ECLI:NL:RBMNE:2026:4252

ECLI:NL:RBMNE:2026:4252

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 15-07-2026
Datum publicatie 14-07-2026
Zaaknummer UTR 24/5714, UTR 24/5715, UTR 24/5719, UTR 24/5720, UTR 24/5722, UTR 24/5723, 24/5726, 24/5727 en UTR 24/5729
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Naheffingsaanslagen parkeerbelastingen; ruimte voor maatwerk; gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 24/5714, UTR 24/5715, UTR 24/5719, UTR 24/5720, UTR 24/5722, UTR 24/5723, 24/5726, 24/5727 en UTR 24/5729

[eiser] , uit [plaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder

(gemachtigde: D.J. Koopmans).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen 9 naheffingsaanslagen parkeerbelastingen die aan hem zijn opgelegd.

De heffingsambtenaar heeft op 17 april 2024, 24 april 2024, 1 mei 2024, 8 mei 2024 en 15 mei 2024 aan eiser in totaal 9 naheffingsaanslagen parkeerbelasting

(met aanslagnummers

[nummer] (UTR 24/5714), [nummer] (UTR 24/5715), [nummer] (UTR 24/5719), [nummer] (UTR 24/5720), [nummer] (UTR 24/5722), [nummer] (UTR 24/5723), 2402101945 (UTR 24/5726), 2402107614 (UTR 24/5727) en 2402107615 (UTR 24/5729)) opgelegd (elk) ter hoogte van € 81,70. Dit bedrag omvat € 5,- aan parkeerbelasting en € 76,70 aan naheffing.

Met de 9 uitspraken op bezwaar van 10 december 2024 (de bestreden uitspraken) heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslagen gehandhaafd.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraken beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.

De zaken zijn behandeld op de zitting van 7 april 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.

Overwegingen

Feiten

2. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat aan eiser naheffingsaanslagen parkeerbelasting zijn opgelegd omdat is geconstateerd dat hij op 17 april 2024, 24 april 2024, 1 mei 2024, 8 mei 2024 en 15 mei 2024 een auto heeft geparkeerd aan de Amsterdamsestraatweg in Utrecht waar betaald parkeren van toepassing is, zonder dat op dat tijdstip de verschuldigde belasting was voldaan.

3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht de naheffingsaanslagen parkeerbelastingen heeft opgelegd. Dat doet de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

Beoordeling van het geschil

Het geschil met betrekking tot de naheffingsaanslagen parkeerbelastingen van 17 april 2024 (UTR 24/5714, UTR 24/5715 en 24/5719)

4. Op de zitting heeft verweerder aangegeven bereid te zijn de naheffingsaanslagen parkeerbelastingen met aanslagnummer [nummer] , [nummer] , [nummer] te vernietigen.

5. Omdat verweerder op de zitting een gewijzigd standpunt heeft ingenomen, is het beroep gegrond. De uitspraken op bezwaar met betrekking tot deze naheffingsaanslagen worden vernietigd. Gelet op het voorgaande worden ook de naheffingsaanslagen parkeerbelasting vernietigd. Verweerder dient het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.

Wat resteert, zijn de geschillen met betrekking tot de naheffingsaanslagen parkeerbelastingen die zien op de belastbare feiten van 24 april 2024, 1 mei 2024, 8 mei 2024 en 15 mei 2024.

Het geschil met betrekking tot de overige naheffingsaanslagen parkeerbelastingen

4. Eiser wijst erop dat hij over een parkeervergunning (ingangsdatum 1 april 2024) beschikt. Eiser stelt dat hij niet geïnformeerd was dat het parkeerbeleid was gewijzigd waardoor hij aan de [adres] tijdens winkeluren niet meer mocht parkeren, wat vóór de wijziging wel het geval was. Daarnaast stelt eiser dat hij niet goed kon anticiperen op de (eerste) naheffingsaanslagen parkeerbelastingen, omdat hij deze later ontving. Als laatste stelt eiser dat de naheffingsaanslagen een onevenredige financiële last bedragen.

5. De rechtbank overweegt dat het de eigen verantwoordelijkheid van eiser is om ervoor te zorgen dat hij op de hoogte is waar en wanneer de verleende parkeervergunning geldig is. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat in het besluit tot vergunningverlening de vindplaats van de vergunningsvoorschriften en de stratenlijst van het betreffende parkeerrayon is vermeld. Het zich niet voldoende op de hoogte stellen en het (als gevolg daarvan) niet naleven van die voorschriften komt naar vaste jurisprudentie voor rekening en risico van de parkeerder.

Evenredigheid van de hoeveelheid naheffingsaanslagen

6. De rechtbank is van oordeel dat het een aantal maal opleggen van een naheffingsaanslag een geoorloofd onderdeel van het algemene parkeerbeleid kan zijn omdat anders de neiging zou kunnen ontstaan om langere tijd te parkeren zonder te betalen en de enkele naheffingsaanslag op de koop toe te nemen. Na een zekere periode gaat zich echter de situatie voordoen dat cumulatieve naheffingsaanslagen gelet op de aard van de overtreding, een financiële belasting voor de betrokkene kunnen gaan vormen die niet (meer) evenredig is aan de gepleegde normovertreding. De rechtbank is zich ervan bewust dat het Gerechtshof Amsterdam als vaste lijn hanteert dat maximaal vijf naheffingsaanslagen nog evenredig is. Dit betekent echter niet dat in alle situaties dit maximum van vijf naheffingsaanslagen altijd evenredig is. Er moet altijd ruimte zijn voor maatwerk in een individuele casus.

7. De rechtbank vindt dat er voor verweerder ruimte had moeten bestaan voor maatwerk. Daarbij acht de rechtbank het van belang dat eiser reeds langere tijd over een parkeervergunning beschikt. Daarbij mocht hij gedurende lange tijd parkeren op de bewuste plaats. Sinds kort mag daar niet meer op alle tijdstippen van de dag geparkeerd worden. Nadat voor eiser het voorgaande duidelijk werd, is hij gaan parkeren op de plaats waar zijn parkeervergunning wél geldig is. Verder acht de rechtbank van belang dat de heffingsambtenaar, nu eiser voor de parkeervergunning heeft betaald, geen financieel nadeel heeft geleden. Tot slot is er naar het oordeel van de rechtbank ruimte voor maatwerk omdat het huidige systeem waarbij een overtreding door een scanauto wordt geconstateerd en de naheffingsaanslag circa 2 weken later door de betrokken wordt ontvangen (in plaats van het briefje achter de ruitenwisser), in de hand werkt dat er een verhoogd risico ontstaat op een onevenredige naheffingsaanslagen voor burgers die als gevolg van een foutje geen parkeerrecht hebben, terwijl deze wijze van efficiënte controle grote financiële voordelen heeft voor de heffingsambtenaar.

14. Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, acht de rechtbank in dit geval twee naheffingsaanslagen redelijk.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepen in de zaken UTR 24/5714, UTR 24/5715, UTR 24/5719, UTR 24/5720, UTR 24/5722, UTR 24/5723 en UTR 24/5726 zijn gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraken op bezwaar ten aanzien van de naheffingsaanslagen [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] . Dat betekent dat eiser deze naheffingsaanslagen niet hoeft te betalen. De overige twee beroepen zijn ongegrond, de naheffingsaanslagen blijven in stand. Dat betekent dat eiser deze twee naheffingsaanslagen wel moet betalen.

12. Omdat zeven beroepen gegrond zijn verklaard, dient de heffingsambtenaar aan eiser het betaalde griffierecht te vergoeden. Er zijn verder geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen in de zaken UTR 24/5727 en UTR 24/5729 ongegrond;

- verklaart de beroepen in de zaken UTR 24/5714, UTR 24/5715, UTR 24/5719, UTR 24/5720, UTR 24/5722, UTR 24/5723 en UTR 24/5726 gegrond en vernietigt de betreffende uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslagen met aanslagnummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] ;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraken op bezwaar; en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van A. Kasi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Belastingblad 2026/371 met annotatie van Redactie, Y. Postema-van der Koogh
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand