RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11802601 \ UC EXPL 25-5985 BJvd/61169
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A.W. van Luipen,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. F. Jagersma.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.
2. De kern van de zaak
[eiser] werkte van 1 mei 2024 tot 31 juli 2024 voor zes uur per week als [functie] bij [gedaagde] . [eiser] vordert in deze procedure achterstallig loon, vermeerderd met wettelijke rente en de wettelijke verhoging. [gedaagde] is het daar niet mee eens. Volgens haar klopt de urenregistratie van [eiser] niet en daarom heeft [gedaagde] 68 uren als min-uren ingehouden en verrekend met de vordering van [eiser] op [gedaagde] . [gedaagde] stelt dat daarmee de vordering van [eiser] is tenietgegaan. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de min-uren niet in mindering mocht brengen en wijst de loonvordering van [eiser] toe.
3. De beoordeling
Het beoordelingskader bij een loonvordering
De werkgever is verplicht het overeengekomen loon te voldoen tijdig te voldoen. Als de werknemer de afgesproken arbeid helemaal of deels niet heeft verricht, moet de werkgever het afgesproken loon betalen, tenzij het niet uitvoeren van het werk redelijkerwijs voor rekening van de werknemer moet komen.
[gedaagde] mag geen uren in mindering brengen op de loonvordering van [eiser]
[eiser] vordert betaling van achterstallig loon ter hoogte van € 540,99, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging. In de arbeidsovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat [eiser] 6 uur per week zou werken en dat overwerk wordt uitbetaald. Het uitgangspunt is dat [gedaagde] die uren moet betalen. Alleen als zou vast staan dat [eiser] de overeengekomen uren niet heeft gewerkt vanwege een reden die voor zijn rekening hoort te komen, is [gedaagde] gerechtigd de uren niet uit te betalen of te verrekenen. Van zo’n situatie is geen sprake.
In de wet is bepaald dat de werkgever verplicht is om een deugdelijke registratie van de arbeidstijden van de werknemer bij te houden. [gedaagde] heeft er voor gekozen om deze taak uit te besteden aan haar werknemers. [gedaagde] heeft namelijk een systeem waarin de werknemers zelf hun uren moeten bijhouden en invullen. Hoe dit systeem precies werkt is door partijen niet uitgelegd, maar uit de stukken lijkt te volgen dat iedere minuut of iedere zoveel minuten die wordt of worden gewerkt moet(en) worden verantwoord.
[gedaagde] stelt dat zij nog een vordering van € 627,06 op [eiser] heeft en de loonvordering van [eiser] door verrekening teniet is gegaan. Nadat [eiser] op 31 juli 2024 ontslag heeft genomen bleek volgens [gedaagde] bij de eindafrekening van 23 september 2024 dat [eiser] nog een bedrag van € 627,06 aan [gedaagde] verschuldigd is.
[gedaagde] heeft in artikel 8 lid 3 van de arbeidsovereenkomst met [eiser] opgenomen dat de werknemer die te weinig uren heeft gedraaid daarop wordt gewezen en de mogelijkheid krijgt om deze in de volgende week in te halen. In hetzelfde artikel is ook opgenomen dat [gedaagde] min-uren in mindering mag brengen op het overeengekomen loon als [eiser] gemiste uren niet binnen een week daarna zou inhalen en als [eiser] daarop is gewezen door [gedaagde] . [gedaagde] stelt dat zij [eiser] op 29 juli 2024 en op 6 september 2024 heeft gevraagd om 68 uren uit de door hem ingevulde urenregistratie te verantwoorden, omdat deze uren vragen opriepen bij [gedaagde] . Omdat [eiser] niet heeft gereageerd, zijn de 68 uren door [gedaagde] gekwalificeerd als min-uren en vervolgens verrekend met het nog te betalen salaris van [eiser] , waardoor er volgens [gedaagde] niets meer over bleef om uit te betalen.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] deze gestelde min-uren niet mag verrekenen met het nog uit te betalen salaris. De kantonrechter overweegt daarover het volgende:
Dat [gedaagde] een urenregistratiesysteem heeft (waarbij de werknemer zijn uren moet bijhouden) betekent niet dat zij geen eigen verantwoordelijkheid heeft om een correcte registratie van de arbeidstijden van haar werknemers bij te houden. Ook moet [gedaagde] tijdig actief sturen op de (juiste) invulling van de werktijden door haar werknemers als zij denkt dat de werknemer de uren niet goed registreert.
Uit de stukken volgt dat [gedaagde] op 29 juli 2024 voor het eerst per e-mail aan [eiser] laat weten vragen te hebben over de door [gedaagde] bijgevoegde geel gearceerde regels in de door [eiser] ingevulde urenregistratie. Daarin staat ook dat er vanaf dat moment wordt verwacht dat [eiser] binnen het budget van uren zal werken. Er wordt niet gewaarschuwd voor een tekort aan uren over de door [eiser] gewerkte periode. Ook is niet besproken dat [eiser] eventuele tekorten aan uren de volgende week mag inhalen en er wordt bovendien niet gewaarschuwd dat de uren waar [gedaagde] vragen over heeft eventueel als min-uren kunnen worden aangemerkt. Op basis van de arbeidsovereenkomst is dit wel vereist dat [gedaagde] uren als min-uren in mindering wil brengen.
Pas op 6 september 2024 heeft [gedaagde] [eiser] gewaarschuwd voor het in rekening brengen van min-uren, terwijl het dienstverband toen al was beëindigd door [eiser] en eerder namens [gedaagde] aan [eiser] was bevestigd dat hij zijn uren nog uitbetaald zou krijgen.
Uit de door [gedaagde] overgelegde urenregistraties blijkt dat [eiser] bij zijn gewerkte uren bijna altijd een omschrijving heeft gegeven van de werkzaamheden die hij heeft verricht. [gedaagde] heeft ook niet gesteld dat [eiser] niet werkte voor de klanten en projecten waar hij zijn uren op schreef. Dat het werk niet zou zijn verricht, is dus niet gebleken. Dat [eiser] misschien meer uren besteedde aan taken dan [gedaagde] wenste of kwalitatief niet voldeed aan de eisen van [gedaagde] , betekent niet dat [gedaagde] [eiser] niet hoeft te betalen voor zijn werkzaamheden.
[gedaagde] stelt dat [eiser] voor bepaalde uren een onjuiste projectcode heeft ingevuld of onvoldoende toelichting heeft gegeven van zijn werkzaamheden daarvoor. De kantonrechter kan zich voorstellen dat werknemers af en toe fouten maken bij het invullen van de urenregistratie, maar dat betekent niet hiermee kan worden aangenomen dat de arbeid niet is verricht. Bovendien heeft [eiser] bij de dagvaarding een toelichting gegeven op de uren waar [gedaagde] vragen over had en is door [gedaagde] niet (voldoende) gesteld dat deze toelichting onvoldoende zou zijn of dat uit de toelichting niet blijkt dat [eiser] de werkzaamheden heeft verricht.
[gedaagde] moet het achterstallige loon, de wettelijke rente en de wettelijke verhoging aan [eiser] betalen
Gelet op het bovenstaande is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] het achterstallige loon van [eiser] moet betalen. Omdat [gedaagde] in verzuim is met de betaling van het achterstallige loon moet zij ook de wettelijke rente daarover betalen, vanaf het moment dat de bedragen betaald moesten zijn. [gedaagde] heeft verzocht om matiging van de gevorderde wettelijke verhoging. Volgens [gedaagde] had zij goede redenen om niet tot uitbetaling van het loon over te gaan, omdat [eiser] geen verklaring gaf voor de vragen over de urenregistratie. De kantonrechter heeft hierboven uitgelegd dat [gedaagde] geen grond had voor het verrekenen van min-uren. Daarom is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan een matiging gerechtvaardigd zou zijn. De wettelijke verhoging zal worden toegewezen zoals gevorderd.
De loonvordering van € 70,00 zal worden toegewezen
[eiser] werkte per 1 februari 2024 voor het bedrijf [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). Vanuit dit dienstverband vordert [eiser] achterstallig loon van € 70,00. [eiser] stelt dat er een overgang van onderneming heeft plaatsgevonden en dat zijn werkzaamheden zonder onderbreking per 1 mei 2024 bij [gedaagde] zijn voortgezet. Daarom zou ook de vordering van € 70,00 op [bedrijf] van rechtswege over zijn gegaan op [gedaagde] . Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt voldoende dat sprake is van een overgang van onderneming. Namelijk, (een deel van het) personeel is mee overgegaan, het arbeidscontract is hetzelfde gebleven (alleen de naam van de werkgever is aangepast) en de eigenaar van beide ondernemingen is dezelfde. Bovendien heeft [gedaagde] in de e-mail van 29 juni 2024 ook vragen gesteld over de uren van [gedaagde] in maart 2024. Uit de urenregistratie blijkt dat deze doorloopt van maart (toen [eiser] nog een arbeidscontract met [bedrijf] had) tot en met juli 2024 (toen [eiser] sinds mei een arbeidscontract had met [gedaagde] ) zonder dat daarin is terug te vinden dat de werkgever is veranderd. Daaruit blijkt naar het oordeel van de kantonrechter voldoende dat [gedaagde] ook over de uren van [eiser] bij [bedrijf] gaat en dus ook verantwoordelijk kan worden gehouden voor achterstallig salaris van [bedrijf] . Tegen de hoogte van het bedrag heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd. Dit bedrag zal daarom worden toegewezen.
Omdat [gedaagde] in verzuim is met de betaling van dit bedrag, moet zij ook de wettelijke rente betalen hierover. [gedaagde] heeft niet gesteld dat de gevorderde wettelijke verhoging hierover gematigd moet worden. De kantonrechter ziet verder ook geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen en deze zal dan ook worden toegewezen zoals gevorderd.
De vordering tot vergoeding van benzinekosten zal worden afgewezen
[eiser] vordert betaling van € 75,89 als declaratie voor benzinekosten. Deze kosten zullen worden afgewezen. Op grond van artikel 18 van de arbeidsovereenkomst had [eiser] geen recht op een onkostenvergoeding en [eiser] heeft niet gesteld waarom hij ondanks deze bepaling uit de arbeidsovereenkomst wel recht zou hebben op betaling van dit bedrag.
[gedaagde] moet een correcte eindafrekening opstellen
[eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een deugdelijke en correcte eindafrekening met een bruto-netto berekening op te stellen, onder verbeurte van een dwangsom. De kantonrechter zal [gedaagde] veroordelen de eindafrekening op te stellen.
Deze dwangsom wordt afgewezen, omdat er geen aanwijzingen zijn dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling zal voldoen. In het verleden heeft [gedaagde] de loonstroken ook altijd opgemaakt en aan het einde van het dienstverband is een eindafrekening opgesteld. De kantonrechter gaat ervanuit dat [gedaagde] de eindafrekening corrigeert naar aanleiding van de overwegingen in dit vonnis.
[eiser] vordert ook betaling van het bedrag dat volgt uit de door [gedaagde] op te stellen eindafrekening, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging daarover. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] naast het achterstallige loon nog andere bedragen aan [eiser] verschuldigd is. Omdat betaling van het achterstallige loon, de wettelijke rente en de wettelijke verhoging daarover al worden toegewezen, zal deze vordering worden afgewezen.
De buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Er is niet gesteld of gebleken dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten en de wettelijke rente daarover betalen
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
€
90,00
- salaris gemachtigde
€
270,00
(2 punten × € 135,00)
- nakosten
€
67,50
Totaal
€
427,50
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van het achterstallige loon van € 540,99 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het moment dat het bedrag betaald had moeten zijn, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van het achterstallige loon van € 70,00 netto, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het moment dat het bedrag betaald had moeten zijn, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW van 50% over het achterstallige loon als genoemd in 4.1 en 4.2;
veroordeelt [gedaagde] om een deugdelijke en correcte eindafrekening op te stellen, voorzien van een deugdelijke bruto-netto verekening,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 427,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op
21 januari 2026