RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11557039 \ MC EXPL 25-991
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
[geopposeerde] ,
te gemeente [.] ,
oorspronkelijk eisende partij in conventie,
gedaagde partij in het verzet,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [geopposeerde] ,
gemachtigde: N. Maathuis, werkzaam bij Armaere Incassospecialisten & Gerechtsdeurwaarders,
tegen
1. de vennootschap onder firma[opposante sub 1] ,
te [plaats 1] ,hierna afzonderlijk te noemen: [opposante sub 1] ,
2. [opposant sub 2], vennoot van gedaagde sub 1,
te [plaats 1] ,3. [opposant sub 3], vennoot van gedaagde sub 1,
te [plaats 2] ,4. [opposant sub 4], vennoot van gedaagde sub 1,
te [plaats 1] ,oorspronkelijk gedaagde partijen,
eisende partijen in het verzet.
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [opposante sub 1] c.s.,
gemachtigde: mr. M. van Sint-Truien, werkzaam bij K10 Law/ Regina X B.V.,
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 september 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
- de mondelinge behandeling van 21 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt uitgesproken.
2. De kern van de zaak
[geopposeerde] heeft aan [opposante sub 1] de bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats 1] verhuurd tegen een huurprijs van € 1.500,00 per maand om te gebruiken als broodjeszaak (hierna: het gehuurde). Hij stelt dat [opposante sub 1] een huurachterstand heeft en energiekosten niet heeft betaald. Daarom vordert hij in deze procedure betaling daarvan, vermeerderd met rente en kosten. Omdat [opposante sub 1] c.s. in eerste instantie niet verscheen, zijn de vorderingen bij verstek toegewezen. In deze verzetprocedure voert [opposante sub 1] c.s. alsnog verweer en vraagt zij afwijzing van de vorderingen. Daarnaast stelt zij een tegenvordering in. [geopposeerde] bestrijdt deze tegenvordering en heeft zijn eigen vorderingen aangepast. De kantonrechter zal de meeste vorderingen van [geopposeerde] toewijzen en die van [opposante sub 1] c.s. afwijzen.
3. De beoordeling
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Inleiding
De kantonrechter behandelt in dit vonnis eerst enkele formele punten. Daarna komen de vorderingen van beide partijen inhoudelijk aan de orde. Eerst wordt onderzocht of er sprake is van een huurachterstand, zoals [geopposeerde] stelt, of dat er juist te veel huur is betaald, zoals [opposante sub 1] c.s. beweert. Hiervoor is van belang wanneer de huurovereenkomst is ingegaan en geëindigd. Partijen verschillen van mening over deze data. Vervolgens wordt beoordeeld of partijen hebben afgesproken dat [geopposeerde] het bedrijf en/of de inventaris van [opposante sub 1] koopt. Als dat zo is, dan heeft [opposante sub 1] c.s. nog recht op een deel van de koopprijs. Zo niet, dan heeft [geopposeerde] een deel van koopprijs onterecht betaald en heeft hij recht op terugbetaling. Tot slot beoordeelt de kantonrechter of [opposante sub 1] c.s. nog servicekosten moet betalen of dat er juist te veel servicekosten zijn voldaan. c.s. kan worden ontvangen in haar verzet
Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld. Dit betekent dat [opposante sub 1] c.s. in haar verzet kan worden ontvangen.
De vennootschap onder firma [opposante sub 1] is procespartij
[opposante sub 1] is in de inleidende dagvaarding ten onrechte aangeduid als ‘ [opposante sub 1] V.O.F.’. Deze onjuiste naam is ook in het verstekvonnis terechtgekomen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter partijen gevraagd of zij ermee instemmen dat in het vervolg van deze procedure ervan wordt uitgegaan dat de vennootschap onder firma [opposante sub 1] procespartij is. Beide partijen zijn hiermee akkoord gegaan.
[geopposeerde] heeft zijn substantiëringsplicht geschonden
[opposante sub 1] c.s. stelt dat [geopposeerde] de waarheids- en volledigheidsplicht van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft geschonden door in de dagvaarding niet de eerder door [opposante sub 1] c.s. gevoerde verweren op te nemen.
Uit artikel 111 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat [geopposeerde] al in de dagvaarding het werkelijke geschil in volle omvang zichtbaar moet maken. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat hij, althans zijn gemachtigde Armaere, zich in de dagvaarding beperkt tot een zeer summiere beschrijving van de zaak en vervolgens pas, nadat er verweer is gevoerd, tot een meer gedetailleerde uitwerking van het geschil komt. Uit artikel 111 lid 3 Rv volgt verder dat [geopposeerde] de door de gedaagde tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvan in de dagvaarding moet opnemen (de zogenaamde substantiëringsplicht). Dit heeft [geopposeerde] niet gedaan. In de dagvaarding staat dat [opposante sub 1] c.s. ‘geen enkel verweer’ heeft gevoerd. Uit productie G bij de verzetdagvaarding volgt dat [opposante sub 1] c.s. wel degelijk al voor de procedure inhoudelijk verweer heeft gevoerd.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter (de gemachtigde van) [geopposeerde] dit voorgehouden. Daarop is geantwoord dat dit inderdaad fout is en dat daar geen verklaring voor kan worden gegeven.
Aan het niet-naleven van de substantiëringsplicht kan de kantonrechter de gevolgen verbinden die zij geraden acht (artikel 120 lid 4 Rv). In deze zaak ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskostenveroordeling van [opposante sub 1] c.s. in conventie met 25% te matigen.
De vennoten van [opposante sub 1] zijn hoofdelijk aansprakelijk
In artikel 18 van het Wetboek van Koophandel staat dat een vennoot hoofdelijk verbonden is voor de verbintenissen van de vennootschap onder firma. Dit betekent dat de verbintenissen ook op de vennoten persoonlijk rusten. Daarom geldt dat als [opposante sub 1] in deze procedure ergens toe wordt veroordeeld, ook de vennoten daartoe zullen worden veroordeeld.
De huurovereenkomst is per 1 juli 2023 ingegaan
[geopposeerde] vordert achterstallige huur over de periode oktober 2023 tot en met juli 2024. Partijen verschillen van mening over de vraag wanneer de huurovereenkomst is ingegaan. Het antwoord hierop is van belang voor de hoogte van de huurachterstand.
[geopposeerde] stelt – zo begrijpt de kantonrechter – dat de huurovereenkomst op 1 juli 2023 is ingegaan. Partijen zijn een huurvrije periode van drie maanden overeengekomen. Volgens [geopposeerde] is die periode ook per 1 juli 2023 ingegaan, zodat er per 1 oktober 2023 huur betaald moet worden. [opposante sub 1] c.s. betwist dit en stelt dat de huurovereenkomst per 1 oktober 2023 is ingegaan.
[geopposeerde] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat de huurovereenkomst per 1 juli 2023 is ingegaan. In artikel 4.12 van de door beide partijen ondertekende huurovereenkomst staat dat een eerste huurvrije periode van drie maanden is overeengekomen en dat die periode loopt over de maanden juli, augustus en september 2023. Hieruit valt af te leiden dat partijen hebben afgesproken dat de huur per 1 juli 2023 is ingegaan en dat toen ook direct de huurvrije periode is gaan lopen. Dit wordt ondersteund door het feit dat partijen het erover eens zijn dat in juni 2023 mondeling huurafspraken zijn gemaakt en door het feit dat [opposante sub 1] in die maand ook de sleutels heeft ontvangen en sindsdien toegang had tot het gehuurde. Dit laatste heeft zij ter zitting erkend.
[opposante sub 1] c.s. heeft hier onvoldoende tegen ingebracht. Zij stelt dat mondeling is afgesproken dat de huurovereenkomst pas op 1 oktober 2023 – na de zomervakantie – zou ingaan en dat zij vanaf die datum recht had op een huurvrije periode. Dit heeft zij echter niet onderbouwd. Deze afspraak sluit ook niet aan bij artikel 4.12 van de huurovereenkomst en het feit dat [opposante sub 1] al in juni 2023 de sleutels heeft ontvangen.
[opposante sub 1] c.s. wijst erop dat in artikel 3.1 van de huurovereenkomst staat dat de huur per 1 september 2023 ingaat. Dit verschilt inderdaad van het standpunt van [geopposeerde] dat de huurovereenkomst per 1 juli 2023 ingaat. Artikel 3.1 komt echter ook niet overeen met het eigen standpunt van [opposante sub 1] c.s. dat de huur pas op 1 oktober 2023 zou starten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [geopposeerde] een overtuigende verklaring gegeven over artikel 3.1. Volgens hem was het aanvankelijk de bedoeling dat de huurvrije periode zou starten per 1 juni 2023, zodat de huur vanaf 1 september 2023 betaald moest worden. Daarom is in artikel 3.1 de datum 1 september 2023 genoemd. Later is afgesproken dat de huurvrije periode per 1 juli 2023 zou starten, waardoor de huur pas vanaf 1 oktober 2023 betaald moest worden. De datum in artikel 3.1 is niet aangepast, omdat de makelaar kosten rekende voor het wijzigen van het contract. Daarom kent de kantonrechter aan artikel 3.1 geen doorslaggevende betekenis toe.
[opposante sub 1] c.s. heeft ook aangevoerd dat het gehuurde pas in oktober 2023 helemaal leeg was en zij het pand pas vanaf dat moment kon inrichten als broodjeszaak. [geopposeerde] betwist dit. De kantonrechter laat dit punt in het midden. In tegenstelling tot wat [opposante sub 1] c.s. lijkt te denken, begint de huurovereenkomst niet pas wanneer de huurder het pand daadwerkelijk in gebruik neemt. Het gaat om wat partijen hebben afgesproken over de ingangsdatum van de huur. Uit de schriftelijke huurovereenkomst en het feit dat de huurafspraken in juni 2023 zijn gemaakt en toen ook de sleutels zijn overhandigd, volgt dat de ingangsdatum 1 juli 2023 is. Als [opposante sub 1] vond dat zij vanaf die datum niet volledig gebruik kon maken van het pand, omdat het nog niet leeg was, dan had zij [geopposeerde] daarop moeten aanspreken.
De conclusie is dat [opposante sub 1] c.s. onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de huurovereenkomst en de huurvrije periode van drie maanden per 1 juli 2023 zijn ingegaan. Daarmee staat vast dat [opposante sub 1] c.s. per 1 oktober 2023 huur moet betalen.
Er is geen koopovereenkomst en geen huurbeëindigingsovereenkomst tot stand gekomen
[opposante sub 1] c.s. stelt dat op 13 februari 2024 mondeling met [geopposeerde] is overeengekomen dat hij per 14 februari 2024 het bedrijf van [opposante sub 1] overneemt en voor de inventaris een koopprijs van € 20.000,00 betaalt. [opposante sub 1] c.s. vordert betaling van het resterende bedrag van € 19.000,00.
Verder stelt [opposante sub 1] c.s. dat toen ook is afgesproken dat de huurovereenkomst per 14 februari 2024 eindigt, en zij vanaf die datum dus geen huur meer is verschuldigd.
[geopposeerde] heeft hiertegen ingebracht dat er enkel gesprekken zijn gevoerd over een koop van de inventaris. Hij was bereid de inventaris over te nemen onder de voorwaarden dat:
er aangetoond werd wat [opposante sub 1] in de inventaris had geïnvesteerd;
de overnameafspraken schriftelijk zouden worden vastgelegd, en;
[opposante sub 1] de huur schriftelijk zou opzeggen.
Zover is het volgens [geopposeerde] nooit gekomen. De huur loopt volgens hem dus gewoon door en hij is geen koopprijs verschuldigd.
Beoordeeld moet worden of er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen die ziet op de koop van het bedrijf en/of de inventaris van [opposante sub 1] voor een prijs van € 20.000,00 en op de beëindiging van de huur per 14 februari 2024. De bewijslast hiervan ligt bij [opposante sub 1] c.s. Zij moet haar stellingen voldoende onderbouwen en zo nodig bewijzen. Als [opposante sub 1] haar onderneming wil overdragen en de huur wil beëindigen, dan ligt het op haar weg om daar duidelijke afspraken over te maken.
Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan. In dat aanbod en die aanvaarding moet de wilsovereenstemming tot uitdrukking zijn gebracht die ziet op de totstandkoming van de overeenkomst. Of die wilsovereenstemming er is, is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden, maar kunnen in elke vorm plaatsvinden en in een of meer gedragingen besloten liggen. Nodig is dat partijen het ten minste eens zijn over de belangrijkste aspecten van de overeenkomst (de essentialia).
Partijen hebben niets op schrift gesteld. De kantonrechter moet het in beginsel dus doen met dat wat partijen hebben verklaard over wat er mondeling zou zijn besproken. Vast staat dat partijen hebben gesproken over een overname van de inventaris en een beëindiging van de huur. Dit betekent op zichzelf nog niet dat daarover ook overeenstemming is bereikt. [geopposeerde] stelt namelijk dat hij in het gesprek heeft aangegeven pas een (schriftelijke) overeenkomst te willen sluiten als werd aangetoond wat [opposante sub 1] in de inventaris had geïnvesteerd, zodat hij kon controleren of de voorgestelde overnamesom van € 20.000,00 reëel was. Deze investeringen zijn volgens hem nooit aangetoond en er is ook nooit iets op schrift gesteld.
Hiermee betwist [geopposeerde] dat hij met [opposante sub 1] overeenstemming heeft bereikt over een koopovereenkomst en een huurbeëindigingsovereenkomst.
Van [opposante sub 1] c.s. mag worden verwacht dat zij, in reactie op deze gemotiveerde betwisting van [geopposeerde] , voldoende feiten en omstandigheden aanvoert om te onderbouwen dat er wél overeenstemming is bereikt over alle essentialia van de overeenkomsten. Die nadere onderbouwing ontbreekt.
De enkele stelling van [opposante sub 1] c.s. dat er mondeling bindende afspraken zijn gemaakt is, bij betwisting door de wederpartij, onvoldoende om ervan uit te gaan dat die afspraken daadwerkelijk zijn gemaakt.
[opposante sub 1] c.s. heeft een schriftelijke verklaring van [A] overgelegd die zou zien op de gemaakte afspraken. Uit die verklaring volgt echter dat deze persoon niet aanwezig was op het moment dat de mondelinge afspraken zouden zijn gemaakt. Hij zou slechts van gedaagde sub 2 ( [opposant sub 2] ) hebben gehoord dat [geopposeerde] de zaak had overgenomen. Bovendien verklaart deze persoon niet wat er precies is afgesproken over de koop, de prijs, het einde van de huur, de verdere voorwaarden en wie er bij het gesprek aanwezig waren. De kantonrechter hecht daarom geen waarde aan deze verklaring.
[opposante sub 1] c.s. wijst erop dat [geopposeerde] € 1.000,00 naar haar heeft overgemaakt met de omschrijving ‘Deelbetaling overname inventaris [opposante sub 1] . 1000 van 12000’. De kantonrechter vindt dit onder de gegeven omstandigheden niet voldoende om tot de conclusie te komen dat er overeenstemming is bereikt over een overname. Hoewel het een aanwijzing zou kunnen zijn, heeft [geopposeerde] tijdens de zitting verklaard dat hij dit bedrag heeft overgemaakt om aan te geven dat wat hem betreft een schriftelijke overeenkomst opgemaakt kon worden, mits [opposante sub 1] duidelijkheid zou geven over de investeringen in de inventaris. Gelet op deze toelichting, het ontbreken van schriftelijke afspraken en het feit dat partijen elkaar tegenspreken over wat mondeling is besproken, vindt de kantonrechter het enkele overmaken van € 1.000,- onvoldoende om het bestaan van bindende afspraken aan te nemen over de overname en het einde van de huur.
[opposante sub 1] c.s. heeft er tot slot op gewezen dat zij betalingen die zij na 14 februari 2024 via Thuisbezorgd heeft ontvangen aan [geopposeerde] heeft doorbetaald. Dit bewijst echter nog niet dat er tussen hen overeenstemming is bereikt over een koop- en huurbeëindigingsovereenkomst. [geopposeerde] heeft deze betalingen weliswaar onder zich gehouden, maar heeft deze aangemerkt als huurbetalingen en op de huurachterstand in mindering gebracht.
De conclusie is dat de koopovereenkomst en de huurbeëindigingsovereenkomst niet zijn vast komen te staan. Aan bewijslevering komt de kantonrechter niet toe, omdat de stellingen van [opposante sub 1] c.s. in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door [geopposeerde] onvoldoende zijn onderbouwd.
De achterstallige huur wordt toegewezen. Er is geen sprake van onverschuldigd betaalde huur.
Uit het voorgaande volgt dat [opposante sub 1] vanaf 1 oktober 2023 huur moet betalen en dat de huurovereenkomst niet per 14 februari 2024 is beëindigd, maar doorliep.
[geopposeerde] vordert (na vermindering van eis) € 3.574,90 aan achterstallige huur over de periode oktober 2023 tot en met juli 2024. De door [opposante sub 1] c.s. gestelde betalingen zijn al in dit bedrag verwerkt (zie randnummer 9 van de conclusie van antwoord in oppositie). Zij zal daarom worden veroordeeld dit bedrag aan [geopposeerde] te betalen.
[geopposeerde] vordert de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (BW) over de achterstallige huur vanaf de data van verzuim. [opposante sub 1] c.s. heeft hiertegen geen afzonderlijk verweer gevoerd. Uit artikel 6:119a lid 1 BW volgt dat de wettelijke handelsrente verschuldigd is met ingang van de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling. In artikel 4.10 van de huurovereenkomst hebben partijen afgesproken dat de huur uiterlijk op de eerste dag van de maand moet worden betaald. Dit betekent dat de wettelijke handelsrente op de tweede dag van de maand gaat lopen. Omdat de huurachterstand (een deel van) de maanden mei, juni en juli 2024 betreft, wordt de wettelijke handelsrente toegewezen zoals hierna onder de beslissing is vermeld.
In reconventie heeft [opposante sub 1] c.s. terugbetaling van € 1.500,00 aan onverschuldigd betaalde huur gevorderd. Dit betreft de huur van maart 2024. Omdat het standpunt van [opposante sub 1] c.s. dat de huur per 14 februari 2024 is beëindigd niet wordt gevolgd, is de huur van maart 2024 niet onverschuldigd betaald. Deze vordering wordt daarom afgewezen. De wettelijke handelsrente over dit bedrag wordt als nevenvordering ook afgewezen.
De koopprijs en de kosten van Milieu Service Nederland worden afgewezen. Het aanbetaalde deel van de koopprijs moet worden terugbetaald.
Omdat niet is vast komen te staan dat er tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen, wordt de vordering van [opposante sub 1] c.s. tot betaling van het restant van de koopprijs van € 19.000,00 afgewezen.
[opposante sub 1] c.s. heeft ook betaling van € 702,80 gevorderd. Dit ziet op kosten die Milieu Service Nederland bij haar in rekening heeft gebracht. Op grond van de koopovereenkomst komen deze kosten volgens [opposante sub 1] c.s. voor rekening van [geopposeerde] . Omdat de koopovereenkomst niet vast is komen te staan, wordt ook deze vordering afgewezen.
De door [opposante sub 1] c.s. gevorderde wettelijke handelsrente over deze vorderingen wordt ook afgewezen.
Het feit dat de koopovereenkomst niet vast is komen te staan, betekent ook dat [geopposeerde] de aanbetaling van € 1.000,00 onverschuldigd heeft betaald. [opposante sub 1] c.s. moet dit bedrag daarom terugbetalen. Deze vordering van [geopposeerde] wordt toegewezen.
[geopposeerde] vordert de wettelijke handelsrente over de aanbetaling. Deze vordering wordt afgewezen, omdat deze vordering geen betrekking heeft op de vertraging in de voldoening van een geldsom in geval van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW. Wel kan de reguliere wettelijke rente van artikel 6:119 BW worden toegewezen. Omdat [geopposeerde] niet heeft gesteld wanneer het verzuim van [opposante sub 1] c.s. met betrekking tot deze vordering is ingetreden, wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf de datum van de akte wijziging van eis in conventie waarin dit bedrag voor het eerst is teruggevorderd (23 april 2025).
De achterstallige energiekosten worden afgewezen. De betaalde energiekosten moeten worden terugbetaald.
[geopposeerde] vordert (na vermeerdering van eis) € 1.786,99 aan achterstallige energiekosten (gas en elektriciteit). Dit bedrag ziet op de periode 18 november 2023 tot en met 14 mei 2024.
[opposante sub 1] c.s. betwist niet dat de kosten van gas en elektriciteit voor rekening van de huurder komen, maar stelt wel dat de eindafrekening niet gespecificeerd is en daaruit het verbruik niet valt af te leiden. Daarom vindt zij dat deze vordering moet worden afgewezen.
De kantonrechter is het met [opposante sub 1] c.s. eens. In artikel 21.5 van de op de huurovereenkomst toepasselijke algemene voorwaarden staat dat de verhuurder na het einde van de huur een gespecificeerd servicekostenoverzicht moet verstrekken die betrekking heeft op de periode tot het einde van de huur. [geopposeerde] heeft dit niet gedaan. Als productie 3 bij de dagvaarding heeft hij wel een screenshot van een ‘eindrekening’ van de energieleverancier overgelegd met betrekking tot de periode 18 november 2023 tot en met 14 mei 2024, maar daarin staan alleen de totale kosten die zouden zijn gemaakt. Uit deze eindrekening volgt niet wat het verbruik (m3 gas en kWh elektriciteit) is geweest en tegen welke tarieven er is afgerekend. Bovendien heeft deze afrekening geen betrekking op de periode tot het einde van de huur (althans tot en met juli 2024). Dit voldoet daarom niet aan artikel 21.5 van de algemene voorwaarden. Ook productie 4 bij de dagvaarding en productie 9 bij de conclusie van antwoord in oppositie bevatten geen overzicht van de servicekosten. Dit zijn enkel berichten van de energieleverancier met betrekking tot het verbruik van een aantal maanden.
De conclusie is dat aan [opposante sub 1] c.s. geen gespecificeerde en duidelijke afrekening is verstrekt waartegen zij zich behoorlijk kan verweren. De vordering van [geopposeerde] tot betaling van de energiekosten wordt daarom als onvoldoende onderbouwd afgewezen. De gevorderde wettelijke handelsrente wordt als nevenvordering ook afgewezen.
[opposante sub 1] c.s. vordert terugbetaling van € 561,34. Dit betreft energiekosten die op 2 februari 2024 aan [geopposeerde] zijn betaald. Omdat een eindafrekening ontbreekt, is dit bedrag volgens [opposante sub 1] c.s. onverschuldigd betaald.
Omdat [geopposeerde] geen gespecificeerde servicekostenafrekening heeft overgelegd, ontbreekt een rechtsgrond voor het in rekening brengen van de energiekosten. Dit betekent dat het bedrag van € 561,34 onverschuldigd is betaald. [geopposeerde] zal worden veroordeeld om dit aan [opposante sub 1] (de huurder) terug te betalen.
[opposante sub 1] vordert de wettelijke handelsrente over dit bedrag. Dit wordt afgewezen, omdat deze vordering geen betrekking heeft op de vertraging in de voldoening van een geldsom in geval van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW. Wel kan de reguliere wettelijke rente van artikel 6:119 BW worden toegewezen. Omdat [opposante sub 1] niet heeft gesteld wanneer het verzuim van [geopposeerde] met betrekking tot deze vordering is ingetreden, wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf de datum van de verzetdagvaarding waarin dit bedrag voor het eerst is teruggevorderd (30 januari 2025).
[opposante sub 1] c.s. moet buitengerechtelijke incassokosten betalen
[geopposeerde] vordert betaling van € 838,65 aan buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [geopposeerde] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Omdat de energiekosten worden afgewezen en voor de onverschuldigd betaalde aanbetaling niet is aangemaand, is het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief, zijnde € 583,81.
[opposante sub 1] c.s. moet de proceskosten in conventie betalen
[opposante sub 1] c.s. is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [geopposeerde] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
143,66
- griffierecht
€
706,00
- salaris gemachtigde
€
1.080,00
(3 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.073,66
Zoals hiervoor is overwogen ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten in conventie met 25% te matigen en wel tot € 1.555,25.
De proceskosten in reconventie worden gecompenseerd
Omdat partijen in reconventie allebei op punten in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten in reconventie volledig gecompenseerd.
4. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
vernietigt het verstekvonnis van 24 december 2024 met kenmerk 11437344 MC EXPL 24-7905;
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [opposante sub 1] c.s. om aan [geopposeerde] te betalen:
€ 3.574,90 aan achterstallige huur over de periode oktober 2023 tot en met juli 2024, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 574,90 vanaf 2 mei 2024, over € 1.500,00 vanaf 2 juni 2024 en over € 1.500,00 vanaf 2 juli 2024 tot de voldoening;
€ 1.000,00 als zijnde onverschuldigd betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 23 april 2025 tot de voldoening;
€ 583,81 aan buitengerechtelijke incassokosten;
veroordeelt [opposante sub 1] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 1.555,25, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
in reconventie
veroordeelt [geopposeerde] om aan [opposante sub 1] te betalen € 561,34 aan onverschuldigd betaalde energiekosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 30 januari 2025 tot de voldoening;
compenseert de proceskosten in die zijn dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in conventie en reconventie
veroordeelt [opposante sub 1] c.s. hoofdelijk tot betaling van de kosten van betekening als [opposante sub 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op
10 juni 2026.
45353