RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11740325 \ UC EXPL 25-5017 VL/58599
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. R. Warning, werkzaam bij Incassocenter B.V.,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
vertegenwoordigd door de heer [A] .
1. De procedure
[eiseres] heeft [gedaagde] op 7 mei 2025 gedagvaard voor de kantonrechter. [gedaagde] heeft op 16 juli 2025 schriftelijk op de dagvaarding gereageerd. De kantonrechter heeft vervolgens een mondelinge behandeling bepaald en op 26 september 2025 heeft [eiseres] aanvullende producties overgelegd.
De mondelinge behandeling heeft op 8 oktober 2025 plaatsgevonden. Namens [eiseres] was de heer [B] aanwezig. Hij werd via een telefonische verbinding bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens [gedaagde] was de heer [A] aanwezig. Partijen hebben antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. Om vast te kunnen stellen of, en zo ja, welk bedrag [gedaagde] nog verschuldigd is aan [eiseres] , heeft de kantonrechter de zaak verwezen naar de rolzitting van 22 oktober 2025 voor akte uitlating van [eiseres] en daarna naar de rolzitting van 5 november 2025 voor een reactie van [gedaagde] . Vervolgens heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.
2. De kern van de zaak
Arbeidsbemiddelingsbureau [eiseres] heeft aan [gedaagde] Roemeense werknemers (hierna: de werknemers) ter beschikking gesteld. De werknemers hebben in de weken 27 t/m 37 van 2024 bestratingswerkzaamheden uitgevoerd voor [gedaagde] . [eiseres] heeft verschillende facturen gestuurd aan [gedaagde] , maar [gedaagde] heeft niet alle facturen betaald. [eiseres] wil dat [gedaagde] nog € 17.566,25 betaalt, vermeerderd met rente en kosten. Volgens [gedaagde] kloppen de facturen niet; deze sluiten niet aan op de werkbonnen. Daarbij hebben de werknemers volgens [gedaagde] uren doorgerekend terwijl zij eigenlijk pauze hielden. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] nog € 14.015,63 aan [eiseres] moet betalen, te vermeerderen met rente en kosten.
3. De beoordeling
Tussen partijen staat vast dat [eiseres] werknemers aan [gedaagde] ter beschikking heeft gesteld, die in de weken 27 t/m 37 van 2024 werkzaamheden hebben verricht voor [gedaagde] . Ook zijn partijen het er over eens dat [gedaagde] hiervoor € 32,50 per uur aan [eiseres] zou betalen en dat de BTW hierover is verlegd. De discussie tussen partijen ziet op het aantal gewerkte uren en daarmee de hoogte van het bedrag dat [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen. De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] in de weken 27 t/m 37 van 2024 € 49.521,88 aan [gedaagde] in rekening mocht brengen en dat [gedaagde] hiervan € 35.506,25 aan [eiseres] heeft betaald. [gedaagde] moet daarom nog € 14.015,63 aan [eiseres] betalen. Dit wordt hieronder toegelicht.
Uitgangspunt: de werkbonnen
Na de mondelinge behandeling heeft [eiseres] alle werkbonnen en facturen van de weken 27 t/m 37 van 2024 overgelegd. Volgens haar blijkt uit deze gegevens dat zij € 53.072,50 terecht heeft gefactureerd, waarvan [gedaagde] € 35.506,25 heeft betaald, zodat nog een bedrag van € 17.566,25 openstaat.
[gedaagde] betwist dit. Volgens haar volgt uit de door [eiseres] overgelegde werkbonnen dat [eiseres] € 42.136,25 in rekening mocht brengen. Hiervan heeft [gedaagde] € 35.606,25 betaald en de creditnota van € 2.925,00 moet nog in mindering worden gebracht. Hierdoor staat volgens [gedaagde] nog een bedrag van € 3.605,00 open. Daarnaast heeft [gedaagde] haar ongenoegen geuit over het feit dat de werknemers uren hebben geschreven, terwijl zij eigenlijk pauze hielden. Volgens [gedaagde] kan niet zonder meer worden uitgegaan van de uren die vermeld staan op de werkbonnen omdat niet alle werkbonnen voor akkoord zijn ondertekend.
De kantonrechter overweegt als volgt. Ter zitting is besproken dat op iedere werkbon een handtekening staat van de werknemers en dat alle werkbonnen per Whatsapp en/of per e-mail aan [gedaagde] zijn toegestuurd. [gedaagde] heeft nooit geprotesteerd tegen de werkbonnen en heeft de facturen van [eiseres] de eerste zes weken betaald. Als [gedaagde] het niet eens was met de ingevulde uren, dan had hij de werknemers hierop kunnen aanspreken, of meteen na ontvangst van de werkbonnen gemotiveerd bezwaar kunnen uiten. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [gedaagde] de werkbonnen allemaal heeft ontvangen zonder daarop inhoudelijk te reageren. Ook in deze procedure komt [gedaagde] niet met concrete en onderbouwde stellingen die op waarheid zouden kunnen worden getoetst. Voor zover de kantonrechter heeft begrepen was [gedaagde] ook niet altijd op het werk aanwezig zodat het zelfs de vraag is hoe is vastgesteld dat de werknemers niet de geschreven uren hebben gemaakt. Het verweer tegen de juistheid van de werkbonnen die door de werknemers zijn ingevuld en ondertekend is dus onvoldoende gemotiveerd. De kantonrechter zal daarom de werkbonnen als uitgangspunt nemen bij de controle van de facturen die zijn verstuurd en zal per week de gewerkte uren en het bedrag dat [eiseres] mocht factureren vaststellen.
Week 27
[eiseres] heeft twee werkbonnen overgelegd die zij toerekent aan week 27. [gedaagde] heeft betwist dat deze werkbonnen een correcte opgave van de gewerkte uren weergeven. Anders dan de andere werkbonnen zijn deze werkbonnen niet ondertekend door een werknemer en staat op deze werkbonnen geen weeknummer vermeld. [eiseres] heeft daarom dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Partijen zijn het er over eens dat [gedaagde] via [eiseres] (in de periode week 27 tot en met 37 van 2024) over een totale periode van 10 weken, drie weken twee man aan het werk heeft gehad en zeven weken drie tot soms vier man aan het werk heeft gehad. Als we kijken naar alle overgelegde facturen en de weken bij elkaar optellen, dan komt de kantonrechter inclusief week 27 uit op elf weken waarover is gefactureerd, terwijl maar gedurende tien weken zou zijn gewerkt. Dat maakt dat de factuur over week 27 nog meer vragen oproept, die [eiseres] in haar akte niet beantwoordt. Dit deel van de vordering zal daarom als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.
Week 28
[eiseres] heeft twee werkbonnen overgelegd; elk van 55 uur. Dit betekent dat [eiseres] 110 x € 32,50 = € 3.575,00 mocht factureren.
Week 29
[eiseres] heeft twee werkbonnen overgelegd; één van 42 uur en één van 52,5 uur. Dit betekent dat [eiseres] 94,5 x € 32,50 = € 3.071,25 mocht factureren.
Week 30
[eiseres] heeft drie werkbonnen overgelegd; elk van 52,5 uur. Dit betekent dat [eiseres] 157,5 x € 32,50 = € 5.118,75 mocht factureren.
Week 31
[eiseres] heeft vier werkbonnen overgelegd; één van 31,5 uur en drie van 52,5 uur. Dit betekent dat [eiseres] 189 x € 32,50 = € 6.142,50 mocht factureren.
Week 32
[eiseres] heeft als productie 9 whatsappberichten overgelegd tussen [gedaagde] en één van de werknemers. Deze werknemer appt dat vier werknemers 55 uur hebben gewerkt. [gedaagde] heeft dit niet onderbouwd betwist. Dit betekent dat [eiseres] 220 x € 32,50 = € 7.150,00 mocht factureren.
Week 33
[eiseres] heeft vier werkbonnen overgelegd; twee van 50,75 uur, één van 49,75 uur en één van 40,25 uur. Dit betekent dat [eiseres] 191,50 x € 32,50 = € 6.223,75 mocht factureren.
Week 34
[eiseres] heeft vier werkbonnen overgelegd; elk van 47,75 uur. Dit betekent dat [eiseres] 191 x € 32,50 = € 6.207,50 mocht factureren.
Week 35
[eiseres] heeft vier werkbonnen overgelegd; twee van 52,5 uur, één van 32,75 uur en één van 34,5 uur. Dit betekent dat [eiseres] 172,25 x € 32,50 = € 5.598,13 mocht factureren.
Week 36
[eiseres] heeft vier werkbonnen overgelegd; twee van 45,5 uur, één van 36,5 uur en één van 27,5 uur. Dit betekent dat [eiseres] 155 x € 32,50 = € 5.037,50 mocht factureren.
Week 37
[eiseres] heeft vier werkbonnen overgelegd; drie van 10,5 uur en één van 11,5 uur. Dit betekent dat hij 43 x € 32,50 = € 1.397,50 mocht factureren.
Betalingen en creditnota
[eiseres] stelt dat [gedaagde] € 35.506,25 heeft betaald en onderbouwt dit met een overzichtje. [gedaagde] stelt dat zij € 35.606,25 heeft betaald, maar onderbouwt dit niet met betalingsbewijzen. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] € 35.506,25 aan [eiseres] heeft betaald, omdat dit voldoende vaststaat en dat niet aannemelijk is geworden dat er €100,00 meer is betaald.
[gedaagde] stelt dat de creditnota van € 2.925,00 nog in mindering moet worden gebracht. De kantonrechter begrijpt echter dat [eiseres] een creditnota aan [gedaagde] had gestuurd, omdat enkele facturen niet overeenkwamen met de werkbonnen. Aangezien de kantonrechter bij de berekening van de gewerkte uren en het verschuldigde bedrag niet is uitgegaan van (onjuiste) facturen, maar van de werkbonnen, hoeft deze creditnota niet meer in mindering te worden gebracht.
Conclusie
[eiseres] mocht factureren: € 3.575,00 + € 3.071,25 + € 5.118,75 + € 6.142,50 + € 7.150,00 + € 6.223,75 + € 6.207,50 + € 5.598,13 + € 5.037,50 + € 1.397,50 = € 49.521,88.
[gedaagde] heeft hiervan € 35.506,25 betaald.
[gedaagde] moet dus nog € 49.521,88 - € 35.506,25 = € 14.015,63 aan [eiseres] betalen.
Rente
[eiseres] vordert de wettelijke handelsrente over de hoofdsom, primair vanaf de vervaldata van de facturen en subsidiair vanaf de datum van de dagvaarding. Omdat meerdere facturen niet correspondeerden met de werkbonnen en in de dagvaarding nog steeds onvoldoende duidelijk was welk bedrag [gedaagde] nog aan [eiseres] moest betalen, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] pas wettelijke handelsrente is verschuldigd vanaf 14 dagen na de roldatum van 22 oktober 2025. Op die dag heeft [eiseres] namelijk bij akte alle werkbonnen in het geding gebracht en had het voor [gedaagde] voldoende duidelijk moeten zijn wat hij nog aan [eiseres] was verschuldigd. De wettelijke handelsrente zal daarom worden toegewezen vanaf 5 november 2025.
Buitengerechtelijke incassokosten
[eiseres] vordert € 2.634,90 (15% van de hoofdsom) aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De kantonrechter ziet niet terug dat partijen een vergoeding zijn overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt en zal daarom aansluiten bij het wettelijke tarief. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief: € 915,16.
[eiseres] vordert de wettelijke handelsrente over de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW heeft betrekking op verplichtingen tot betaling uit handelsovereenkomsten. Buitengerechtelijke incassokosten worden gekwalificeerd als vermogensschade zodat hierover geen wettelijke handelsrente kan worden toegewezen. De kantonrechter zal de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten toewijzen zoals in de beslissing vermeld.
Proceskosten
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- dagvaarding € 122,35
- griffierecht € 1.561,00
- salaris gemachtigde € 990,00 (2,5 punten x tarief € 396,00)
- nakosten € 135,00
Totaal € 2.808,35
[eiseres] vordert de wettelijke handelsrente over de proceskosten. Aangezien proceskosten niet voortvloeien uit een handelsovereenkomst, is deze vordering niet toewijsbaar. De kantonrechter zal de wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals in de beslissing vermeld.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 14.015,63, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW met ingang van 5 november 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 915,16 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.808,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiseres] ook de kosten van betekening betalen,
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.