ECLI:NL:RBMNE:2026:4239

ECLI:NL:RBMNE:2026:4239

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 09-07-2026
Datum publicatie 13-07-2026
Zaaknummer UTR 26/865
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almere

Samenvatting

Verweerder heeft de aanvraag voor woonkostentoeslag terecht afgewezen. Er is geen sprake van een bijzondere situatie of bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in de beleidsregel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, het college

Samenvatting

Zittingsplaats Almere

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/865

(gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen),

en

(gemachtigden: mr. S.P. van Pelt en mr. J. de Feijter).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor woonkostentoeslag. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat volgens het college geen sprake is van noodzakelijke, uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende woonlasten. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 13 augustus 2025 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand op de grond van de Participatiewet (Pw) voor woonkosten (woonkostentoeslag). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 19 september 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

3. Met het besluit van 17 december 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag om woonkostentoeslag gehandhaafd.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. I. El Azzati als waarnemer voor de gemachtigde van eiseres, A. Koster als tolk en de gemachtigden van het college.

Totstandkoming van het bestreden besluit

4. Eiseres woont sinds augustus 2023 samen met haar drie kinderen in haar huidige huurwoning in de gemeente Almere. Bij aanvang van het (tijdelijke) huurcontract huurde eiseres de woning samen met haar ex-partner, maar die is aan het begin van 2024 vertrokken en draagt sindsdien niet meer bij in de woonkosten. Eiseres heeft eerder bij het college een aanvraag ingediend voor woonkostentoeslag, maar heeft deze aanvraag ingetrokken. Nadat het tijdelijke huurcontract op 31 juli 2024 afliep heeft eiseres, samen met haar meerderjarige kinderen en met behulp van twee garantstellers, het contract verlengd in de vorm van een bruikleenovereenkomst. Op 13 augustus 2025 heeft eiseres opnieuw een aanvraag voor woonkostentoeslag ingediend bij het college.

Het college heeft de aanvraag in het primaire besluit afgewezen omdat er geen sprake is van noodzakelijke, uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende woonlasten en daarom geen recht bestaat op woonkostentoeslag. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres de woning samen met haar kinderen huurt en haar kinderen dan ook medeverantwoordelijk zijn voor de betaling van de huur. Dat zij niet werken en studiefinanciering ontvangen neemt niet weg dat zij kunnen bijdragen aan de huur. Daarnaast zijn er twee garantstellers waar eiseres een beroep op kan doen.

Met het bestreden besluit heeft het college de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Het college heeft daarbij betrokken dat bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag bedoeld is voor een overgangsfase na een inkomensterugval, waarbij de woonkostentoeslag gedurende een beperkte periode wordt verstrekt om iemand in staat te stellen om de woonlasten in overeenstemming te brengen met het inkomen. Van de betrokkene kan verlangd worden dat binnen die periode een oplossing wordt gezocht voor de relatief hoge woonkosten. Volgens het college is er in het geval van eiseres geen sprake van een kortdurende overgangssituatie waardoor de behoefte aan woonkostentoeslag is ontstaan. Eiseres is na het vertrek van haar ex-partner en het verlopen van de huurovereenkomst zelf een nieuwe overeenkomst aangegaan. Daarnaast stelt het college zich op het standpunt dat eiseres onvoldoende heeft geprobeerd om goedkopere woonruimte te vinden. Uit de door eiseres overgelegde stukken blijkt dat eiseres gemiddeld iets meer dan 1 keer per week op een sociale huurwoning reageert. Dat is volgens het college aan de lage kant. Van eiseres wordt verwacht dat zij in brede zin kijkt naar passende woonruimte en zich niet, zoals zij nu doet, beperkt tot sociale huurwoningen met vier à vijf kamers in de randstad. Het college betrekt ook dat eiseres een bewuste keuze heeft gemaakt om de verantwoordelijkheid te nemen over de verblijfplek van haar meerderjarige kinderen. Gelet op deze omstandigheden stelt het college zich op het standpunt dat er onvoldoende sprake is van noodzakelijke, uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende woonlasten om bijzondere bijstand voor deze kosten via een woonkostentoeslag te rechtvaardigen.

Standpunt eiseres

5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Eiseres stelt dat het college het juridisch kader bij de beoordeling van de bijzondere omstandigheden onjuist heeft uitgelegd en toegepast. Volgens eiseres heeft het college artikel 35 van de Pw onjuist uitgelegd en toegepast door als voorwaarde te stellen dat er sprake moet zijn van een kortdurende overgangssituatie, terwijl de wet deze voorwaarde niet stelt. Daarnaast stelt eiseres dat het college haar eigen beleid onjuist heeft toegepast. Het bestreden besluit bevat geen kenbare beoordeling van de inkomensdaling als gevolg van het vertrek van de ex-partner noch wordt gemotiveerd waarom dit niet als bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt. Uit het beleid blijkt ook dat het college aan de toekenning van een woonkostentoeslag een verhuisplicht kan verbinden. Het college heeft echter volstaan met een algemene verwijzing naar inspanningsverplichtingen zonder aan te geven welke passende woonalternatieven eiseres had moeten benutten. Volgens eiseres is het bestreden besluit daarom onvoldoende gemotiveerd. Het college heeft ook nagelaten om een kenbare evenredigheidstoets uit te voeren en heeft ten onrechte geen maatwerk toegepast.

Beoordeling door de rechtbank

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank stelt voorop dat woonlasten worden gerekend tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Die kosten moeten in beginsel worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Voor deze kosten wordt in beginsel alleen bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag verleend als de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

7. Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten waarvoor eiseres bijzondere bijstand vraagt zich voordoen en noodzakelijk zijn. In geschil is of de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

Uitleg en toepassing van het juridisch kader

8. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat de woonkostentoeslag is bedoeld voor een overgangsfase na een inkomensterugval, waarbij de woonkostentoeslag gedurende een beperkte periode wordt verstrekt om een betrokkene in staat te stellen om de woonlasten in overeenstemming te brengen met het inkomen. Van een betrokkene kan worden verlangd dat binnen die bepaalde periode een oplossing wordt gezocht voor diens relatief hoge woonlasten. Het college heeft zich in zijn beleid en in het bestreden besluit terecht op deze rechtspraak gebaseerd. De stelling van eiseres dat het college ten onrechte als voorwaarde heeft gesteld dat er sprake moet zijn van een tijdelijke overgangssituatie, volgt de rechtbank daarom niet.

9. In artikel 2 van de Beleidsregel is verder als uitgangspunt neergelegd dat de algemene bijstand, in combinatie met huurtoeslag, voorziet in de woonkosten. Als iemand een laag inkomen heeft waarmee hij of zijn in een bijzondere situatie niet uitkomt, kan onder omstandigheden een beroep worden gedaan op bijzondere bijstand in de vorm van een woontoeslag voor noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

10. De rechtbank is van oordeel dat het college zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiseres geen sprake is van een bijzondere situatie zoals bedoeld in artikel 2 van de Beleidsregel, waarin als overgangsfase na een inkomensterugval over een beperkte periode een woonkostentoeslag zou moeten worden verstrekt. Eiseres huurt haar woning al langer en heeft de huur sinds het vertrek van haar partner in 2024, en daarmee het wegvallen van zijn inkomen, geruime tijd voortgezet. Het inkomen van eiseres is in deze periode niet gedaald maar juist toegenomen. Eiseres heeft volgens het college inmiddels ook aanvullend recht op huurtoeslag.

Bijzondere omstandigheden

11. Het college heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2 van de Beleidsregel geen sprake is. Niet in geschil is dat eiseres vanaf de aanvang van de huur daarvoor een relatief (te) hoge huurprijs betaald. Het college heeft dit ook meegewogen in de bestreden besluitvorming, maar stelt daar niet ten onrechte tegenover dat eiseres onvoldoende inspanningen (heeft) verricht om goedkopere woonruimte te vinden, door haar zoekacties te beperken tot een bepaald segment woningen binnen de sociale huur. Dat eiseres, zoals zij op zitting nog heeft gesteld, daarbuiten naar woningen heeft gezocht, heeft zij onvoldoende onderbouwd. Volgens de uitgevoerde draagkrachtberekening zou eiseres ook op zoek kunnen gaan naar een woning binnen de midden-huur. Eiseres heeft deze berekening niet betwist. Dat eiseres haar meerderjarige kinderen wil meenemen bij het zoeken naar een woning, is ook geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan een woonkostentoeslag zou moeten worden verstrekt. Van een motiveringsgebrek op dit punt is geen sprake.

Evenredigheidsbeginsel en menselijke maat

12. Eiseres voert nog aan dat het college ten onrechte heeft nagelaten een kenbare evenredigheidstoets uit te voeren. Het bestreden besluit bevat geen kenbare afweging tussen het belang van een strikte toepassing van het beleid en de ingrijpende financiële gevolgen voor eiseres. Eiseres doet een beroep op de menselijke maat en wijst in dit kader op de vangnetfunctie van de Pw. Eiseres participeert actief en positief in de samenleving. Een zichtbare weging van de persoonlijke inspanningen en omstandigheden van eiseres en haar gezin ontbreekt in het bestreden besluit.

13. De rechtbank overweegt dat artikel 35, eerste lid, van de Pw een dwingendrechtelijke bepaling is in een wet in formele zin. Een evenredigheidstoets vindt in beginsel dan ook niet plaats. Alleen als zich bijzondere omstandigheden voordoen die de wetgever niet of niet ten volle heeft verdisconteerd en die maken dat de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Pw in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel, kan de bestuursrechter tot het oordeel komen dat toepassing achterwege moet blijven. Van dergelijke omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.

14. In wat eiseres verder nog aanvoert ziet de rechtbank ook geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Het college heeft voldoende onderzoek gedaan naar de situatie van eiseres en haar gezin en het bestreden besluit voldoende gemotiveerd. Het beroep slaagt niet.

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NBR-Pw/2026/017 met annotatie van mr. Lance op den Camp
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand