[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] (de heffingsambtenaar), verweerder.
Inleiding
In de beschikking van 22 februari 2024 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats] (de woning) voor het belastingjaar 2024 vastgesteld op € 479.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2023. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendzaakbelasting, afvalstoffenheffing en rioolheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
Eiser heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar van 21 mei 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard en is de WOZ-waarde van de woning en de daarop gebaseerde aanslag gehandhaafd.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingebracht.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 20 januari 2026 behandeld. Namens de heffingsambtenaar was taxateur [taxateur] aanwezig. Eiser is niet verschenen.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser is het niet eens met de vastgestelde WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2023 en vindt dat de waarde lager moet worden vastgesteld. De heffingsambtenaar handhaaft de in de uitspraak op bezwaar vastgestelde waarde van € 479.000,-.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak, omdat eiser niet kan worden ontvangen in zijn beroep. Dit legt de rechtbank hierna uit.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser het beroepschrift op 22 februari 2024 heeft ingediend. Op dat moment liep de bezwaarfase nog. De uitspraak op bezwaar is op 21 mei 2024 genomen. Het beroepschrift is dus ingediend voordat er een uitspraak op bezwaar is gedaan. Daarmee is het beroep te vroeg (prematuur) ingediend. In dat geval wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
4. Op grond van artikel 6:10, eerste lid, van de Awb blijft het niet-ontvankelijk verklaren achterwege als de uitspraak op bezwaar al tot stand was gekomen of als de indiener redelijkerwijs kon menen dat de uitspraak op bezwaar reeds tot stand was gekomen. Dat is in deze zaak niet gebleken. Van het achterwege laten van niet-ontvankelijkheid is dan ook geen sprake.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak daarom niet inhoudelijk. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Azmi, griffier.
Uitgesproken op 20 januari 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.