RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.368702-24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 11 februari 2026 in de strafzaak van
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] ,/
wonende aan de [adres] , [postcode] [plaats] ,
hierna te noemen: de verdachte.
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 28 januari 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 8 november 2024 in Dronten [benadeelde 1] , brigadier van politie, heeft beledigd;
feit 2
op 8 november 2024 in Dronten [benadeelde 2] , agent van politie, heeft beledigd;
feit 3
op 8 november 2024 in Dronten zich met geweld heeft verzet tegen [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3] , brigadiers van politie, door een andere kant op te bewegen dan deze verbalisanten wilden en/of om zich heen te slaan;
feit 4
op 8 november 2024 in Dronten, terwijl tegen hem de verdenking bestond dat hij als bestuurder van een voertuig onder invloed had gereden, geen medewerking heeft verleend aan een bloedonderzoek.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 tot en met 4 heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van een bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3. Hij heeft bepleit de verdachte vrij te spreken van feit 4, omdat de verdachte zich niet heeft gerealiseerd dat hij het bloedonderzoek heeft geweigerd en er bij hem daarom geen sprake is geweest van opzet op het weigeren van dit onderzoek.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen.
Er zijn meer feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewijsoverweging
Feit 4
De rechtbank is van oordeel dat het onder 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Direct na zijn staandehouding op 8 november 2024 weigerde de verdachte medewerking te verlenen aan een speekseltest. Nadat verbalisant [benadeelde 1] medewerking aan zo’n test had gevorderd, zei de verdachte “dat ze op moest donderen en dat hij niet ging meewerken aan wat voor test dan ook” (dossier, pagina’s 24-25). In het cellencomplex in Almere heeft deze verbalisant de verdachte bevolen mee te werken aan een bloedproef, waarop de verdachte heeft gezegd “dat hij daar niet aan ging meewerken“ (pagina 25). Ook aan verbalisant [verbalisant] heeft de verdachte (schreeuwend) te verstaan gegeven “Ik ga nergens aan meewerken.”
Uit het voorgaande volgt dat de verdachte nadrukkelijk en heel bewust iedere medewerking heeft geweigerd, ook aan een bloedonderzoek. De verklaring van de verdachte op zitting dat hij zich er niet bewust van was dat tegen hem is gezegd dat hij moest meewerken aan een bloedonderzoek en dat hij dit onderzoek misschien per ongeluk heeft geweigerd, wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen en is naar het oordeel van de rechtbank (volstrekt) ongeloofwaardig.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hem bevolen medewerking aan een bloedonderzoek heeft geweigerd.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1op 8 november 2024 te Dronten opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde 1] (brigadier bij Eenheid Midden-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door haar de woorden toe te voegen: "kankerkut", "kankerjood", "kankeragent" en "kankerhoer";
feit 2op 8 november 2024 te Dronten opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde 2] (agent bij Eenheid Midden-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "kankerhond", "kankerjood", "kankersukkel" en "kankerhoer";
feit 3op 8 november 2024 te Dronten zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaar [benadeelde 1] (brigadier bij Eenheid Midden-Nederland) en tegen ambtenaar [benadeelde 3] (brigadier bij Eenheid Midden-Nederland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van de verdachte door:- zichzelf en zijn armen een andere kant op te bewegen dan daar waar verbalisanten hem wilde hebben, en- met zijn armen wild om zich heen te slaan waarbij verbalisant werd geraakt;
feit 4op 8 november 2024 te Dronten, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een auto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
5. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feiten 1 en 2, telkens
eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;
feit 3
wederspannigheid;
feit 4
overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Strafbaarheid feiten
De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid verdachte
Bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte houdt de rechtbank rekening met een Pro Justitia rapport betreffende een psychologisch onderzoek naar de persoon van de verdachte van 29 juli 2025.
Uit het rapport volgt dat bij de verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking. Deze beperking was ook aanwezig ten tijde van de feiten en beïnvloedde op dat moment verdachtes gedragskeuzes en gedragingen. In het rapport wordt geadviseerd om de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De rechtbank neemt de conclusie uit het rapport op de daartoe aangevoerde gronden over en is, gelet daarop, van oordeel dat het hiervoor bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.
De verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.
6. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 14 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 13 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren;
- een taakstraf van 30 uren, te vervangen door 15 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert;
- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden.
Standpunt van de verdediging
De advocaat vraagt de rechtbank om bij het bepalen van een straf rekening te houden met een aantal persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft de feiten gepleegd in een voor hem zeer onrustige periode en hij heeft de tijd in detentie benut om tot rust te komen. Een behandeling bij ForFACT is door de verdachte goed afgerond, de relaties met zijn familie zijn hersteld en hij is gestopt met blowen. Kortom, de verdachte is bezig om zijn leven weer op te bouwen. De advocaat vraagt om aan de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen, maar (alleen) een taakstraf, waarvan een gedeelte in voorwaardelijke zin, als een stok achter de deur, met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat vraagt ook om geen rijontzegging op te leggen, omdat de verdachte een baan heeft als bezorger en daarvoor zijn rijbewijs nodig heeft. Voor het geval toch een rijontzegging zal worden opgelegd, vraagt de advocaat om deze op te leggen in voorwaardelijke zin.
Oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een aantal ernstige misdrijven. Hij heeft politieagenten op uiterst grove wijze beledigd en zich tegen zijn aanhouding verzet waarbij een agent letsel heeft opgelopen. Bovendien heeft hij geweigerd medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek. De verdachte heeft zich op deze wijze ernstig misdragen tegen agenten tijdens het uitoefenen van hun werkzaamheden. De rechtbank neemt dit de verdachte kwalijk.
Persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden
Bij haar beslissing houdt de rechtbank rekening met een uittreksel justitiële documentatie (‘strafblad’) betreffende de verdachte van 22 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een aantal soortgelijke strafbare feiten als in dit vonnis bewezen wordt verklaard. De rechtbank houdt er ook rekening mee dat de laatste veroordeling heeft plaatsgevonden op 11 december 2024, hetgeen ná het plegen van de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten is geweest. De rechtbank heeft daarom de voorschriften toegepast die gelden voor de situatie waarin aan de verdachte een straf zou zijn opgelegd voor alle feiten tegelijk.
De rechtbank houdt verder onder meer rekening met:
het Pro Justitia rapport betreffende een psychologisch onderzoek naar de persoon van de verdachte van 29 juli 2025, hiervoor ook genoemd onder 5.3;
een reclasseringsadvies van Tactus Reclassering Flevoland van 8 september 2025;
twee e-mailberichten van Tactus Reclassering Flevoland van 27 januari 2026.
Zoals hiervoor beschreven onder 5.3 volgt uit het rapport betreffende het psychologisch onderzoek dat bij de verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking die ook aanwezig was ten tijde van de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten. Deze problematiek van de verdachte is duurzaam. Verder volgt uit het rapport dat als de verdachte zijn behandeling bij ForFACT voortzet, het risico op recidive wordt ingeschat als laag tot matig.
De reclassering heeft op 8 september 2025 geadviseerd tot oplegging aan de verdachte van een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht het recidiverisico te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen. Uit een e-mailbericht van de reclassering van 27 januari 2026 blijkt dat de behandeling van de verdachte bij ForFACT is beëindigd en dat de reclassering nog steeds achter het eerder gegeven strafadvies staat. De reclassering is van mening dat het opleggen van een gevangenisstraf een contraproductief effect kan hebben en staat positief tegenover het opleggen van een taakstraf.
Op te leggen straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf en de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn gepleegd en de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, zoals ter zitting is gebleken en hiervoor is omschreven. De rechtbank heeft ook gelet op wat door rechters in min of meer vergelijkbare strafzaken is opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een onvoorwaardelijke taakstraf op zijn plaats is. Aan de verdachte zal geen gevangenisstraf worden opgelegd die betekent dat hij alsnog naar de gevangenis zal moeten. Deze op te leggen straffen zijn gericht op vergelding voor het plegen van de bewezenverklaarde feiten, terwijl het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf ook is bedoeld om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen.
De rechtbank zal aan de verdachte ook een ontzegging opleggen van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen. Anders dan door de officier van justitie is gevorderd, zal deze ontzegging niet onvoorwaardelijk, maar voorwaardelijk aan de verdachte worden opgelegd. Op deze wijze kan de verdachte zijn baan als bezorger behouden en werken aan een verdere opbouw van zijn leven, hetgeen niet alleen in het belang is van verdachte maar ook van de samenleving. Verder geldt deze voorwaardelijke straf voor de verdachte als een sterke waarschuwing om niet opnieuw in de fout te gaan en een soortgelijk (verkeers)misdrijf te plegen, omdat hij dan het risico loopt zijn rijbewijs gedurende een lange periode kwijt te raken.
Gelet op de inhoud van voornoemde rapporten ziet de rechtbank geen aanleiding tot het opleggen van een of meer bijzondere voorwaarden aan de verdachte. De rechtbank hoopt dat het de verdachte lukt om op eigen kracht (met de voorwaardelijke gevangenisstraf en voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen als flinke stok achter de deur) op het rechte pad te blijven. Anders dan de officier van justitie vindt de rechtbank een proeftijd voor de duur van 2 jaren voldoende.
Alles overwegend oordeelt de rechtbank dat het passend en geboden is om aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen op te leggen, waarvan 13 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, in combinatie met een taakstraf voor de duur van 30 uren, te vervangen door 15 dagen hechtenis als de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden.
7. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en verzoekt toewijzing van een bedrag van € 400,00 aan immateriële schade als gevolg van de aan de verdachte onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vraagt het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel toe te passen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert het verzoek van de benadeelde partij [benadeelde 1] geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdachte is bereid de gevraagde vergoeding aan immateriële schade te betalen.
Oordeel van de rechtbank
Toewijzing van de vordering
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte onder feit 3 gepleegde strafbare feit, zoals blijkt uit de door de benadeelde partij in de vordering opgenomen en door de verdachte en zijn advocaat niet weersproken omschrijving van het lichamelijk letsel. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding van € 400,00 billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 8 november 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 400,00 aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 november 2024 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 4 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.
8. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf en de beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
9. Beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 tot en met 4 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 14 (veertien) dagen;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 13 (dertien) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 30 (dertig) uren;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1] (feiten 1 en 3)
Dit vonnis is gewezen door mr. R.W. Nederveen, voorzitter, mr. V.A. Groeneveld en mr. J.A. Koorevaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 11 februari 2026.
De griffier en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij:
feit 1op of omstreeks 8 november 2024 te Dronten opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde 1] (brigadier bij Eenheid Midden-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door haar de woorden toe te voegen: "kankerkut", "kankerjood", "kankeragent", "kankermongool" en/of "kankerhoer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
feit 2op of omstreeks 8 november 2024 te Dronten opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde 2] (agent bij Eenheid Midden-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "kankerhond", "flikker", "kankerjood", "kankersukkel", "kankermongool" en/of "kankerhoer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
feit 3op of omstreeks 8 november 2024 te Dronten, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen ambtenaar, [benadeelde 1] (brigadier bij Eenheid Midden-Nederland) en/of tegen ambtenaar [benadeelde 3] (brigadier bij Eenheid Midden-Nederland), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van de verdachte door:- zichzelf en/of zijn armen een andere kant op te bewegen dan daar waar verbalisanten hem wilde hebben, en/of- met zijn armen wild om zich heen te slaan waarbij verbalisant werd geraakt;
feit 4op of omstreeks 8 november 2024 te Dronten, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een auto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend.