordt allemaal zo serieus genomen dat is het hele punt ook.
V: [slachtoffer 4] reageert nog steeds niet op uw berichten. Waarom besluit u toch door te gaan?
A: Ik ben geen opgever. Ik wilde mijn doelen halen.
V: Op 23 maart 2025 is de persoonlijk assistent van [slachtoffer 4] gebeld. Heeft u de persoonlijk assistent gebeld?
A: Dat ben ik.
Uit een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] met bijlagen van 17 maart 2025 volgt, zakelijk weergegeven:
Ik weet van [slachtoffer 4] dat hij al enige tijd last heeft van [verdachte] die hem steeds berichten stuurt en ook langs zijn woning in [woonplaats] is geweest. [verdachte] heeft ook mij wel eens berichten gestuurd.
Op 12 november 2022 in de middag reed ik naar [slachtoffer 4] toe. Toen ik aankwam zag ik een man voor de poort van de woning wachten. Ik hoorde de man mij vragen of hij [slachtoffer 4] kon spreken. Ik zei de man dat wij geen bezoek aan huis ontvangen van fans. Ik heb de man mijn telefoonnummer gegeven omdat hij graag een keer contact wilde met [slachtoffer 4] en zijn levensverhaal kwijt wilde aan hem en dat op de app wilde zetten. Ik heb de man daarna verzocht om weg te gaan. Dat deed hij toen ook. Diezelfde middag zag ik dat ik een appje kreeg van iemand die zich voorstelde als [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] inderdaad een hele lange whatsapp met foto's gestuurd had waarin hij zijn levensverhaal vertelde.
Op 15 april 2024 kreeg ik om 16.08 uur van [verdachte] een whatsapp, via een ander telefoonnummer, met de vraag of [slachtoffer 4] een keer tijd heeft om te praten. Daar heb ik niet op gereageerd.
Op 26 februari 2025 werd ik gebeld. Ik nam mijn telefoon op en ik hoorde ik een mannelijke stem zich voorstellen als [verdachte] . Ik hoorde dat [verdachte] mij vroeg of ik hem op kon halen in Nieuwegein. Ik heb [verdachte] gezegd dat ik geen tijd had waarna ik opgehangen had. Een week later werd ik nogmaals gebeld door ditzelfde nummer. Ik hoorde de mannelijke stem zich voorstellen als [verdachte] . Ik hoorde [verdachte] mij vragen of ik aan [slachtoffer 4] wilde vragen of [slachtoffer 4] op hem wilde reageren want [slachtoffer 4] zou ervan afweten zei [verdachte] .
Bijlage 3: afbeelding ten behoeve van de 38v-maatregel (locatieverbod Hardenberg)
Op de afbeelding staat met een rode streep aangegeven waar de rivier de Vecht loopt, en daarmee de grens van het gebied (voor over het Hardenberg betreft).