RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11988831 \ UV EXPL 25-307
Vonnis in kort geding van 20 januari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. A. Latta,
tegen
[gedaagde] ,
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1. De procedure
[eiseres] heeft [gedaagde] op 30 december 2025 gedagvaard voor de kantonrechter. De kantonrechter heeft vervolgens een mondelinge behandeling bepaald.
De mondelinge behandeling heeft op 13 januari 2026 plaatsgevonden. Namens [eiseres] waren [A] en haar gemachtigde, mr. A. Latta aanwezig. [gedaagde] was niet aanwezig, dus heeft de kantonrechter het door mr. Latta gevraagde verstek tegen hem verleend. [eiseres] heeft antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
Tenslotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.
2. De kern van de zaak
[eiseres] verhuurt sinds 15 januari 2024 de woning aan [adres] te [woonplaats] aan [gedaagde] voor € 997,86 per maand. [gedaagde] heeft de huur van de maanden januari, maart, april, mei en augustus t/m december 2025 niet betaald. Partijen hebben eerder een betalingsregeling afgesproken, maar [gedaagde] heeft volgens [eiseres] niet de afgesproken bedragen betaald, dus is de regeling komen te vervallen. [eiseres] wil dat [gedaagde] de huurachterstand betaalt en de woning ontruimt. [gedaagde] is niet in de procedure verschenen en heeft dit dus niet weersproken. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiseres] toe.
3. De beoordeling
Spoedeisend belang
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiseres] bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Van een spoedeisend belang is sprake wanneer een onmiddellijke voorziening nodig is en van [eiseres] niet kan worden verlangd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. [eiseres] heeft aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] de huur al langere tijd niet heeft betaald en dat de huurachterstand oploopt. Hiermee is de spoedeisendheid gegeven.
Toetsingskader
[gedaagde] is op 13 januari 2026 niet op de mondelinge behandeling verschenen. Uit de dagvaarding is gebleken dat hij op de juiste manier voor de zitting is opgeroepen. De kantonrechter heeft daarom verstek tegen hem verleend. Als gevolg daarvan worden de vorderingen tegen hem toegewezen, tenzij de kantonrechter vindt dat deze onrechtmatig of ongegrond zijn.
[gedaagde] moet de huurachterstand betalen
Omdat [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd tegen de stellingen van [eiseres] , moet de kantonrechter uitgaan van de stellingen van [eiseres] . Dat betekent dat wordt vastgesteld dat de maandelijkse huurprijs € 997,86 is en de huurachterstand van [gedaagde] tot de dag van de dagvaarding € 7.675,75. Dit gevorderde bedrag van € 7.675,75 komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt daarom toegewezen. Omdat [gedaagde] te laat is met betalen, moet hij ook de wettelijke rente over de verschuldigde termijnen betalen, telkens vanaf het moment van opeisbaarheid. [eiseres] heeft de rente tot en met 13 januari 2026 berekend op € 259,33.
[gedaagde] moet de woning ontruimen
[gedaagde] heeft een huurachterstand van negen maanden. Omdat de huurachterstand opliep, heeft [eiseres] op 5 september 2025 een melding vroegsignalering gedaan bij de schuldhulpverlening van de gemeente Veenendaal. De schuldhulp is echter niet opgestart. [eiseres] geeft aan dat de gemeente Veenendaal haar heeft laten weten dat de huurder niet is bereikt of geen hulp wil.
De omvang van de huurachterstand maakt het voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat deze huurachterstand de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. De vordering tot ontruiming komt de kantonrechter ook niet onrechtmatig of ongegrond voor en niet is gebleken dat bij [gedaagde] minderjarige kinderen wonen. De ontruiming zal worden toegewezen. [gedaagde] moet de woning binnen veertien dagen na het betekenen van dit vonnis ontruimen.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 758,79 worden toegewezen. Deze wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten is gevorderd vanaf de datum van dagvaarding en is ook vanaf dit moment toewijsbaar. Niet is vast komen te staan dat de buitengerechtelijke incassokosten op een eerder moment (dus voor de datum van dagvaarding) zijn betaald en dat daarom van een eerdere datum voor de verschuldigdheid van de rente uitgegaan moet worden.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
144,47
- griffierecht
€
559,00
- salaris gemachtigde
€
543,00
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.381,47
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd door [eiseres] . Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te [woonplaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiseres] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiseres] ,
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eiseres] :
a. a) € 8.693,87, zijnde de achterstallige huur tot en met 31 december 2025, de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente over de achterstallige huurtermijnen tot en met 13 januari 2025,
b) de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de achterstallige huurtermijnen (dus over € 7.675,75), vanaf 13 januari 2025 tot en met de dag van voldoening,
c) de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de buitengerechtelijke incassokosten, vanaf 30 december 2025 tot de dag van voldoening,
c) € 997,86 per maand vanaf 1 januari 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.381,47, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.
62938