RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11810984 \ UC EXPL 25-6092
Vonnis van 14 januari 2026
in de zaak van
MR. REINOUD ANTON MAXIMILIAAN LOUIS OEIJEN,
handelend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf 1] B.V.,
kantoorhoudende in Eindhoven,
eisende partij,
hierna te noemen: Oeijen q.q.,
gemachtigde: mr. C.C.G. van Dooren,
tegen
[gedaagde] B.V.,
kantoorhoudende in [kantoorplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
vertegenwoordigd door haar bestuurder dhr. [gemachtigde] .
1. De procedure
Oeijen q.q. heeft [gedaagde] op 13 juni 2025 gedagvaard voor de kantonrechter van de rechtbank in Amsterdam. Op 11 juli 2025 heeft de kantonrechter vonnis gewezen, waarin hij zichzelf onbevoegd heeft verklaard en de zaak heeft doorverwezen naar de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland. Op 22 juli 2025 heeft Oeijen q.q. vervolgens [gedaagde] gedagvaard voor de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland. [gedaagde] heeft hier op 30 juli 2025 op gereageerd in een conclusie van antwoord. De kantonrechter heeft hierna een mondelinge behandeling bepaald.
De mondelinge behandeling heeft op 17 december 2025 plaatsgevonden. Oeijen q.q. was aanwezig met zijn gemachtigde, mr. C.C.G. van Dooren. Namens [gedaagde] was de heer [gemachtigde] aanwezig. De heer [A] was aanwezig om tijdens de mondelinge behandeling te vertalen voor de heer [gemachtigde] . Partijen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en hebben op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
Ten slotte heeft de kantonrechter partijen laten weten dat het vonnis vandaag wordt uitgesproken.
2. De kern van de zaak
Oeijen q.q. heeft via [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ) zaken uit de boedel van [bedrijf 1] B.V. aangeboden op een openbare veiling. Eén van deze zaken was de Lightyear Mock-up Prototype Solar Powered Car (hierna: de Mock-up). Oeijen q.q. zegt dat [gedaagde] tijdens de veiling van de Mock-up het hoogste bod van € 20.000,00 heeft uitgebracht. Dit bod heeft Oeijen q.q. geaccepteerd, dus is er een overeenkomst tot stand gekomen. [gedaagde] betwist dat zij het bod van € 20.000,00 heeft uitgebracht en zegt dat ze gehackt is. Zij wil daarom niet aan Oeijen q.q. betalen. Omdat [gedaagde] niet betaalde, heeft Oeijen q.q. de overeenkomst ontbonden. Hij zegt dat hij door de ontbinding schade heeft geleden en hij wil dat [gedaagde] deze schade vergoedt. De kantonrechter geeft Oeijen q.q. gelijk en oordeelt dat [gedaagde] een schadevergoeding van € 13.750,00 aan Oeijen q.q. moet betalen.
3. De beoordeling
Er is rechtsgeldig een overeenkomst tussen Oeijen q.q. en [gedaagde] ontstaan
Om vast te stellen of [gedaagde] een schadevergoeding moet betalen aan Oeijen q.q., moet eerst beoordeeld worden of er een overeenkomst was tussen beide partijen. Alleen als [gedaagde] tekort is geschoten in verplichtingen uit een rechtsgeldige overeenkomst, kan de gevorderde schadevergoeding namelijk worden toegewezen.
Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding. Bij een (executie)veiling, kan het doen van een bod gezien worden als een aanbod. Wanneer de verkoper met dit (hoogste) bod akkoord gaat, is een overeenkomst tot stand gekomen. Volgens Oeijen q.q. is er op deze manier een overeenkomst tot stand gekomen tussen partijen, maar [gedaagde] betwist dat zij een aanbod heeft gedaan. Zij zegt dat ze het bod van € 20.000,00 niet heeft uitgebracht en dat het bod is gedaan vanuit een hack van haar systeem óf het gevolg was van een systeemfout bij [bedrijf 2] . Volgens [gedaagde] is er dus geen overeenkomst tot stand gekomen omdat een rechtsgeldig aanbod ontbreekt.
De kantonrechter komt tot de conclusie dat Oeijen q.q. erop mocht vertrouwen dat het aanbod dat is gedaan van [gedaagde] afkomstig was, dat zij daarom [gedaagde] mag houden aan dit aanbod en dat de aanvaarding ervan heeft geleid tot een rechtsgeldige overeenkomst. De kantonrechter motiveert dat als volgt.
[gedaagde] heeft uitgelegd dat uit het biedoverzicht blijkt dat vrijwel tegelijkertijd meerdere biedingen vanaf haar IP-adres zijn gedaan. Het is voor mensen, volgens [gedaagde] , onmogelijk om zo snel achter elkaar te bieden. Er zijn bovendien alleen (steeds hogere) biedingen gedaan door [gedaagde] . Dat is niet logisch omdat je alleen hoger biedt als een ander een hoger bod uitbrengt. [gedaagde] zegt ook dat je niet hoger kan bieden, zonder dat een ander een hoger bod heeft gedaan. Kennelijk is dit ook [bedrijf 2] opgevallen, want zij heeft per e-mail van 30 september 2024 laten weten dat er ongebruikelijke biedingen werden gedaan vanaf het account van [gedaagde] met de vraag of dit wel de bedoeling was. Er zijn dus aanwijzingen dat het niet de bedoeling was van [gedaagde] om het bod dat Oeijen q.q. heeft geaccepteerd, uit te brengen. Toch kan dat niet aan Oeijen q.q. worden tegengeworpen om de volgende redenen.
Ten eerste staat niet ter discussie dat het bod van [gedaagde] is gedaan vanaf haar account. Dit account was al vijf jaar actief en [gedaagde] heeft vanaf het account meerdere biedingen gedaan op verschillende kavels bij [bedrijf 2] .
Ten tweede is niet aannemelijk is geworden dat Oeijen q.q. uit de wijze waarop geboden werd en de prijs die werd geboden, af had moeten leiden dat [gedaagde] dit bod niet beoogde uit te brengen. Kennelijk was het voor [bedrijf 2] wel duidelijk dat er afwijkend werd geboden, maar uit niets blijkt dat die manier van bieden kenbaar is gemaakt aan Oeijen q.q. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat het bod als niet realistisch beschouwd had moeten worden. Dat de Mock-up uiteindelijk voor een lager bedrag aan een derde is verkocht is daarvoor onvoldoende.
Oeijen q.q. mocht de overeenkomst ontbinden en heeft dat ook gedaan
De overeenkomst die tussen Oeijen q.q. en [gedaagde] was gesloten, is door Oeijen q.q. rechtsgeldig ontbonden. Op grond van de algemene voorwaarden die van toepassing zijn op de overeenkomst (hierna: de AV), mocht Oeijen q.q. de overeenkomst namelijk ontbinden wanneer [gedaagde] haar verplichtingen uit de overeenkomst niet zou nakomen. [gedaagde] heeft niet betaald voor de Mock-Up en is daarmee haar verplichtingen uit de overeenkomst niet nagekomen. Met de brief van 5 december 2024 heeft [bedrijf 2] vervolgens de overeenkomst namens Oeijen q.q. ontbonden. Dit is door Oeijen q.q. bevestigd in de brief van 24 februari 2025.
[gedaagde] moet € 13.750,00 aan Oeijen q.q. betalen
Oeijen q.q. vordert betaling van [gedaagde] van € 18.348,00. Dit bedrag bestaat uit € 4.598,00 aan zogenaamd ‘opgeld’ en een schadevergoeding van € 13.750,00. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de schadevergoeding wel moet betalen, maar het opgeld niet. Zij legt dit hierna uit.
[gedaagde] vordert primair schadevergoeding op grond van art. 19.3 van de AV. In dit artikel staat echter slechts een grondslag voor [bedrijf 2] om het opgeld te vorderen ‘without prejudice to the Seller’s right to claim full compensation’. Daarmee biedt dit artikel niet zozeer de grondslag voor een vergoeding van schade die Oeijen q.q. stelt te hebben geleden, maar verwijst het meer naar het wettelijk recht op schadevergoeding dat Oeijen q.q. heeft en waarop zij subsidiair een beroep doet. In de wet staat dat [gedaagde] de schade moet vergoeden die Oeijen q.q. lijdt, doordat [gedaagde] haar verplichtingen uit de overeenkomst niet nakomt, maar de overeenkomst in plaats daarvan is ontbonden. Na de ontbinding van de koopovereenkomst door Oeijen q.q. is de Mock-Up nogmaals aangeboden op een openbare veiling. Bij deze nieuwe veiling is de Mock-Up verkocht voor € 6.250,00. Oeijen q.q. zeg dat hij dus € 13.750,00 (€ 20.000,00 - € 6.250,00) schade heeft geleden door de ontbinding van de koopovereenkomst. [gedaagde] heeft dit niet betwist. Zij heeft alleen tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat € 20.000,00 geen reëel bedrag is omdat de Mock-Up minder waard is. Dat de Mock-Up minder waard is, maakt echter niet dat Oeijen q.q. minder schade zou hebben geleden. Wanneer de overeenkomst namelijk niet was ontbonden vanwege het niet-nakomen van [gedaagde] , had [gedaagde] € 20.000,00 moeten betalen aan Oeijen q.q. Oeijen q.q. heeft € 13.750,00 schade geleden, omdat hij door de ontbinding € 13.750,00 is misgelopen. Dit deel van de vordering kan dus worden toegewezen.
Oeijen q.q. vordert ook betaling van € 4.598,00 aan ‘opgeld’. Dit zijn de kosten van de veiling, die 19% van het bod van € 20.000,00 bedragen. In artikel 19.3 van de AV staat, voor zover relevant:
‘In the event of termination or dissolution as referred to in Article 19.1, the Buyer still owes [bedrijf 2] the Call Money’
Hieruit volgt dat [gedaagde] ook bij ontbinding van de overeenkomst het opgeld moet betalen aan [bedrijf 2] . Hieruit blijkt niet dat [gedaagde] een betalingsverplichting heeft tegenover Oeijen q.q. Oeijen q.q. heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat hij het opgeld int voor [bedrijf 2] en dat hij daarvoor een volmacht heeft gekregen. Daarmee stelt Oeijen q.q. dat hij optreedt als incassogemachtigde. Dat is niet voldoende om deze vordering toe te wijzen. Dan had de procedure mede namens [bedrijf 2] als eiser moeten worden gevoerd en dat is niet gebeurd. Daar komt bij dat het opgeld verschuldigd is voor de rol die [bedrijf 2] heeft vervuld bij het tot stand komen van de overeenkomst. Die rol heeft [gedaagde] ter discussie gesteld en daarmee ook de verschuldigdheid van het opgeld. Volgens haar is zij namelijk gehackt of is er sprake geweest van een systeemfout bij [bedrijf 2] . Wat wel of niet de oorzaak is geweest en voor wiens rekening en risico dit moet komen kan in deze procedure niet worden vastgesteld omdat daar kennelijk noch door [bedrijf 2] , noch door [gedaagde] verder onderzoek naar is gedaan of laten doen. Wel is aannemelijk dat er iets vreemds met de biedingen aan de hand is geweest aangezien [bedrijf 2] dit zelf heeft gesignaleerd. Het verweer van [gedaagde] zou dus aandacht verdienen, maar daaraan kan niet in deze procedure worden voldaan omdat [bedrijf 2] hierin geen partij is.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen
Omdat [gedaagde] niet heeft betaald, moet [gedaagde] ook de wettelijke rente over € 13.750,00 betalen. Oeijen q.q. vordert primair de rente vanaf het moment waarop [gedaagde] in verzuim was om het bod van € 20.000,00 te betalen. Maar, [gedaagde] kan pas in verzuim zijn vanaf het moment dat Oeijen q.q. de schadevergoeding vanwege de ontbinding van [gedaagde] vorderde op 24 februari 2025. [gedaagde] heeft in de brief van 24 februari 2025 van Oeijen q.q. een termijn van 10 werkdagen gekregen om de schadevergoeding te betalen. De wettelijke rente is zij daarom verschuldigd vanaf 11 maart 2025.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
Oeijen q.q. vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering is een vordering tot het betalen van schadevergoeding en valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De kantonrechter stelt vast dat het gevorderde bedrag van € 912,50 redelijk is en dat die kosten in redelijkheid zijn gemaakt. De kantonrechter zal daarom zal dit bedrag toewijzen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Oeijen q.q. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
732,00
- salaris gemachtigde
€
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.801,35
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd door Oeijen q.q. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Oeijen q.q. te betalen een bedrag van € 13.750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 11 maart 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan Oeijen q.q. te betalen een bedrag van € 912,50 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.801,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.
62938