ECLI:NL:RBMNE:2026:320

ECLI:NL:RBMNE:2026:320

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 20-01-2026
Datum publicatie 06-02-2026
Zaaknummer 570613
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Internationaal karakter. Bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Nederlandse rechter is onbevoegd om te beslissen over de echtscheiding, de partneralimentatie en de verdeling van het huwelijksvermogen. De omstandigheid dat de Nederlandse rechter onbevoegd is om te beslissen op het echtscheidingsverzoek, staat niet in de weg aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om te beslissen over de ouderlijke verantwoordelijkheid op grond van artikel 7 Brussel II-ter (hoofdverblijf, gezag en omgang). Belang van het kind en ook partijen bij duidelijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/570613 / FA RK 24-390

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking van 20 januari 2026

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende in [plaats 1] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. R. Holland,

tegen

[de man] ,

wonende in [plaats 2] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A.J. Broekhuizen-Termaat.

1. De procedure

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift van de vrouw (met bijlagen), binnengekomen op

13 februari 2024;

het bericht van de vrouw (met bijlagen) van 14 maart 2024;

het verweerschrift van de man van 27 september 2024, met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (met bijlagen);

het verweerschrift van de vrouw op de zelfstandige verzoeken van de man (met bijlage) van 25 oktober 2024;

het bericht van de vrouw van 29 oktober 2024;

de akte inbreng producties tevens zelfstandige verzoeken van de vrouw (met bijlagen) van 9 januari 2025;

het bericht van de man (met bijlagen) van 10 januari 2025, binnengekomen bij de rechtbank op 15 januari 2025;

de berichten van de vrouw (met bijlagen) van 13 januari 2025 en 2 mei 2025;

het bericht van de man (met bijlage) van 15 januari 2025;

het verweerschrift van de man van 6 mei 2025, ontvangen op 8 mei 2025;

de berichten van de man (met bijlagen) van 11, 12 en 18 september 2025;

de berichten van de vrouw (met bijlage) van 12 en 18 september 2025;

akte overleggen producties ten behoeve van de zitting tevens aanvullen en concretiseren verzoeken van de vrouw van 12 september 2025;

het bericht van de vrouw (met bijlage) van 18 september 2025;

het bericht van de man (met bijlage) van 22 september 2025.

Op 23 september 2025 heeft er een zitting plaatsgevonden. De verzoeken zijn echter niet inhoudelijk behandeld omdat er geen tolk beschikbaar was voor de man. Daarvan heeft de rechtbank een proces-verbaal opgemaakt.

Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:

de berichten van de man van 6, 11 en 18 november 2025;

de berichten van de vrouw van 11 en 18 november 2025.

De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van

25 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:

de man die digitaal deelnam, bijgestaan door zijn advocaat en de tolk mevrouw S. Greveraars die fysiek aanwezig waren;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

mevrouw [A] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

De rechtbank heeft aan de minderjarige [minderjarige (voornaam)] , de dochter van de ouders, gevraagd wat zij van de verzoeken vindt. Om [minderjarige (voornaam)] daarbij te ondersteunen heeft de rechtbank bij beschikking van 11 november 2025 mevrouw A. van Teijlingen tot bijzondere curator over [minderjarige (voornaam)] benoemd. Op 12 november 2025 heeft de rechtbank het verslag van de bijzondere curator ontvangen waarin staat wat [minderjarige (voornaam)] van de verzoeken vindt en dat [minderjarige (voornaam)] het niet nodig vindt om ook nog met de rechtbank te spreken.

2. Waar de procedure over gaat

Partijen zijn op [2009] met elkaar getrouwd in [plaats 3] , Colorado, Verenigde Staten.

De vrouw heeft de Nederlandse en Amerikaanse nationaliteit. De man heeft de Amerikaanse nationaliteit.

Partijen zijn de ouders van [minderjarige], geboren op [2015] in [geboorteplaats] (Colorado), Verenigde Staten. [minderjarige (voornaam)] heeft de Nederlandse en Amerikaanse nationaliteit.

De vrouw verzoekt de rechtbank om:

tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;

te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige (voornaam)] bij de vrouw zal zijn;

de verdeling van zorg- en opvoedtaken van [minderjarige (voornaam)] vast te leggen conform randnummer 7 van akte van 9 januari 2025;

de vrouw te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige (voornaam)] ;

de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige (voornaam)] te bepalen op een bedrag van € 615,- per maand, welk bedrag kinderalimentatie steeds maandelijks - dan wel eens per kwartaal voor drie maanden ineens - bij vooruitbetaling aan de vrouw dient te worden voldaan door de man, waarbij tevens wordt bepaald dat de man bovenop deze bijdrage óók de reiskosten van zichzelf en [minderjarige (voornaam)] voor zijn rekening moet nemen ten uitvoering van de internationale zorgregeling, tenzij partijen anders overeenkomen;

de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te bepalen op een bedrag van € 3.561,- bruto per maand;

te bepalen dat alle vermogensbestanddelen die genoemd zijn in productie 16 van de vrouw - zowel activa als passiva - aan de man worden toebedeeld c.q. dat hij volledig draagplichtig is voor alle huwelijkse schulden, waarbij de man wordt overbedeeld en daarvoor ter compensatie aan de vrouw een bedrag van $ 200.000,- dient te voldoen binnen 3 maanden na inschrijving van de echtscheiding in Nederland (gemeente [.] );

kosten rechtens.

De man voert verweer. Hij vindt dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om te beslissen op de verzoeken van de vrouw. Daarnaast verzoekt de man de rechtbank - als zelfstandige nevenverzoeken - om:

het hoofdverblijf van [minderjarige (voornaam)] bij de man te bepalen;

kosten rechtens.

De man heeft zijn verzoek om een bijzondere curator te benoemen voor [minderjarige (voornaam)] ingetrokken, zodat de rechtbank daarover niet hoeft te beslissen.

3. De beoordeling

De beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te beslissen op de verzoeken van de vrouw over de echtscheiding, de partneralimentatie en de verdeling van het huwelijksvermogen. De rechtbank beslist dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige (voornaam)] bij de vrouw zal zijn en dat de vrouw voortaan alleen het gezag over [minderjarige (voornaam)] zal hebben.. Tussen de man en [minderjarige (voornaam)] stelt de rechtbank een contactregeling vast zoals onder 4.3 staat vermeld. Ook beslist de rechtbank dat de man een kinderalimentatie van € 615,- per maand voor [minderjarige (voornaam)] aan de vrouw moet betalen, met ingang van 20 januari 2026. Deze bijdrage zal de man steeds per kwartaal en bij vooruitbetaling moeten voldoen. De rechtbank beslist dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. De overige verzoeken worden afgewezen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissingen neemt.

Gelet op het internationale karakter van deze zaak moet de rechtbank op basis van de regels van het internationaal privaatrecht beslissen over de bevoegdheid van deze rechtbank en het recht dat zij moet toepassen. De rechtbank zal per verzoek beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is en welk recht van toepassing is. Als de rechtbank bevoegd is, zal zij overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

De echtscheiding met nevenvoorzieningen

De onbevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is niet bevoegd te beslissen op het echtscheidingsverzoek van de vrouw. Hierna legt de rechtbank dit uit.

Bij echtscheidingsverzoeken zijn volgens artikel 3 lid 1 sub a onder vi Brussel II-ter bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan zich de gewone verblijfplaats van verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft, en onderdaan van de betrokken lidstaat is.

De definitie van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ als bedoeld in voornoemd artikel luidt: “de plaats waar de betrokkene het permanente centrum van zijn belangen heeft gevestigd met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen, waarbij voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats rekening moet worden gehouden met de feitelijke omstandigheden die voor dat begrip bepalend zijn”.

De vrouw stelt dat zij haar gewone verblijfplaats sinds in ieder geval 12 augustus 2023 in Nederland heeft, want op die datum is zij op Schiphol in Nederland geland. Dat is zes maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift op 13 februari 2024. Daaraan voegt de vrouw toe dat zij zo snel als dat mogelijk was, in een week na 12 augustus 2023, ingeschreven stond op haar adres in Nederland. Verder wijst de vrouw er nog op dat zij ook al van juni 2022 tot mei 2023 in Nederland heeft gewoond. Daaruit blijkt volgens haar dat haar verblijf vanaf 12 augustus 2025 in Nederland een vast karakter had.

De man betwist de stelling van de vrouw dat haar gewone verblijfplaats ten minste zes maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoek in Nederland was. Daartoe voert hij aan dat het centrum van de belangen van de vrouw in die periode niet in Nederland lag. Haar verblijf in Nederland had geen vast karakter. Dit blijkt uit de omstandigheid dat de vrouw in augustus, september en december 2023 met hem over terugkeer naar de Verenigde Staten sprak.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet vast komen te staan dat de vrouw ten minste zes maanden voorafgaand aan de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek op 13 februari 2024 haar gewone verblijfplaats in Nederland had. De vrouw heeft tijdens het huwelijk altijd een band gehouden met Nederland. Zij heeft de Nederlandse nationaliteit en zij heeft familie in Nederland. De vrouw verbleef met [minderjarige (voornaam)] periodes in Nederland; de vrouw noemt 11 maanden in 2015/2016, 7 maanden in 2019/2020 en 11 maanden in 2022/2023. Daarbij huurde de vrouw tot mei 2023 een woning en ging [minderjarige (voornaam)] naar een basisschool in Nederland. Maar de vrouw is daarbij steeds teruggekeerd naar de Verenigde Staten. Ook in mei 2023 is de vrouw teruggekeerd naar de Verenigde Staten om te bezien of zij haar huwelijk met de man kon redden. Toen de vrouw vanaf 12 augustus 2023 in Nederland was, heeft zij wederom met de man diverse keren gesproken over terugkeer naar de Verenigde Staten. Daaruit maakt de rechtbank op dat de vrouw nog twijfelde over het blijven wonen in Nederland. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet vast is komen te staan dat ten minste zes maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoek het permanente centrum van de belangen van de vrouw in Nederland was met de bedoeling toen daaraan een vast karakter te verlenen. De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat het feit dat de vrouw in oktober 2023 een echtscheidingsverzoek heeft gedaan en weer heeft ingetrokken omdat zij ervan uitging dat de Nederlandse rechter op dat moment onbevoegd was, aantoont dat het permanente centrum van haar belangen op 12 augustus 2023 in Nederland was.

De partneralimentatie en verdeling van het huwelijksvermogen

Omdat deze rechtbank niet bevoegd is om te beslissen op het echtscheidingsverzoek van de vrouw, kan zij ook niet beslissen op de verzoeken van de vrouw over de partneralimentatie en verdeling van het huwelijksvermogen. Deze verzoeken hangen namelijk nauw samen met het echtscheidingsverzoek. De rechtbank kan zich voorstellen dat de vrouw zolang zij nog niet is gescheiden van de man kosten van de huishouding heeft maar over haar verzoek om partneralimentatie kan de rechtbank in deze procedure niet beslissen.

De zorg voor [minderjarige (voornaam)]

De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd te beslissen op de verzoeken van partijen over [minderjarige (voornaam)] . Hierna legt de rechtbank dit uit.

In zaken over de ouderlijke verantwoordelijkheid zijn volgens artikel 7 lid 1 Brussel II-ter bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.

Volgens vaste rechtspraakis ‘de gewone verblijfplaats’ – kort gezegd – de plaats die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Naast de fysieke aanwezigheid van het kind op het grondgebied van een lidstaat moeten andere factoren aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is. De gewone verblijfplaats van een kind komt overeen met de plaats waar zich in feite het centrum van zijn leven bevindt en moet worden bepaald op basis van een geheel van feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak.

De vrouw stelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is. Daarvoor stelt zij dat zij en [minderjarige (voornaam)] sinds juni 2022 of in ieder geval vanaf 12 augustus 2023 in Nederland wonen (zie ook onder 3.6 en 3.8) [minderjarige (voornaam)] heeft vier schooljaren, weliswaar met onderbrekingen, onderwijs gevolgd op de basisschool in [plaats 1] . De verblijven in de Verenigde Staten in de laatste jaren betroffen slechts korte periodes. De vrouw heeft een netwerk in Nederland aan sociale contacten, familie, een baan in loondienst, een zorgverzekering, een woning, etc. [minderjarige (voornaam)] zit in [plaats 1] op school en heeft hier vrienden, een hele sterke band met de grootouders van moederszijde en diverse hobby’s. Dat alles maakt dat [minderjarige (voornaam)] op het moment van het indienen van het echtscheidingsverzoek, op 13 februari 2024, haar gewone verblijfplaats in Nederland had.

De man stelt dat de Nederlandse rechter onbevoegd is. De gewone verblijfplaats van [minderjarige (voornaam)] was op 13 februari 2024 in de Verenigde Staten en dat is nog steeds ongewijzigd. Eerder verblijf van [minderjarige (voornaam)] in Nederland was met toestemming van de man voor familiebezoeken en vakanties en zeker niet met het doel zich daar duurzaam te vestigen. De vrouw had de wens om zich met zowel [minderjarige (voornaam)] als de man in Nederland te vestigen, maar partijen hebben daar nimmer overeenstemming over bereikt. De vrouw heeft [minderjarige (voornaam)] zonder de toestemming van de man en dus ongeoorloofd overgebracht naar Nederland. Dat is internationale kinderontvoering in de zin van het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980. Nadat de vrouw [minderjarige (voornaam)] zonder zijn toestemming naar Nederland heeft overgebracht, is de man uitermate geduldig geweest. Hij heeft veelvuldige geprobeerd om met de vrouw tot overeenstemming te komen over de terugkeer van [minderjarige (voornaam)] en ook over een ouderschapsplan voor de situatie dat de vrouw in Nederland wil blijven wonen. Om deze reden heeft de man niet eerder een teruggeleidingsprocedure gestart. De man vindt dat de Amerikaanse rechter bevoegd blijft omdat niet is voldaan aan artikel 9 sub a en b onder iii Brussel II-ter. De man heeft nooit berust in het verblijf van [minderjarige (voornaam)] in Nederland. Hij heeft steeds aangedrongen op terugkeer en diverse pogingen gedaan om dit via overleg en procedures te bereiken. De man is op 17 oktober 2025 in hoger beroep gegaan tegen de afwijzing van de Montana District Court van zijn verzoek voor ‘temporary custody’ en terugkeer van [minderjarige (voornaam)] uit Nederland naar de Verenigde Staten. Zolang er nog een rechtsmiddel openstaat is de gewone verblijfplaats ongewijzigd in de Verenigde Staten. Ook stelt de man zich op het standpunt dat de rechtbank onbevoegd is omdat er nog procedures lopen in de Verenigde Staten. Naast voornoemd hoger beroep loopt er ook een strafrechtelijke procedure tegen de vrouw. De FBI is na een melding door de man strafrechtelijk onderzoek gestart naar kinderontvoering door de vrouw. Het Openbaar Ministerie van het Montana District zal beslissen of de vrouw daarvoor zal worden vervolgd.

Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat [minderjarige (voornaam)] op de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, 13 februari 2024, haar gewone verblijfplaats in Nederland had. [minderjarige (voornaam)] was op dat moment geworteld in Nederland. [minderjarige (voornaam)] had een basis in zowel Nederland als de Verenigde Staten. Ze is veel in Nederland geweest. In ieder geval vanaf 12 augustus 2023 en daarvoor van juni 2022 tot mei 2023. In de periodes dat [minderjarige (voornaam)] in Nederland was, heeft zij in Nederland steeds onderwijs op de zelfde basisschool in [plaats 1] gevolgd. [minderjarige (voornaam)] doet het goed op school. Zij heeft meerdere vriendinnen, sport en hobby’s in Nederland. Ook heeft zij een goede band met de familie in Nederland. Dit maakt dat [minderjarige (voornaam)] op diepgaande wijze is geïntegreerd in de sociale en familiale omgeving in Nederland. Dit wordt ook overwogen in de beschikking van de rechtbank Den Haag van 18 maart 2025 in de zaak over internationale kinderontvoering. Door haar eerdere verblijf in Nederland en haar reeds bestaande basis in Nederland is [minderjarige (voornaam)] relatief snel geworteld in de sociale en familiale omgeving in Nederland. De rechtbank is het met de man eens dat dit heeft kunnen gebeuren omdat de vrouw [minderjarige (voornaam)] zonder zijn toestemming heeft overgebracht naar Nederland en sindsdien in Nederland heeft gehouden. Dit maakt echter niet ongedaan dat [minderjarige (voornaam)] op 13 februari 2024 haar gewone verblijfplaats in Nederland had.

De rechtbank volgt de man niet in zijn stelling dat de Nederlandse rechter onbevoegd is omdat sprake is van ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer van een kind op grond van artikel 9 Brussel II-ter. Er is al beslist op het teruggeleidingsverzoek van de man door de rechtbank en het Hof en die beslissingen zijn onherroepelijk. Dat de man in de Verenigde Staten wil procederen over hetzelfde maakt dit niet anders.

De man heeft vlak voor de zitting gevraagd om de bevoegdheid over te dragen aan de Amerikaanse rechter op grond van artikel 12 Brussel II-ter. De rechtbank wijst dit verzoek af. De Nederlandse rechter kan de zaak alleen verwijzen naar andere gerechten in lidstaten, die de overdracht hebben aanvaard en niet naar gerechten in de Verenigde Staten. Wat er ook zij van de vraag of t voornoemd artikel t analoog kan worden toegepast in de Verenigde Staten, is er geen gerecht dat de overdracht heeft aanvaard.

Dat betekent dat de Nederlandse rechter bevoegd is te beslissen op de verzoeken van partijen over de hoofdverblijfplaats en de verzoeken van de vrouw over de contactregeling en het gezag. Deze verzoeken betreffen de ‘ouderlijke verantwoordelijkheid’ voor het kind als bedoeld artikel 7 Brussel II-ter. De omstandigheid dat de Nederlandse rechter onbevoegd is om te beslissen op het echtscheidingsverzoek, staat niet in de weg aan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om te beslissen over de ouderlijke verantwoordelijkheid op grond van artikel 7 Brussel II-ter. De Nederlandse rechter kan zijn beslissing op de verzoeken aanhouden in afwachting van de uitkomst van een bij een buitenlandse rechter aanhangige of aanhangig te maken echtscheidingsprocedure, dan wel aan zijn beslissing voorwaarden verbinden die verband houden met een in het buitenland uit te spreken echtscheiding. Beide partijen hebben gezegd dat zij willen scheiden. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat (één van) partijen zo snel mogelijk (weer) een echtscheidingsprocedure zal starten. Gelet hierop en vooral het belang van [minderjarige (voornaam)] en ook partijen bij duidelijkheid over de hoofdverblijfplaats en de contactregeling, ziet de rechtbank geen reden om de zaak aan te houden of voorwaarden aan de beslissing te verbinden.

Het recht dat van toepassing is

Volgens artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing op de verzoeken van partijen over de ouderlijke verantwoordelijkheid en dus over de hoofdverblijfplaats, het gezag en de contactregeling.

Gezag en hoofdverblijf

De ouders hebben het gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige (voornaam)] . Dat betekent dat de ouders samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige (voornaam)] moeten nemen. In de Verenigde Staten wordt dit ‘legal custody’ genoemd. De vrouw wil voortaan alleen het gezag over [minderjarige (voornaam)] . De man is het daarmee niet eens.

De ouders kunnen, of een van hen kan, de rechter verzoeken te bepalen dat het gezag aan één ouder toekomt. Het gezag kan slechts aan een van hen beiden toekomen, indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat wijziging van het gezamenlijk ouderlijk gezag anderszins in het belang van [minderjarige (voornaam)] noodzakelijk is. De man wil dat [minderjarige (voornaam)] bij hem in de Verenigde Staten komt wonen en de vrouw wil dat zij bij haar in Nederland blijft. Zij hebben ervoor gekozen in de Verenigde Staten respectievelijk Nederland te blijven wonen. De rechtbank heeft allereerst bepaald of [minderjarige (voornaam)] bij haar vader of moeder haar vaste verblijf zal hebben en heeft vervolgens afgewogen welke gezagssituatie bij die feitelijkheid passend is.

De vrouw zegt dat zij een stabiele situatie voor [minderjarige (voornaam)] wil en dat kan alleen bij haar. Zij stelt dat zij altijd de primaire verzorgster en opvoeder van [minderjarige (voornaam)] is geweest. Ook was zij degene die thuisonderwijs aan [minderjarige (voornaam)] gaf. De aanwezigheid en de rol van de man daarbij was beperkt door zijn vele buitenlandse reizen. Ook nu maakt de man veel buitenlandse reizen, zodat hij geen stabiele zorg, opvoeding en thuisonderwijs aan [minderjarige (voornaam)] kan bieden. De moeder maakt zich zorgen dat zij [minderjarige (voornaam)] niet meer kan zien als zij in de Verenigde Staten gaat wonen, omdat de man zegt dat hij de aangifte en strafrechtelijke procedure tegen de vrouw vanwege kinderontvoering niet meer kan stopzetten en er daardoor een risico is dat de vrouw kan worden gearresteerd (bij aankomst) in de Verenigde Staten.

De man stelt dat het in het belang van [minderjarige (voornaam)] is dat zij haar vaste verblijfplaats bij hem in de Verenigde Staten heeft, omdat het haar geboorteland en thuis is. Zij heeft daar het grootste deel van haar leven gewoond. In de Verenigde Staten kan zij thuisonderwijs volgen waardoor er meer mogelijkheden zijn voor een internationale contactregeling, een 50/50-regeling zoals de man dat voor ogen heeft. [minderjarige (voornaam)] is het reizen, de vrijheid en flexibiliteit daarin gewend. Het onderwijs in Nederland is daarentegen onderworpen aan regels waardoor [minderjarige (voornaam)] wordt beperkt in het reizen naar de Verenigde Staten en andere landen. Dat betekent ook dat hem gelijkwaardig ouderschap wordt ontnomen als [minderjarige (voornaam)] haar hoofdverblijf bij de vrouw heeft. Hij wordt dan alleen maar een vakantievader. De man wil benadrukken dat hij altijd nauw betrokken was bij het leven, opvoeding en school van [minderjarige (voornaam)] . In de toekomst kan hij regelingen treffen zodat hij beschikbaar is voor [minderjarige (voornaam)] en haar thuisonderwijs kan geven.

De rechtbank oordeelt dat het meest in het belang van [minderjarige (voornaam)] is dat zij haar vaste verblijf bij de vrouw heeft. [minderjarige (voornaam)] heeft de bijzondere curator verteld dat als zij in Nederland is zij haar vader en vriendinnen in de Verenigde Staten mist. Maar als zij in de Verenigde Staten is, dan zal zij haar moeder en vriendinnen in Nederland missen. Voor [minderjarige (voornaam)] is het belangrijkste dat er duidelijkheid komt over haar hoofdverblijfplaats. Met deze beslissing komt die duidelijkheid. De rechtbank kijkt daarbij naar welke omgeving en opvoedsituatie de meest stabiele en vertrouwde plek is voor [minderjarige (voornaam)] . De vrouw was en is de stabiele factor in het leven van [minderjarige (voornaam)] . Toen [minderjarige (voornaam)] opgroeide in de Verenigde Staten was de vrouw steeds aanwezig en beschikbaar voor [minderjarige (voornaam)] en verzorgde zij haar thuisonderwijs. De man was ook toen niet altijd aanwezig omdat hij veel naar het buitenland reisde. Ook in Nederland is de vrouw de stabiele factor in het leven van [minderjarige (voornaam)] en is zij beschikbaar voor [minderjarige (voornaam)] . [minderjarige (voornaam)] gaat inmiddels al weer een tijd naar school in Nederland en ook al zegt de man dat het onderwijssysteem in Nederland niet goed aansluit bij [minderjarige (voornaam)] en onvoldoende flexibel is, doet [minderjarige (voornaam)] het goed op school. Ook heeft [minderjarige (voornaam)] vriendinnen, sport en hobby’s en een goede band met de familie in Nederland. De man zegt dat hij ook stabiliteit kan bieden als [minderjarige (voornaam)] bij hem woont, maar hij heeft niet uitgewerkt hoe dat er uit zal zien. Waar de rechtbank ook rekening mee houdt is dat de man [minderjarige (voornaam)] kan blijven bezoeken als zij met de vrouw in Nederland woont, zoals hij nu ook doet. De vrouw heeft concrete voorstellen gedaan over hoe dat eruit kan komen te zien in de toekomst. De man heeft op zijn beurt geen voorstellen gedaan over hoe het contact tussen [minderjarige (voornaam)] en de vrouw eruit kan komen te zien als [minderjarige (voornaam)] haar vaste verblijf heeft bij de man in de Verenigde Staten. Dat maakt dat de rechtbank niet kan vaststellen dat er voldoende contact zal blijven tussen [minderjarige (voornaam)] en de vrouw en hoe dat zal worden ingevuld.

De rechtbank is tot de tussenconclusie gekomen dat het vaste verblijf van [minderjarige (voornaam)] bij haar moeder zal zijn. Met dat uitgangspunt moet de rechtbank bepalen of het gezamenlijk gezag in stand dient te blijven. De rechtbank overweegt daarbij dat er veel juridische strijd is tussen partijen over [minderjarige (voornaam)] . De man is zowel in Nederland als Verenigde Staten procedures gestart om [minderjarige (voornaam)] terug te laten keren naar de Verenigde Staten. Na de beslissing van de rechtbank Den Haag over kinderontvoering is de man in hoger beroep gegaan bij het Hof en heeft hij bij de Montana District Court een procedure gestart. De man heeft hoger beroep ingediend tegen de uitspraak van de Montana District Court en daarvan zal de behandeling nog gaan plaatsvinden. Ook heeft de man een melding gedaan bij de FBI dat de vrouw [minderjarige (voornaam)] heeft ontvoerd waardoor er nu een strafrechtelijk onderzoek wordt gedaan naar de vrouw. De vrouw heeft de angst dat als zij uitvoering geeft aan de contactregeling en zij [minderjarige (voornaam)] naar de man in de Verenigde Staten laat afreizen, hij [minderjarige (voornaam)] daar zal houden. Of dat zij zelf zal worden aangehouden als zij de Verenigde Staten binnenkomt. Gelet op het verslag van de bijzondere curator lijkt [minderjarige (voornaam)] niet klem en verloren te raken tussen de ouders. De ouders lijken de strijd tot nu toe bij haar weg te kunnen houden. Het gaat ook goed met [minderjarige (voornaam)] op school. Echter, binnenkort moeten er beslissingen worden genomen over [minderjarige (voornaam)] , zoals naar welke middelbare school ze zal gaan. De ouders verschillen met elkaar van mening over alle belangrijke onderwerpen zoals de hoofdverblijfplaats, schoolkeuze, medische zaken en het fundamentele gedachtegoed omtrent de opvoeding van [minderjarige (voornaam)] . Dat maakt wel dat het lastig is voor de ouders om samen beslissingen te nemen over [minderjarige (voornaam)] .

De aanhoudende juridische strijd tussen partijen en de grote verschillen van mening over de belangrijke beslissingen over [minderjarige (voornaam)] is de reden waarom de rechtbank van oordeel is dat het anderszins in het belang van [minderjarige (voornaam)] noodzakelijk is dat het gezamenlijk ouderlijk gezag wordt gewijzigd en de vrouw die de hoofdverzorger is alleen het gezag over [minderjarige (voornaam)] krijgt.

De contactregeling

De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw toe en legt onder 4.3 de contactregeling vast die de vrouw heeft verzocht. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.

De rechtbank vindt de door de vrouw verzochte contactregeling in het belang van [minderjarige (voornaam)] . De vrouw heeft namelijk een concreet verzoek gedaan over het contact tussen [minderjarige (voornaam)] en de man. Daarbij is zij uitgegaan van het schoolrooster van de basisschool van [minderjarige (voornaam)] in [plaats 4] voor de vakanties en feestdagen en de mogelijkheid om 10 extra schooldagen (twee weken) aan bijzonder verlof op te nemen op grond van de Leerplichtwet voor een internationale omgangsregeling. De man heeft geen verzoek of concreet voorstel gedaan voor een contactregeling. De rechtbank begrijpt dat de man een 50/50 regeling wenst, maar er moet rekening worden gehouden met de schoolgang van [minderjarige (voornaam)] in Nederland. De rechtbank verwacht dat de man de door de vrouw verzochte regeling kan nakomen gelet op hoe het contact tussen hem en [minderjarige (voornaam)] in de afgelopen jaren verliep. De vader is gewend om veel te reizen en ook [minderjarige (voornaam)] is dat gewend volgens de ouders. Het is positief en in het belang van [minderjarige (voornaam)] dat het de ouders de afgelopen twee jaren is gelukt om het contact tussen [minderjarige (voornaam)] en de man door te laten lopen. De rechtbank hoopt dat de ouders dit in het belang van [minderjarige (voornaam)] voortzetten.

De kinderalimentatie

De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd te beslissen op het verzoek van de vrouw over de kinderalimentatie, omdat de gewone verblijfplaats van de vrouw als onderhoudsgerechtigde in Nederland is. De rechtbank volgt de man daarom niet in zijn stelling dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is omdat [minderjarige (voornaam)] onrechtmatig is ingeschreven in Nederland en haar gewone verblijfplaats is gebaseerd op deze onrechtmatige overbrenging.

Het recht dat van toepassing is

Het Nederlands recht is op dat verzoek van toepassing, omdat de onderhoudsverplichting wordt beheerst door het recht van de Staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft en dat is Nederland.

De inhoudelijke beoordeling

Ouders zijn verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. [minderjarige (voornaam)] woont bij de vrouw en de vrouw vraagt de man om een bijdrage te betalen voor de kosten van [minderjarige (voornaam)] .

De rechtbank beslist dat de man een bedrag van € 615,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf 20 januari 2026. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.

De ingangsdatum

Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden. Er is geen concreet verzoek gedaan over de ingangsdatum. De rechtbank hanteert daarom als ingangsdatum de datum van deze beschikking en dat is 20 januari 2026. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog als volgt. Vanaf de datum van de beschikking is duidelijk dat de man kinderalimentatie moet betalen. Op de zitting heeft de vrouw gezegd dat zij de kosten van [minderjarige (voornaam)] in de afgelopen twee jaren alleen heeft gedragen. Daarop heeft de man aangevoerd dat de vrouw tot en met februari 2025 $ 11.000,- heeft opgenomen van de creditcard en daarmee heeft kunnen voorzien in de kosten van [minderjarige (voornaam)] . De vrouw heeft dit niet weersproken. Bovendien heeft de vrouw niet nader onderbouwd dat zij de kosten van [minderjarige (voornaam)] in de afgelopen twee jaren alleen heeft gedragen. De rechtbank ziet daarom geen reden om de ingangsdatum eerder te bepalen.

De behoefte van [minderjarige (voornaam)]

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank stelt de behoefte van [minderjarige (voornaam)] vast op een bedrag van € 1.029,- per maand. Dat baseert zij op het volgende.

De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI). Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kind. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. De vrouw heeft gesteld dat de man een inkomen van 7.000,- USD, omgerekend € 6.400,- netto per maand had en dat zij geen inkomen had, zodat het netto gezinsinkomen € 6.400,- per maand bedroeg. De man heeft het door de vrouw gesteld netto gezinsinkomen onvoldoende gemotiveerd betwist. Hij heeft weliswaar gesteld dat zowel hij als de vrouw inkomen uit de onderneming en het verhuur van woningen hadden, maar dit heeft hij verder niet onderbouwd (met stukken). Daarom gaat de rechtbank uit van het door de vrouw gestelde netto gezinsinkomen van € 6.400,- per maand.

Nu de rechtbank weet wat de ouders te besteden hadden, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan [minderjarige (voornaam)] werd uitgegeven en wat dus haar behoefte is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Partijen zijn in 2023 uit elkaar gegaan. Daarom gaat de rechtbank uit van de tabel van 2023. Daaruit volgt dat ouders bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van maximaal € 6.000,- per maand, gemiddeld € 870,- per maand uitgaven voor hun kind. Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2026 € 1.029,- per maand.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat uitgaande van de tabel van 2025 de behoefte moet worden vastgesteld op € 990,- per maand vanwege de reiskosten van [minderjarige (voornaam)] in verband met de internationale omgangsregeling. Als uitgegaan wordt van de behoeftetabel van 2023 en wordt geïndexeerd naar 2025 komt het ongeveer op hetzelfde uit, namelijk € 984,- per maand. Dat is een minimaal verschil van € 6,-. Daarom gaat de rechtbank uit van de behoeftetabel van 2023. De vrouw heeft verder niet gesteld dat sprake is van dusdanig bijzondere (reis)kosten dat de ouders deze niet kunnen betalen uit het standaardbedrag uit de tabel en dat de behoefte daarmee moet worden verhoogd.

De draagkracht van de ouders

Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van hun kind voorzien.

Voor het bepalen van de draagkracht van de ouders past de rechtbank de methode toe die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van het kind.

Bij een netto besteedbaar inkomen vanaf € 2.200,- per maand in 2026 maakt de rechtbank daarvoor gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2026 is dat een bedrag van € 1.365,- per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)].

De draagkracht van de man

De draagkracht van de man stelt de rechtbank vast op € 2.181,- per maand. De rechtbank legt dit hierna uit.

Voor het inkomen van de man gaat de rechtbank uit van € 6.400,- netto per maand zoals gesteld door de vrouw. Zoals onder 3.36 staat vermeld, heeft de man het door de vrouw gesteld inkomen onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank neemt de berekeningen van de vrouw als uitgangpunt. De vrouw heeft echter een berekening overgelegd op basis van de tarieven van 2025, terwijl de kinderalimentatie ingaat vanaf 2026. Daarom zal de rechtbank de kinderalimentatie berekenen op basis van de tarieven van 2026. Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2026 heeft de man een draagkracht van (70% [6.400 – (0,3 x 6.400 + 1.365)]=) € 2.181,- per maand.

De draagkracht van de vrouw

De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 25,- per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.

Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de uitkeringsspecificatie(s) over juli en augustus 2025, waarop een inkomen van € 1.733,47 bruto per maand is vermeld. Verder wordt rekening gehouden met een kindgebonden budget. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw is dan € 1.873,- per maand. Omdat het inkomen van de vrouw lager is dan € 1.950,- per maand heeft zij volgens het Rapport Alimentatienormen (versie 2026) een draagkracht van

€ 25,- per maand.

De rechtbank ziet op dit moment geen reden om rekening te houden met een verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw. Dit omdat de vrouw een uitkering op grond van de Ziektewet ontvangt. Als de vrouw weer beter is, dan wordt van haar als onderhoudsplichtige verwacht dat zij zich inspant om meer te verdienen om daarmee te kunnen voorzien in de kosten van opvoeding en verzorging van haar dochter. De man heeft gezegd dat de vrouw gelet op haar opleiding meer kan verdienen dan haar inkomen nu, maar dat heeft hij verder niet onderbouwd.

De verdeling van de kosten

Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.

De ouders hebben samen een draagkracht van € 2.206,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [minderjarige (voornaam)] te betalen, want die zijn € 1.029,- per maand. Dit betekent dat de man een deel van (2.181 / 2.206 x 1.029 =) € 1.017,-,- per maand moet dragen en de vrouw een deel van (25 / 2.206 x 1.029 =) € 12,- per maand.

De zorgkorting

De man maakt op de dagen dat [minderjarige (voornaam)] bij hem verblijft kosten voor onder andere eten en drinken en energielasten: de verblijfskosten. Daarmee voldoet hij – deels – aan zijn onderhoudsverplichting. De rechtbank kan de bijdrage van de man verlagen met een percentage van de behoefte van het kind of een deel daarvan: de ‘zorgkorting’.

[minderjarige (voornaam)] verblijft volgens de contactregeling onder 4.3 bij de man. Dat is minimaal 12,5 weken per jaar. Daarbij past een zorgkorting van 25% van de behoefte, dus € 257,- per maand. Dat betekent dat de man een bedrag van (1.017-/- 257 =) € 760,- per maand kan betalen. De vrouw heeft een kinderalimentatie verzocht van € 615,- per maand zodat de rechtbank dit verzoek toewijst.

Alimentatie vooruitbetalen

De rechtbank beslist dat de man de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.

De vrouw kan ermee instemmen dat de man de kinderalimentatie per kwartaal bij vooruitbetaling overmaakt in plaats van per maand. De rechtbank zal dit daarom zo beslissen.

Reiskosten

De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw over de reiskosten af. De vrouw wil dat de man en de vrouw ieder hun eigen reiskosten betalen voor de uitvoering van de internationale omgangsregeling. Ook wil de vrouw dat de man bovenop de kinderalimentatie óók de reiskosten van [minderjarige (voornaam)] betaalt. Partijen zullen afspraken moeten maken over de verdeling van de reiskosten van [minderjarige (voornaam)] . Tijdens het huwelijk reisden partijen ook veel met [minderjarige (voornaam)] en maakten zij dus reiskosten voor haar. Die kosten zijn dus (deels) inbegrepen in haar behoefte.

Uitvoerbaar bij voorraad

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

De proceskosten

De rechtbank zal beslissen dat ieder de eigen proceskosten betaalt, omdat zij geen reden ziet om één van partijen in de proceskosten te veroordelen.

De bijzondere curator

Op verzoek van de rechtbank zal de bijzondere curator mevrouw A. van Teijlingen aan [minderjarige (voornaam)] vertellen wat de beslissing van de rechtbank wordt. Daarvoor verstrekt de rechtbank deze beschikking aan de bijzondere curator.

Een week na de datum van deze beschikking ontslaat de rechtbank de bijzondere curator van haar werkzaamheden omdat de bijzondere curator haar taak heeft vervuld.

Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4. De beslissing

De rechtbank:

verklaart zich onbevoegd om te beslissen op de verzoeken van de vrouw over de echtscheiding, de partneralimentatie en de verdeling van het huwelijksvermogen;

bepaalt dat [minderjarige], geboren op [2015] in [geboorteplaats] (Colorado), Verenigde Staten, haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft;

bepaalt een contactregeling tussen de man en [minderjarige (voornaam)] , die inhoudt dat [minderjarige (voornaam)] bij de man verblijft:

in de zomervakantie: Indien de 10 extra verlofdagen vóórafgaand aan de zomervakantie worden opgenomen, heeft [minderjarige (voornaam)] 8 weken zomervakantie, waarvan zij dan 6 weken bij de man verblijft en 2 weken bij de vrouw. Indien [minderjarige (voornaam)] in deze periode in de VS verblijft, moet zij dan wel minstens 1 week voor aanvang schooljaar weer terug in Nederland zijn om te kunnen acclimatiseren voordat school weer begint. Indien de zomervakantie 6 weken duurt, dan is de verdeling 5 weken bij de man, 1 week bij de vrouw, mits [minderjarige (voornaam)] dan 1 week vóór start schooljaar weer in Nederland is;

in de Kerstvakantie: Indien de 10 extra verlofdagen vóórafgaand aan de Kerstvakantie worden opgenomen, heeft [minderjarige (voornaam)] 4 weken Kerstvakantie. [minderjarige (voornaam)] verblijft dan in de even jaren de volledige Kerstvakantie bij de man en in de oneven jaren verblijft [minderjarige (voornaam)] minstens 1 van de 2 (of 4) weken Kerstvakantie bij de vrouw. Mits [minderjarige (voornaam)] minstens 5 dagen vóór aanvang van school weer terug in Nederland is om te acclimatiseren;

in de meivakantie (2 weken): [minderjarige (voornaam)] verblijft ieder jaar de volledige meivakantie bij de man, mits deze vakantie in Europa is.

in de herfstvakantie (1 week): [minderjarige (voornaam)] verblijft in de oneven jaren de herfstvakantie bij de man (in Europa) en in de even jaren verblijft [minderjarige (voornaam)] in de herfstvakantie bij de vrouw;

in de voorjaarsvakantie (1 week): [minderjarige (voornaam)] verblijft in de even jaren de voorjaarsvakantie bij de man (in Europa) en in de oneven jaren verblijft [minderjarige (voornaam)] in de voorjaarsvakantie bij de vrouw;

in de overige fysiek contactmomenten tussen de man en [minderjarige (voornaam)] : Indien de man tijdens het schooljaar in Nederland op bezoek is, mits hij verblijft binnen een straal van 20 kilometer van de school van [minderjarige (voornaam)] , kan hij [minderjarige (voornaam)] op woensdag middagen uit school ophalen en met haar tijd doorbrengen tot de daaropvolgende zondagmiddag 17.00 uur. Hij zal daarbij zelf zorgdragen voor transport voor [minderjarige (voornaam)] van zijn accommodatie naar de school zodat zij tijdig aanwezig is en tijdig wordt opgehaald op de schooldagen, en indien zulks niet mogelijk is, overnacht [minderjarige (voornaam)] dan op schooldagen bij de vrouw. De man zal in deze periodes er ook zorg voor dragen dat [minderjarige (voornaam)] aan haar gebruikelijke sport- en andere buitenschoolse activiteiten kan blijven deelnemen;

daarnaast hebben de man en [minderjarige (voornaam)] (beeld)belmomenten zo vaak als [minderjarige (voornaam)] wil maar minstens 2 keer per week;

bepaalt dat de vrouw voortaan alleen het ouderlijk gezag over [minderjarige (voornaam)] zal hebben;

beslist dat de man vanaf 20 januari 2026 een bedrag van € 615,- per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige (voornaam)] ;

beslist dat de man vanaf vandaag deze alimentatie steeds per kwartaal en vóór de eerste dag van een nieuw kwartaal moet betalen;

verklaart de beslissingen onder 4.2. tot en met 4.6. uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten betalen;

wijst de verzoeken van partijen voor het overige af;

ontslaat een week na de datum van deze beschikking de bijzondere curator van haar functie als bijzondere curator over [minderjarige (voornaam)] .

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.A.A. van Kalveen, mr. L. Witten en mr. M.M. Janssen-Witteveen, (kinder)rechters, in samenwerking met mr. Ö. Duran, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?