RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 11989983 \ AC EXPL 25-2662 VL/58599
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
[eiser] , h.o.d.n. [handelsnaam],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. L.J. Nette,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 22 november 2025;
het proces-verbaal van de rolzitting van 3 december 2025, dit is de conclusie van antwoord;
het bericht van [eiser] van 23 december 2025 met onder meer een akte uitlating;
de akte uitlating/conclusie van repliek van 13 februari 2026;
het proces-verbaal van de rolzitting van 18 maart 2026, dit is de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De kern van de zaak
Op 25 november 2024 heeft [gedaagde] aan [eiser] de opdracht gegeven tot het verlenen van juridische bijstand. Diezelfde dag heeft [gedaagde] een aanbetaling gedaan van € 1.185,80. Op 28 februari 2025, 1 mei 2025 en 23 mei 2025 heeft [eiser] facturen gestuurd. [gedaagde] heeft die niet betaald. Na verrekening van de aanbetaling staat volgens [eiser] in totaal nog een bedrag van € 1.921,40 open. [eiser] vordert betaling van dit bedrag, vermeerderd met rente en kosten. [gedaagde] is het hier niet mee eens. Volgens hem hoeft hij niet meer te betalen dan de aanbetaling. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af.
3. De beoordeling
Wat is tussen partijen overeengekomen
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet hoefde te verwachten dat hij meer zou moeten betalen dan het voorschot van € 1.185,80. Hierbij zijn voor de kantonrechter de volgende omstandigheden doorslaggevend.
[gedaagde] is in de gegeven omstandigheden aan te merken als consument. Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie moet een advocaat een consument in staat stellen om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen om wel of niet een opdracht te verstrekken. Het moet voor de consument duidelijk zijn welke werkzaamheden zullen worden verricht, hoeveel uur hiervoor (per mogelijke stap) nodig zal zijn, wat het uurtarief is, wat het plan van aanpak is en wat de goede en kwade kansen zijn.
Op 25 november 2025 is [gedaagde] bij [eiser] op kantoor geweest en naar aanleiding van dit gesprek heeft [eiser] een opdrachtbevestiging gestuurd. In de opdrachtbevestiging schrijft [eiser] dat hij een uurtarief van € 296,45 inclusief per uur zal hanteren, dat hij voor zover mogelijk een inschatting zal geven van de te verwachten kosten en dat hij naar schatting 3,5 tot 4,5 uur bezig zal zijn met de eerste fase van onderzoek, bespreken juridische positie en strategie en het verzenden van een aangetekende brief aan de aan te spreken partij. De voorschotnota van € 1.185,80 is afgestemd op deze schatting; deze vertegenwoordigt namelijk 4 uur. [gedaagde] mocht er dus in beginsel vanuit gaan dat dit de kosten zouden zijn voor bovengenoemde werkzaamheden en dat [eiser] daarna opnieuw een inschatting zou maken voor eventuele vervolgwerkzaamheden zodat [gedaagde] (opnieuw) een afgewogen beslissing kon nemen.
Vervolgens stuurt [eiser] – overigens in tegenstelling tot zijn eigen algemene voorwaarden waarin staat dat maandelijks wordt gefactureerd – op 28 februari 2025 een factuur, waarin hij 8,3 uur (€ 2.508,25) factureert (waaronder ook de eerste 4 uren en met 10% korting in verband met een lange doorlooptijd maar zonder dat het voorschot is verrekend). Daarna, op 1 en 23 mei 2025, factureert [eiser] nog respectievelijk 1,6 en 0,2 uur (€ 532,40 en, onder verrekening van het voorschot, -/- € 1.119,25). In totaal heeft [eiser] dus 10,1 uur gefactureerd. De kantonrechter gaat ervan uit dat [eiser] deze uren (grotendeels) daadwerkelijk ten behoeve van [gedaagde] heeft besteed. Grotendeels, omdat uit de door [eiser] overgelegde specificaties lijkt te volgen dat de laatste factuur (0,2) uren betreft die [eiser] (deels) heeft besteed aan het aanmanen van [gedaagde] zelf tot betaling van de facturen, welke kosten behoren tot eventueel te vorderen (buitengerechtelijke) incassokosten. Aan de stelling van [gedaagde] dat [eiser] niet veel heeft gedaan en niet bereikbaar was gaat de kantonrechter voorbij. Dit is niet voldoende toegelicht of onderbouwd.
Omdat hetgeen in de overeenkomst is opgenomen, onvoldoende duidelijkheid geeft over wat er na de eerste uren, waarvoor het voorschotbedrag is betaald, voor [gedaagde] te verwachten was, had [eiser] [gedaagde] echter wel vooraf moeten informeren over het feit dat op enig moment de eerste fase was afgerond en dat er, buiten de overeengekomen uren, nog een bepaald aantal uren aan werkzaamheden zou worden verricht. Dat hij dat heeft gedaan is niet gebleken. Daardoor is [gedaagde] onverwacht geconfronteerd met kosten die meer dan twee keer zo hoog zijn als het bedrag waar aanvankelijk over was gesproken en in de opdrachtbevestiging was opgenomen.
Omdat niet is komen vast te staan dat, zoals de uitleg van artikel 4 richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten wel vereist, partijen hebben afgesproken dat [eiser] méér uren aan de zaak zou besteden dan in de opdrachtbevestiging stond vermeld, zal de vordering worden afgewezen.
[eiser] wijst er nog op dat [gedaagde] op enig moment heeft toegezegd dat hij de facturen zal betalen. Het is juist dat [gedaagde] op 25 mei 2025 schrijft dat hij zal betalen. Hij schrijft echter in dezelfde e-mail ook dat hij het niet eens is met de factuur. Uit de e-mail is dan ook niet zonder meer af te leiden dat [gedaagde] het eens is met de in rekening gebrachte bedragen.
Omdat de hoofdsom zal worden afgewezen, zullen ook de gevorderde wettelijke rente vanaf 16 mei 2025 en de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 348,73 worden afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief eventuele kosten van betekening) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op 2 x € 50,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten.
4. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 100,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.H. Charbon en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.