V.E.D. Milieuservice B.V., uit Dronten, eiseres
(gemachtigde: mr. E. Dans),
en
het college van gedeputeerde staten van Flevoland (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. A. de Wildt).
Inleiding
1. Eiseres heeft op 19 januari 2022 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het veranderen van haar inrichting aan de Pioniersweg in Dronten. In de bedrijfshal(len) aan de Pioniersweg 82-84 worden vet-, water- slibmengsels en swill verwerkt, waarna bedrijfsafvalwater biologisch wordt gezuiverd. In de bedrijfshal(len) aan de Pioniersweg 112-114 worden frituuroliën verwerkt. Voor deze zaak is met name van belang dat eiseres de verwerkingscapaciteit van organische olie- en vetverwerking wil uitbreiden tot 160.000 ton per jaar.
2. Met het besluit van 31 juli 2024 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
3. Het college heeft een verweerschrift ingediend en eiseres heeft hierop gereageerd.
4. De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiseres heeft hieraan deelgenomen samen met [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] . De gemachtigde van het college heeft deelgenomen samen met [persoon 4] en [persoon 5] .
Beoordeling door de rechtbank
Regelgeving
5. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
6. In artikel 2.14 van de Wabo is het toetsingskader opgenomen voor het beoordelen van een aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. Op grond van artikel 2.14, derde lid, van de Wabo kan de omgevingsvergunning slechts worden geweigerd in het belang van het milieu. Op grond van artikel 2.14, eerste lid, aanhef en onder c, onder 10, van de Wabo moet het college bij die beslissing in ieder geval in acht nemen dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende best beschikbare technieken (BBT) moeten worden toegepast. Een omgevingsvergunning moet worden geweigerd als de BBT niet worden toegepast.
7. Op grond van artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) houdt het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor een inrichting in aanmerking komende BBT rekening met BBT-conclusies en bij ministeriële regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT.
Het besluit
8. Het college heeft besloten om geen omgevingsvergunning te verlenen omdat de aanvraag niet uitgaat van BBT en daarnaast geurhinder onvoldoende of niet wordt voorkomen of, als dat niet mogelijk is, niet tot een minimum wordt beperkt. De inrichting beschikt onder andere niet over een milieubeheersysteem en evenmin over een geurbeheerplan. Uit de emissierapporten blijkt dat de geuremissienorm van BBT 34 wordt overschreden en de aanzienlijke toename van de geuremissie is ook in strijd met beleidsregel 1 en 4 van de Beleidsregels voor de beoordeling van geurhinder 2008 (hierna: het provinciaal beleid). Verder is bij het toepassen van meerdere scheidingstechnieken onduidelijk gebleven of wel of niet rekening is gehouden met natte gaswassing, is het verwijderingsrendement van het Moving Bed Trickling Filter onbekend en ontbreekt informatie over verdringingsverliezen uit de opslagtanks.
Het beroep van eiseres
9. Eiseres voert aan dat een milieubeheersysteem op grond van de Richtlijn industriële emissies 2010/75/EU (RIE) niet verplicht is en dat het moeten beschikken over een milieubeheersysteem ook als een voorschrift aan de vergunning verbonden had kunnen worden. Eiseres wijst erop dat een geurbeheerplan alleen verplicht is in gevallen waar geurhinder wordt verwacht of zich heeft voorgedaan en dat is hier niet het geval. En ook hiervoor geldt dat als het college dit noodzakelijk vond, hij een voorschrift aan de vergunning had kunnen verbinden. BBT 34 is volgens eiseres niet van toepassing want er worden in de inrichting alleen vloeibare/waterige afvalstoffen geaccepteerd en er vindt ook geen biologische behandeling van afval plaats anders dan de biologische behandeling van het afvalwater. Gelet op het rapport van [adviesbureau] is er ook geen sprake van strijd met het provinciaal beleid want binnen de berekende geurcontouren zijn geen woningen en minder gevoelige bestemmingen gelegen. Overigens wordt volgens eiseres wél voldaan aan de emissienormen uit BBT 34 omdat ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarde voor ammoniak. Uit de aanvraag en de daarbij behorende rapporten blijkt volgens eiseres verder duidelijk dat een natte gaswassing is aangevraagd en daarmee ook is gerekend. Ook voor het verwijderingsrendement van het Moving Bed Trickling Filter en de geurvracht geldt dat BBT 34 niet van toepassing is. Bovendien is aangetoond dat door het toepassen van een nageschakelde techniek (de luchtwasser) zowel de geur, als de emissie omlaag zal worden gebracht. Verdringingsverlies uit opslagtanks is niet aan de orde, omdat de lucht uit de tanks wordt afgezogen. In haar aanvullende beroepsgronden doet eiseres ook een beroep op het vertrouwensbeginsel. Zij baseert dit op de brief van 11 november 2022, waarin staat dat de aangevraagde geurconcentratie van 47.000 OuE/m3 onder voorwaarden vergunbaar is.
Is BBT 34 van toepassing?
10. Het belangrijkste geschilpunt tussen partijen is de vraag of BBT 34 op de aanvraag van toepassing is en zo ja, of de aanvraag voldoet aan BBT 34. De rechtbank zal eerst dit punt beoordelen, omdat de uitkomst daarvan ook bepalend is voor een groot deel van de overige beroepsgronden.
11. De BBT-conclusies voor afvalbehandeling zijn opgenomen in het Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1147 van de Commissie van 10 augustus 2018 (hierna: het Uitvoeringsbesluit). In punt 3 van het Uitvoeringsbesluit zijn de BBT-conclusies opgenomen voor de biologische behandeling van afval.
12. Eiseres heeft aangevoerd dat in haar bedrijfsproces olie/water en olie/water/slibmengsels binnenkomen. Deze mengsels worden gescheiden en alleen het water wordt biologisch behandeld. In haar bedrijfsproces worden dus uiteindelijk alleen op water gebaseerde, vloeibare afvalstromen biologisch behandeld, waar punt 3 niet op van toepassing is.
13. Het standpunt van eiseres komt er in de kern op neer dat in de verschillende stadia van afvalverwerking beoordeeld moet worden welke BBT van toepassing is. De rechtbank is het daar niet mee eens en zal dat hierna toelichten. De BBT-conclusies zijn van toepassing op de biologische behandeling van afval en zijn vastgesteld op grond van de RIE. Artikel 3, punt 37, van de RIE definieert “afval” als: afvalstof als omschreven in punt 1 van artikel 3 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen. In die laatstgenoemde Richtlijn wordt “afvalstof” omschreven als: elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Gelet op deze definitie slaagt het betoog van eiseres niet dat alleen gekeken moet worden naar het (reinigings)proces van bedrijfsafvalwater dat plaatsvindt in de installatie. In het geval van eiseres zijn haar klanten de houders die zich van hun afvalstoffen willen ontdoen. Alle vetten en oliën die eiseres in haar inrichting inzamelt vallen daarmee al onder de definitie afvalstof. Eiseres verwerkt dat waar haar klanten, de afvalstoffenhouders, zich van willen ontdoen. Dat betekent dat op het moment van binnenkomst van de afvalstoffen bekeken moet worden welke BBT-conclusies voor afvalbehandeling van toepassing zijn en niet pas nadat een afvalstroom al (deels) bewerkt of gescheiden is. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt dus niet.
14. Voor het geval dat uitgegaan moet worden van het geheel aan afvalstoffen dat bij de inrichting binnenkomt, heeft eiseres gesteld dat ook dan sprake is van op water gebaseerde, vloeibare afvalstromen waar de BBT-conclusies in punt 3 niet van toepassing op zijn. Ook daarin volgt de rechtbank eiseres niet. Het Uitvoeringsbesluit definieert op water gebaseerde, vloeibare afvalstromen als: afvalstromen die bestaan uit waterige vloeistoffen, zuren/basen of verpompbaar slib (bv. emulsies, afgewerkte zuren, waterig scheepsafval) en die geen vloeibaar biologisch afbreekbaar afval zijn. Onder vloeibaar biologisch afbreekbaar afval verstaat het Uitvoeringsbesluit: afval van biologische oorsprong met een relatief hoog watergehalte (bv. inhoud van vetafscheiders, organisch slib, keukenafval en etensresten). De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de afvalstromen vallen onder de definitie van vloeibaar biologisch afbreekbaar afval. Dat de afvalstromen voor een groot gedeelte uit water bestaan, zoals eiseres betoogt, komt helemaal overeen met deze definitie. Daarmee staat ook vast dat deze afvalstromen niet kunnen worden aangeduid als op water gebaseerde, vloeibare afvalstromen want de definitie daarvan sluit vloeibaar biologisch afbreekbaar afval juist uit. Dat betekent dat het college terecht heeft getoetst of de aanvraag voldoet aan de BBT-conclusies onder punt 3 van het Uitvoeringsbesluit.
Voldoet de aanvraag aan BBT-conclusie 34?
15. Volgens tabel 6.7 van BBT 34 geldt voor de biologische behandeling van afval de grenswaarde voor ammoniak óf voor geurconcentratie. Volgens eiseres had het college moeten kiezen voor de grenswaarde voor ammoniak. Aan die emissienormen wordt ruimschoots voldaan. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals hiervoor reeds weergegeven dient het college bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning de BBT in acht te nemen. De doelstelling van de RIE en de daarop gebaseerde BBT voor afvalbehandeling is het garanderen van een hoog niveau van milieubescherming en van een verbetering van de milieukwaliteit. Gelet op deze doelstelling wordt bij de beoordeling van een aanvraag bekeken welke emissie de meeste impact heeft op het milieu (in dit geval de lucht) en welke techniek gebruikt moet worden om emissie naar lucht te verminderen. Het college heeft uiteengezet dat de ammoniakemissie ruimschoots lager is dan de grenswaarde, waardoor het beperken van deze emissie minder relevant is voor het verminderen van milieuhinder in de omgeving dan het beperken van geur. De rechtbank kan dit volgen. Volgens tabel 6.7 van BBT 34 mag de geuremissie maximaal 1.000 OuE/Nm3 bedragen. Vaststaat dat de aangevraagde geurconcentratie van 47.000 OuE/Nm3 daar ver boven zit. Gelet daarop heeft het college kunnen besluiten dat niet wordt voldaan aan BBT en dat de vergunning moest worden geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu. Dat betekent ook dat de rechtbank niet toekomt aan het bespreken van de beroepsgronden die gaan over het provinciaal geurbeleid. Dit geurbeleid gaat er immers ook van uit dat bij (het voorkomen van) geurhinder ALARA wordt toegepast, de voorloper van het begrip BBT.
Tussenconclusie
16. De rechtbank komt tot de conclusie dat het college terecht heeft getoetst of de aanvraag voldoet aan BBT 34 en op juiste gronden heeft besloten de aanvraag vanwege het niet voldoen aan BBT te weigeren. Daarom komt de rechtbank niet toe aan het bespreken van de gronden van eiseres over het milieubeheersysteem, het geurbeheerplan, al dan niet ontbrekende informatie bij de aanvraag, het verwijderingsrendement van het Moving Bed Trickling Filter en het verdringingsverlies uit opslagtanks. Wel beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres doet op het vertrouwensbeginsel.
Vertrouwensbeginsel
17. Eiseres doet een beroep op de brief van het college van 11 november 2022 waarin staat dat in het overleg van 9 november 2022 is aangegeven dan 47.000 OuE/m3 geureenheden onder voorwaarden vergunbaar is. Volgens vaste rechtspraak moet degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk maken dat van de kant van het college toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht worden afgeleid dat het college een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. De rechtbank is van oordeel dat uit de brief niet blijkt dat door of namens het college aan eiseres toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht, waaruit zij redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat een vergunning zou worden verleend voor een geurconcentratie van 47.000 OuE/m3. In de brief is immers de nuance aangebracht dat deze eenheden onder voorwaarden vergunbaar zijn. Ook wordt er op gewezen dat het niet de bedoeling is om zonder BBT-toets de geuremissienorm te verhogen. Verder blijkt uit de brief ook niet dat het college bereid is om van BBT af te wijken. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, voorzitter, en mr. S.C.A. van Kuijeren en mr. M.W.A. Schimmel, leden, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.