RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16.289232.24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 13 februari 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1976] in [geboorteplaats] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting [verblijfplaats] ,
hierna: de verdachte.
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zittingen van 12, 13 en 16 januari 2026. Het onderzoek is gesloten op 13 februari 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
- de verdachte;
- de officier van justitie: mr. M.M.L. Kalsbeek;
- de advocaat van de verdachte: mr. A.J. Admiraal, advocaat te Amsterdam en zijn kantoorgenoot mr. T.P.A.M. Wouters, eveneens advocaat te Amsterdam, die op de vorderingen benadeelde partij verweer heeft gevoerd namens de verdachte;
- de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , bijgestaan door mr. L.C. van Leeuwen, advocaat te Leiden;
- de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , bijgestaan door mr. A.J. Korff, advocaat te Den Haag;
- de nabestaanden [nabestaande 1] , [nabestaande 2] , bijgestaan door mr. V.H. Hammerstein, advocaat te Amsterdam;
- de nabestaande [nabestaande 3] , bijgestaan door mr. L. Noordanus, advocaat te Lelystad;
- [A] , [B] en [C] , medewerkers Slachtofferhulp Nederland, en [D] , slachtoffercoördinator Openbaar Ministerie;
- de deskundige J.M.J.F. Offermans, psychiater;
- [medeverdachte] , hierna te noemen: [medeverdachte] , de medeverdachte in de gelijktijdig behandelde zaak met parketnummer 16-289548-24, en haar advocaat: mr. T.P.A.M. Wouters, advocaat te Amsterdam;
- de tolk S.M.R. Debarida, geregistreerd en beëdigd tolk in de taal Papiamento voor [medeverdachte] .
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
op 9 september 2024 in Dronten, samen met een ander, althans alleen,
feit 1: opzettelijk en al dan niet met voorbedachte raad [slachtoffer 3] van het leven heeft beroofd,
feit 2: opzettelijk en al dan niet met voorbedachte raad heeft geprobeerd om [slachtoffer 2] van het leven te beroven,
feit 3: opzettelijk en al dan niet met voorbedachte raad heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] van het leven te beroven.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de (impliciet) primair ten laste gelegde feiten, te weten de moord op [slachtoffer 3] (feit 1) en de pogingen tot moord op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] (feit 2 en feit 3), heeft gepleegd. De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.
Het standpunt van de verdediging
De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is voor voorbedachte raad en verzoekt de rechtbank daarom de verdachte vrij te spreken van moord op [slachtoffer 3] (feit 1) en pogingen tot moord op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] (feit 2 en feit 3). Ten aanzien van de (impliciet) subsidiair ten laste gelegde doodslag, verzoekt de advocaat de verdachte vrij te spreken van het onder 2 tenlastegelegde, omdat het bewijs voor (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer 2] ontbreekt.
Het oordeel van de rechtbank
Inleiding
Deze strafzaak gaat over de schietpartij die op 9 september 2024 aan de [straat] in Dronten heeft plaatsgevonden. De verdachte heeft van meet af aan bekend dat hij met 14 schoten 3 slachtoffers heeft geraakt, te weten [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . De heer [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) is door de schoten van de verdachte overleden. Mevrouw [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) en de heer [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) bleven zwaargewond achter. Tijdens de mondelinge behandeling van deze strafzaak is gebleken dat de slachtoffers met een intens verdriet leven en diep geraakt zijn door de gebeurtenissen. Het gemis van [slachtoffer 3] is indringend weergegeven in de slachtofferverklaring zoals voorgedragen door zijn zus. Ook zijn de beperkingen waar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] mee moeten (leren) leven indringend naar voren gekomen.
[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] woonden naast de verdachte, [slachtoffer 3] was hun vriend die daar vaak op bezoek kwam. De verdachte en zijn partner [medeverdachte] (tevens medeverdachte) hebben verklaard dat zij al geruime tijd (ernstige) overlast hebben ervaren van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] . Volgens de verdachte is het ondoenlijk om met de slachtoffers over de ervaren overlast in gesprek te gaan en heeft hij er uiteindelijk voor gekozen om melding te maken bij de politie. Tegelijkertijd was de verdachte bang voor de slachtoffers, omdat hij meende dat zij over vuurwapens beschikten. De verdachte heeft daarop eind juli 2024 een vuurwapen met extra patroonhouder en munitie gekocht om zijn gezin te beschermen. Op 9 september 2024 is hij de slachtoffers met het wapen in zijn broeksband tegemoet getreden om over de overlast in gesprek te gaan, met een fatale afloop.
Bij ieder strafproces is het aan het Openbaar Ministerie om aan de hand van de bewijsmiddelen in een procesdossier aan te geven welk strafbaar feit iemand kan worden verweten en waarom dat zo is. In de strafzaak tegen de verdachte komt het er in de kern op neer dat de rechtbank moet beoordelen of de verdachte kan worden verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan moord of doodslag op [slachtoffer 3] , en pogingen daartoe op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Ook moet de rechtbank beoordelen of hij dat alleen heeft gedaan of samen met [medeverdachte] . Voor de beoordeling van deze vragen – en alle daarbij behorende vervolgvragen – is het allereerst van belang om vast te stellen wat er feitelijk is gebeurd (kort) vóór en ten tijde van de schietpartij. De rechtbank zal hieronder daarom uiteenzetten wat er te zien is op de camerabeelden van de schietpartij.
De camerabeelden – eigen waarneming rechtbank
Van de schietpartij zijn camerabeelden in het dossier, omdat de deurbel van zowel de verdachten als de slachtoffers een camera heeft. Hierop neemt de rechtbank het volgende waar. [slachtoffer 2] parkeert haar auto voor haar huis. [medeverdachte] is in de deuropening van haar huis te zien en zij zegt dat ‘ze’ (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , althans de buren) er zijn. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] stappen uit de auto, [slachtoffer 3] blijft in de auto zitten. De verdachte loopt vanaf zijn woning naar de stoep. Zijn jas valt over de bovenkant van zijn broek. De verdachte vraagt of [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] iets te zeggen hebben tegen hem, want de hele tijd… (de verdachte maakt hierbij zijn zin niet af). [medeverdachte] vult hierop aan dat er ieder weekend ruzie wordt gezocht wanneer ‘ [slachtoffer 3] ’ (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3] ) er is. Hierna praten [slachtoffer 2] en [medeverdachte] door elkaar. [slachtoffer 2] geeft aan dat ze geen ruzie moeten maken. Wanneer [slachtoffer 1] vanaf de deur van de woning van [slachtoffer 2] de kant op beweegt van de verdachte, trekt de verdachte het vuurwapen, laadt het door en richt op [slachtoffer 1] . In een fractie van een seconde loopt [medeverdachte] op dat moment in versnelde pas naar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] toe en schreeuwt ‘maté’ (Papiamento voor ‘dood hem/haar’). Terwijl de verdachte met zijn vuurwapen op [slachtoffer 1] richt, springt [slachtoffer 2] vóór [slachtoffer 1] en wordt door het eerste schot van de verdachte geraakt en valt op de grond. Dit schot valt nagenoeg gelijktijdig met de kreet ‘maté’ van [medeverdachte] . Ook nadat de verdachte zijn eerste schot heeft gelost roept [medeverdachte] ‘maté’. De verdachte loopt dan naar de auto waarin [slachtoffer 3] zit en lost meerdere schoten in de auto. Ondertussen buigt [medeverdachte] zich schreeuwend over [slachtoffer 2] en maakt slaande bewegingen. De verdachte loopt weg van de auto van [slachtoffer 2] en langs een andere geparkeerde auto heen. De verdachte herlaadt dan zijn wapen. [slachtoffer 1] loopt naar de om hulp roepende [slachtoffer 3] , [medeverdachte] loopt schreeuwend achter hem aan. De verdachte loopt vervolgens om de auto van [slachtoffer 2] heen en schiet enkele malen op [slachtoffer 3] . Hierna loopt de verdachte terug naar zijn woning, terwijl [medeverdachte] schreeuwend en scheldend bij [slachtoffer 2] blijft staan, totdat de verdachte haar zegt dat ze naar binnen moet gaan.
Vrijspraak moord (het impliciet primair tenlastegelegde)
Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Contra-indicaties voor de voorbedachte raad kunnen zijn dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat of dat sprake is van een korte tijdspanne tussen het besluit en de uitvoering.
De verdachte heeft steeds verklaard dat hij is gaan schieten, omdat hij zag dat [slachtoffer 1] op hem af kwam. De officier van justitie gelooft dit niet en gaat ervan uit dat de verdachte en medeverdachte een vooropgezet plan hadden om de slachtoffers op te wachten en aan te vallen. De medeverdachte zou daarbij het startsein voor het schieten door de verdachte hebben gegeven door ‘maté’ (Papiamento voor ‘dood hem/haar’) te roepen.
Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier geen begin van bewijs van een dergelijk gezamenlijk vooropgezet plan. Dat de verdachte met zijn medeverdachte [medeverdachte] een dergelijk plan had, valt simpelweg niet vast te stellen op basis van dit dossier. De verdachte heeft van meet af aan consistent verklaard dat hij thuis kwam, even ging roken en vervolgens het (doorgeladen) vuurwapen en een extra patroonhouder bij zich heeft gestoken. Het vuurwapen en de extra patroonhouder nam hij mee naar het gesprek met de buren, omdat hij wist dat zij (specifiek: [slachtoffer 1] ) in het verleden ook over vuurwapens hadden beschikt. De verdachte hield er rekening mee dat de slachtoffers ( [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] ) bij hun treffen bewapend zouden zijn, en de verdachte meende dat hij zijn gezin moest beschermen ‘voor het geval dat’. Het doel van het gesprek was dat er werd gesproken over en een oplossing zou komen voor de overlast die de verdachte en zijn gezin al enige tijd ervoeren van de buren (en [slachtoffer 3] ). De verdachte had twee dagen voor de schietpartij een melding bij de politie gedaan over de overlast, en was bang voor hun reactie. De verdachte heeft in grote lijnen verklaard over repercussies die op zo’n melding konden volgen. Verder hebben de verdachte en zijn medeverdachte steeds verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] niet van het bestaan van het vuurwapen en de munitie van [verdachte] afwist en dat zij dus ook niet wist dat de verdachte het vuurwapen en de extra patroonhouder vlak voor de schietpartij bij zich had gestoken.
De verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachte over de bedoeling van het treffen met de buren wordt ondersteund door een objectief bewijsmiddel uit het procesdossier. De rechtbank stelt vast dat deze bedoeling ook volgt uit (de eigen waarneming op basis van) de camerabeelden. Hierop is namelijk te zien en te horen dat de verdachte naar buiten loopt als de slachtoffers zijn gearriveerd en hen op rustige toon aanspreekt over de overlast. De medeverdachte neemt ook deel aan het gesprek en zij benoemt expliciet dat er ieder weekend ruzie wordt gezocht wanneer ‘ [slachtoffer 3] ’ (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3] ) er is. De toon is op dat moment nog gematigd maar wordt daarna snel -van beide kanten- bozer. Het blijft nog even bij praten, maar zodra [slachtoffer 1] richting de verdachte beweegt trekt de verdachte direct zijn vuurwapen, richt en begint te schieten. Deze hele gang van zaken, waarbij de verdachte en medeverdachte eerst (op hun eigen wijze) een gesprek proberen te starten met de slachtoffers, biedt een objectieve ondersteuning voor de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachte dat het hun intentie was om in gesprek te gaan, en dat de verdachte pas is gaan schieten in reactie op [slachtoffer 1] , die naar hem toe kwam.
De rechtbank stelt derhalve vast dat de verdachte het wilsbesluit om te schieten pas ter plekke heeft genomen op het moment dat hij zag dat [slachtoffer 1] zijn richting uit bewoog. Dit maakt dat de verdachte heeft gehandeld in een hevige gemoedsopwelling en dat er slechts een zeer korte tijdsspanne bestond tussen het genomen besluit en de uitvoering.
De officier van justitie heeft nog aangevoerd dat de verdachte tijdens het herladen (opnieuw) tijd heeft gehad om zich te beraden. Ten aanzien van dit herladen van het vuurwapen overweegt de rechtbank dat uit de camerabeelden blijkt dat het herladen slechts negen seconden heeft geduurd. Vervolgens heeft de verdachte na twee seconden ook zijn tweede patroonhouder leeggeschoten. Alle handelingen, te weten het schieten op de slachtoffers, herladen en vervolgens weer schieten, hebben plaatsgevonden binnen een zeer kort tijdsbestek en moeten worden aangemerkt als één doorlopende actie. Niet is gebleken dat de verdachte op enig moment tijdens deze doorlopende actie een moment van kalm en rustig beraad heeft gehad. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van de moord op [slachtoffer 3] (feit 1) en de pogingen tot moord op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] (feit 2 en feit 3).
Bewijsmiddelen doodslag (het impliciet subsidiair tenlastegelegde)
De rechtbank oordeelt dat het impliciet subsidiair tenlastegelegde is bewezen. De rechtbank baseert dit op de volgende bewijsmiddelen:
1. De verdachte heeft op zitting onder meer, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard:
Het klopt dat ik [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] op 9 september 2024 in Dronten heb neergeschoten. Ik heb meerdere keren geschoten op [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] .
Toen [slachtoffer 1] op mij afliep trok ik mijn vuurwapen. Toen ik het wapen op hem richtte, ging [slachtoffer 2] tussen ons in staan. Ik schoot toen richting [slachtoffer 1] , maar ik denk dat ik haar toen heb geraakt.
2. Verbalisant Nobbe heeft in een proces-verbaal van bevindingen van 23 september 2024, zakelijk weergegeven, het volgende gerelateerd:
Camerabeelden:Ik zag dat twee slachtoffers, namelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , naar het perceel [huisnummer] liepen. Ik zag en hoorde dat de buren (verdachten) in gesprek gingen met de slachtoffers. Ik zag dat het derde slachtoffer in het voertuig bleef zitten.
Ik zag dat [slachtoffer 2] met [medeverdachte] in gesprek ging en dat ze tegen elkaar begonnen te schreeuwen. Vervolgens zag ik dat [slachtoffer 1] een handgebaar maakte van “Hey doe is even rustig” Ik hoorde hem roepen “Hey, Hey.”
Ik zag dat [verdachte] hierop reageerde met “Ewa" Ewa.” Ik zag dat [slachtoffer 1] reageerde door richting [verdachte] te lopen. Ik zag dat [verdachte] diezelfde seconde naar zijn vuurwapen greep. Dit was nog op het moment dat [slachtoffer 1] in de voortuin stond. Ik zag dat hij met zijn hand het vuurwapen pakte.
Ik zag dat [verdachte] het vuurwapen vast had in zijn rechterhand. Ik zag dat hij met zijn linkerhand de slede naar achteren haalde. Het is mij ambtshalve bekend dat je op deze manier een vuurwapen kan doorladen.
Ik zag dat [slachtoffer 1] een blikje in zijn hand had en dit op het muurtje van de voortuin plaatste. Ik zag dat hij hierdoor niet naar [verdachte] keek. Ik zag dat [verdachte] binnen een seconde zijn vuurwapen had getrokken en het wapen in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] richtte. Ik zag dat [slachtoffer 2] het gevaar kennelijk aan zag komen en hierdoor tussen [slachtoffer 1] en [verdachte] in ging staan.
Vervolgens zag ik dat [verdachte] het vuurwapen probeerde te richten op [slachtoffer 1] . Ik zag dat zijn agressie richting [slachtoffer 1] gericht was. Ik zag dit omdat de verdachte met het vuurwapen om het slachtoffer [slachtoffer 2] heen wilde richtten. Dan zijn meerdere schoten te horen in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
Hierna is zichtbaar hoe [verdachte] direct richting [slachtoffer 3] loopt en hier een drietal schoten lost. [slachtoffer 3] probeert aan de rechterzijde (vanuit het voertuig gezien) uit het voertuig te kruipen.
Hierna zie ik dat [verdachte] om het zwarte voertuig heen loopt en een patroonhouder wisselt. Je hoort [slachtoffer 3] om hulp roepen uit de auto. Je hoort hem pijn hebben en dit uitschreeuwen. Ik zag dat [slachtoffer 1] hierop reageerde door naar hem toe te lopen. Ik zag [slachtoffer 1] zijn hand opsteken en [verdachte] maande te stoppen. Ik zag dat hij richting [slachtoffer 3] liep, en hoorde hem roepen: “Doe nou niet.” Ik hoorde hierop [medeverdachte] roepen: “Hoe bedoel je, wie denk je wel niet dat je bent?”
Ik zag dat [slachtoffer 1] gehurkt naast [slachtoffer 3] ging zitten. Ik zag dat [medeverdachte] ook in de richting van de twee slachtoffers liep. Ik zag en hoorde dat ze schreeuwde en hevig met haar armen bewoog.
Terwijl dit gebeurde zag ik dat [verdachte] zijn wapen aan het herladen was en dat hij ook in de richting van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] liep. Hij passeerde hierbij [slachtoffer 2] die hij geen aandacht gaf.
Ik hoorde [slachtoffer 3] vervolgens iets richting [medeverdachte] roepen. Ik hoorde “Bel een ambulance, alsjeblieft [naam] , bel ze.” Ook zag ik dat [slachtoffer 3] op de grond lag en bewoog. Ik zag dat [slachtoffer 3] achter de deur uit het beeld verdween.
Vervolgens zag ik dat [verdachte] zijn vuurwapen had herladen en dat hij met een versnelde pas in de richting van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] liep. Ik zag dat hij zijn vuurwapen met een gestrekte arm richtte op het slachtoffer dat op grond lag. Er zijn dan zeven schoten te horen.
Na de schoten zag ik dat het slachtoffer [ [slachtoffer 3] ] zijn hoofd op de grond liet vallen en dat hij niet meer bewoog en geen geluid maakte.
3. Een deskundigenrapport van het NFI: “Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden” van 25 september 2024 opgesteld door I.H.R. Hundscheid, arts en forensisch patholoog, voor zover inhoudende als verklaring van voornoemde deskundige:
Overledene: [slachtoffer 3]
Schotletsels: aan het lichaam waren in totaal elf huidperforaties in het kader van één inschot en vijf doorschoten.
Conclusie: [slachtoffer 3] is overleden aan de gevolgen van één inschot aan het hoofd en vier doorschoten aan de romp. Het doorschot aan de rechteronderarm heeft geen rol van betekenis gespeeld ten aanzien van het overlijden.
4. Een forensisch medische letselrapportage [slachtoffer 1] van GGD Utrecht van 29 november 2024 opgesteld door A.R.J. Stumpel, forensisch arts, voor zover inhoudende als verklaring van voornoemde deskundige:
Welke letsels neemt u waar en kunt u deze omschrijven?
Zichtbare letsels:
Linkerbeen: Er bevinden zich in het linkerbeen twee huiddefecten met een doorsnede van ongeveer één centimeter: links boven de knieschijf en rechts op het bovenbeen ter hoogte van de knie. De defecten zijn passend bij schotwonden.
Rechter bovenarm en schouderblad: Op een CT-scan gemaakt op 9 september 2024 zijn evenwel intree-openingen van twee kogels zichtbaar: één aan de voorzijde van de rechter bovenarm en één rechts ter hoogte van het schouderdak.
Inwendige letsels betreffen:
- een plaatselijke beschadiging van het rechter schouderblad;
- destructie van het gewricht tussen tweede en derde borstwervel;
- een dwarslaesie vanaf de vierde borstwervel;
- een klaplong links met bloedingen van de long;
- weke delenletsel been (spieren, bindweefsel, etc.).
Ten gevolge waarvan kunnen deze letsels zijn ontstaan?
Ten gevolge van het binnendringen van in totaal drie kogels.
Wat waren de gevolgen van deze letsels?
- beperkte kracht in beide armen, bewegen is wel mogelijk, zij het minder gemakkelijk. Vingers en handen hebben een verminderd gevoel;
- pijnklachten in beide armen;
- totale verlamming en gevoelsverlies van beide benen;
- problemen met de ademhaling ten gevolge van de klaplong.
Zijn er blijvende gevolgen (te verwachten) van deze letsels?
Er is sprake van een complete dwarslaesie. Bij een complete dwarslaesie is er slechts een kleine kans op herstel naar een incomplete dwarslaesie. Er heeft gedurende de opname tot nu toe geen herstel plaatsgevonden, daarmee verwacht ik dat de gevolgen passend bij de complete dwarslaesie blijvend zijn. De functionele verwachting van ons team is dat patiënt zelfstandig vanuit de rolstoel kan functioneren.
5. Een forensisch medische letselrapportage [slachtoffer 2] van GGD Utrecht van 29 november 2024 opgesteld door A.R.J. Stumpel, forensisch arts, voor zover inhoudende als verklaring van voornoemde deskundige:
Welke letsels neemt u waar en kunt u deze omschrijven?
Zichtbare letsels:
In het midden van de buik bevindt zich een verticaal operatielitteken, met een breedte van 1-2 centimeter, met daarin een veertigtal littekens van hechtingen, zich uitstrekkend vanaf het borstbeen tot onderaan de buik.
Op de linker onderbuik bevindt zich een ronde, lichtbruine verkleuring, met een doorsnee van ongeveer één centimeter, passend bij kostvorming na een schotwond.
Inwendige letsels betreffen:
- een scheur in de milt, waarvoor patiënte driemaal is geopereerd. Omdat de bloeding niet gestelpt kon worden, is besloten tot verwijdering van de milt;
- bloed in de linker longholte;
- een beschadiging van het middenrif;
- een breuk in de achtste rib (op de overgang van voor- naar zijkant);
- een breuk van een onderste ruggenwervel;
- de bovenzijde van de linker nier is oppervlakkig geschaafd.
Ten gevolge waarvan kunnen deze letsels zijn ontstaan?
Ten gevolge van het binnendringen van een kogel.
Wat waren de gevolgen van deze letsels?
- Het verlies van de milt, met gevolgen voor de afweer;
- Verminderde kracht en verminderd gevoel van beide onderbenen, rechts meer dan links.
Zijn er blijvende gevolgen (te verwachten) van deze letsels?
Er is sprake van een incomplete dwarslaesie. Een incomplete dwarslaesie kan nog (deels) herstellen. Meestal blijven er restverschijnselen o.a. op het gebied van aansturing naar de spieren, sensibiliteit onder de dwarslaesie, blaas-, darmlediging, seksuele functies en pijnklachten. De functionele verwachting van ons team is dat patiënte kleine afstanden met hulpmiddelen kan lopen, maar dat er voor langere afstanden een rolstoel nodig is. We verwachten dat zij zelfstandig in de zelfverzorging zal zijn.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewijsoverwegingen
(Poging) doodslag
Voor een bewezenverklaring van poging tot doodslag moet de verdachte opzet op de dood van het slachtoffer hebben gehad. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte, door te handelen zoals hiervoor vastgesteld, opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op de dood. Van ‘vol opzet’ is sprake in het geval van willens en wetens handelen. Met ‘voorwaardelijk opzet’ wordt bedoeld dat een verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg, in dit geval de dood, bewust heeft aanvaard.
Op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de verdachte bewust en gericht meerdere keren van een korte afstand op [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] heeft geschoten. Uit de aard van deze gedragingen volgt dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte vol opzet heeft gehad op het doden van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] .
Het staat vast dat de verdachte ook [slachtoffer 2] heeft geraakt, maar uit de verklaringen van de verdachte en de camerabeelden leidt de rechtbank af dat de verdachte niet gericht op haar heeft willen schieten. De verdachte verklaart immers dat het niet zijn bedoeling was om [slachtoffer 2] te raken en uit de camerabeelden volgt dat [slachtoffer 2] vóór [slachtoffer 1] (het beoogde slachtoffer) springt. Er kan daarom niet worden vastgesteld dat de verdachte vol opzet heeft gehad om haar te doden. De rechtbank is wel van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet op haar dood heeft gehad. De verdachte heeft immers zijn vuurwapen getrokken en daarmee gericht op [slachtoffer 1] (die op dat moment in beweging was). Op dat moment was [slachtoffer 2] ook in de dichte nabijheid van de verdachte en óók in beweging. Door vervolgens toch met het vuurwapen te schieten was er niet alleen een aanmerkelijke kans dat de verdachte [slachtoffer 2] zou raken, maar heeft de verdachte deze aanmerkelijke kans ook bewust aanvaard door het schot te lossen.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat bewezen is dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer 2] en vol opzet had op de dood van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] . Daarmee zijn het onder 1 tot en met 3 impliciet tenlastegelegde bewezen, te weten doodslag en tweemaal poging tot doodslag.
Vrijspraak medeplegen
Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat komt vast te staan dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] . Wanneer een gezamenlijke uitvoering niet kan worden vastgesteld, kan er alsnog sprake zijn van medeplegen. Dit is bijvoorbeeld het geval als de rechtbank kan vaststellen dat medeverdachte [medeverdachte] wist van het plan voor de uitvoering van de schietpartij. Ook kan er sprake zijn van medeplegen wanneer een bijdrage van [medeverdachte] aan het strafbare feit van voldoende gewicht is. Daarbij geldt een zogeheten dubbel opzetvereiste. Er moet zowel opzet zijn op de onderlinge samenwerking met [verdachte] , als opzet op de schietpartij.
De officier van justitie meent dat bewezen kan worden dat [medeverdachte] een (strafbare) medepleger van de schietpartij is. Volgens de officier wist zij van het vuurwapen van de verdachte, is zij samen met de verdachte doelbewust een dodelijke confrontatie met de slachtoffers aangegaan, heeft zij de verdachte aangespoord te schieten, heeft zij [slachtoffer 1] geïntimideerd en [slachtoffer 2] geslagen en heeft zij zich op geen enkele manier van het handelen van de verdachte gedistantieerd, laat staan geprobeerd hem tegen te houden. Voor de bewezenverklaring heeft de officier van justitie met name gewezen op de camerabeelden in het dossier.
In de strafzaak tegen [medeverdachte] heeft de rechtbank geoordeeld dat [medeverdachte] niet gezien kan worden als een strafbare medepleger, omdat er in het procesdossier geen bewijs is dat een dergelijk oordeel kan dragen. Dit oordeel is uitgebreid en in detail weergegeven in het vonnis van die strafzaak (16-289548-24). In de kern komt dit oordeel neer op het volgende.
Allereerst staat vast dat er geen bewijsmiddel is waaruit volgt dat [medeverdachte] wist dat de verdachte een vuurwapen had aangeschaft of dat zij wist dat de verdachte ten tijde van de schietpartij een vuurwapen bij zich droeg. Ook staat niet vast dat [medeverdachte] enige wetenschap had van dit vuurwapen, tot na de schietpartij. Voorts kan op grond van de eigen waarneming van de rechtbank (de camerabeelden) niet worden vastgesteld dat [medeverdachte] een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd bij de schietpartij. De uitleg die de officier van justitie aan de camerabeelden heeft gegeven, sluit de uitleg van de verdediging niet uit en wordt ook niet ondersteund door een ander bewijsmiddel in het dossier. Ten slotte heeft de rechtbank vastgesteld dat wat aan acties van [medeverdachte] te zien is op de camerabeelden los van elkaar, maar ook in onderling verband en samenhang bezien, geen bijdrage kan zijn geweest (laat staan een bijdrage van voldoende gewicht) aan de schietpartij zoals die door de verdachte is uitgevoerd. Het aanwezig zijn ter plaatse, het roepen van ‘maté’, het schreeuwen tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , het slaan van [slachtoffer 2] en het gegeven dat zij niet heeft ingegrepen, is hiervoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Dit alles maakt dat de rechtbank oordeelt dat medeverdachte [medeverdachte] niet kan worden gezien als een strafbare medepleger van de schietpartij. Dit betekent ook dat in de strafzaak tegen de verdachte een partiële vrijspraak dient te volgen, omdat er geen bewijs is dat hij de strafbare feiten samen met een ander heeft begaan.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
1
op 9 september 2024 te Dronten, alleen, [slachtoffer 3] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meermalen (van dichtbij) met een vuurwapen kogels in de richting van het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 3] af te vuren, en die [slachtoffer 3] in het hoofd en lichaam te raken, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 3] is overleden;
2
op 9 september 2024 te Dronten, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, (van dichtbij) met een vuurwapen een kogel in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft afgevuurd, en die [slachtoffer 2] in het lichaam heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
op 9 september 2024 te Dronten, alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen (van dichtbij) met een vuurwapen kogels in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft afgevuurd, en die [slachtoffer 1] in het lichaam heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
5. De strafbaarheid van de verdachte
Het standpunt van de verdediging
Primair heeft de advocaat zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op putatief noodweerexces toekomt waardoor hij niet strafbaar is. Uit alle omstandigheden in deze zaak volgt dat de verdachte zich verontschuldigbaar inbeeldde dat er een dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding bestond waartegen hij zich moest verdedigen. Ter onderbouwing van het verweer is onder meer aangevoerd dat de verdachte al maandenlang overlast ondervond van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] . Er was sprake van beledigingen, bedreigingen en andere vormen van intimidatie. Ook verklaart de verdachte dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] over wapens beschikten die zij altijd bij zich hadden. De verdachte heeft ook enige tijd twee vuurwapens voor [slachtoffer 1] in bewaring gehad, waarna de verhouding met [slachtoffer 1] verslechterde toen de verdachte aandrong op het terugnemen van de wapens door [slachtoffer 1] . [slachtoffer 3] is een veroordeelde crimineel die afrekende met mensen die contact hadden met de politie over hem. Er werden dan vuurwerkbommen voor de deur van een aangever geplaatst. Mensen durven daar niet over te verklaren. De verdachte had zich de dag voor de schietpartij tot de politie gewend om melding te maken van de overlast. Vanwege de repercussies die dan altijd zouden volgen was de verdachte bang voor een (gewelddadige) reactie van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] . Toen [slachtoffer 1] tijdens het treffen op hem afkwam, ging de verdachte ervan uit dat [slachtoffer 1] gewapend was, omdat dat altijd zo was, en dat hij zichzelf en zijn gezin moest verdedigen. De verdachte heeft ook verklaard dat hij zag dat [slachtoffer 3] in de auto een beweging maakte alsof hij iets wilde pakken, waarop hij naar [slachtoffer 3] toe is gegaan en heeft geschoten.De verdediging heeft verder aangevoerd dat bij de verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging als gevolg van het door de verdachte ingebeelde dreigende gevaar. Door deze hevige gemoedsbeweging heeft de verdachte de grenzen van de (vermeend) noodzakelijke verdediging overschreden, wat een vereist is voor putatief noodweerexces.
Subsidiair heeft de advocaat zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt. Gelet op alle omstandigheden in deze zaak was sprake van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en hoefde te bieden. De verdediging betrekt hierbij dat de verdachte PTSS en een depressie heeft, waardoor hij beperkt was in zijn keuzevrijheid, en dat hij maandenlang intimidaties, beledigingen en bedreigingen heeft ondervonden van de slachtoffers.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen beroep op putatief noodweerexces toekomt, omdat de verdachte zelf de confrontatie met de slachtoffers heeft opgezocht.
Volgens de officier van justitie moet het beroep op psychische overmacht ook worden verworpen. Het is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand heeft kunnen of behoren te bieden. De verdachte was in staat om een andere keuze te maken, en had dat ook moeten doen.
Het oordeel van de rechtbank
Putatief noodweerexces
Voor een geslaagd beroep op putatief noodweerexces is vereist dat de verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald, dat wil zeggen dat de verdachte redelijkerwijs in de veronderstelling kon zijn dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen hij zich moest verdedigen. De verdachte heeft in zo’n situatie zich het dreigende gevaar op redelijke gronden ingebeeld, dan wel de dreiging verkeerd beoordeeld. Vervolgens heeft hij de grenzen van de (vermeend) geboden verdediging overschreden, als gevolg van een hevige gemoedsbeweging die door de (ingebeelde) wederrechtelijke aanranding is veroorzaakt.
De rechtbank oordeelt dat een dergelijke situatie hier niet aan de orde is.
Hoewel het volgens de rechtbank aannemelijk is dat de verdachte vrees had voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] , is zij van oordeel dat de verdachte geen wezenlijk aanleiding had om te menen dat er op dat moment noodzaak bestond om zich tegen hen te verdedigen, ofwel dat hij redelijkerwijs kon denken dat er een noodweersituatie bestond. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat de verdachte het initiatief heeft genomen om met de slachtoffers in gesprek te gaan en daarmee is de confrontatie door verdachte gestart. Ook is alles wat er in het verleden met de slachtoffers zou zijn voorgevallen (het in bewaring nemen van vuurwapens of het anderszins dreigend overkomen richting de verdachte) onvoldoende concreet geworden. Daarbij is ook de door de verdachte ervaren dreiging vanuit de slachtoffers onvoldoende concreet geworden. Het enkele horen van verhalen van buren (geruchten) of wetenschap dat het nou eenmaal zo is, is onvoldoende om in de veronderstelling te zijn dat er een dreigend gevaar is. Verder blijkt uit de beelden dat er over en weer is geschreeuwd, maar zijn er van de kant van de slachtoffers geen bewegingen of handelingen zichtbaar die als een aanval kunnen worden uitgelegd. Ook blijkt uit de opnames dat [slachtoffer 2] de-escalerende woorden heeft gesproken, te weten: “Dit is niet het moment, laten we geen ruzie maken.” En tijdens het gesprek bleef [slachtoffer 1] aanvankelijk op afstand in de voortuin van de woning van [slachtoffer 2] staan. Vervolgens is hij weliswaar een stuk in de richting van de verdachte gelopen, maar bleef hij op enkele meters afstand weer staan en draaide hij zich om en dook weg toen de verdachte het wapen op hem richtte. [slachtoffer 3] bleef al die tijd in de auto en van een beweging of actie richting de verdachte is niet gebleken. Al die tijd kon de verdachte zich daarbij nog uit de situatie onttrekken, de verdachte had immers het gesprek kunnen eindigen en weer naar huis kunnen gaan.
Onder deze omstandigheden was er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding voor de verdachte om te menen dat vanuit de slachtoffers een wezenlijke dreiging uitging en kon hij zich dan ook niet verontschuldigbaar inbeelden dat hij zich moest verdedigen.
Gelet hierop faalt het beroep op putatief noodweerexces. Of en hoeverre er sprake was van een hevige gemoedsbeweging die heeft geleid tot overschrijding van de grenzen van een (vermeend) geboden verdediging, behoeft hiermee geen verdere bespreking.
Psychische overmacht
De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op psychische overmacht sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden. Er moest daarmee sprake zijn van een wezenlijke en buitennormale druk. Daarvan is mede gelet op hetgeen hiervoor onder putatief noodweerexces is overwogen geen sprake geweest. De verdachte heeft zichzelf in de situatie gebracht waardoor er een confrontatie is ontstaan met de latere slachtoffers. Hij heeft immers het initiatief genomen om in gesprek te gaan en daarmee is de confrontatie gestart. Daar komt bij dat niet is gebleken dat de verdachte zich niet had kunnen onttrekken aan de situatie. Ook wanneer [slachtoffer 1] in de richting van de verdachte bewoog, waren de omstandigheden dusdanig dat de verdachte de keuzevrijheid had om weg te gaan. Zo had de verdachte ook op dat moment de gelegenheid om weg te lopen en het conflict verder uit de weg te gaan. De geestelijke problematiek van de verdachte, en de voorgeschiedenis tussen hem en de slachtoffers maakt dit niet anders. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op psychische overmacht.
Conclusie
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte strafbaar is. Er zijn geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1: doodslag
feit 2 en feit 3: poging tot doodslag, meermaals gepleegd
7. Straf en maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 jaar. De officier van justitie heeft daarnaast oplegging van de ongemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging en de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat geen van de strafdoelen worden gediend als aan de verdachte een langdurige gevangenisstraf wordt opgelegd. Verder was de verdachte tenminste verminderd toerekeningsvatbaar tijdens het plegen van de ten laste gelegde feiten. Hij is gebaat bij maatwerk en passende behandeling.
Primair verzoekt de raadsman een gevangenisstraf van vier jaar op te leggen waarvan twee jaar voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarden een (ambulante) behandelverplichting bij centrum ’45 of de Sinaï-kliniek en daaraan gekoppeld het reclasseringstoezicht. Daarbij dient een proeftijd van tien jaar te worden opgelegd, gelet op de verwachte behandelduur.
Subsidiair verzoekt de advocaat om een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van het voorarrest en met oplegging van TBS met voorwaarden.
Meer subsidiair verzoekt de advocaat een gevangenisstraf van maximaal vijf jaar op te leggen in combinatie met TBS met voorwaarden.
Meest subsidiair verzoekt de advocaat de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging en TBS met dwangverpleging op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank zijn persoonlijke omstandigheden mee, zoals van één en ander uit het dossier en ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft van een korte afstand meerdere keren geschoten op drie ongewapende slachtoffers. Als gevolg hiervan is één van de slachtoffers, [slachtoffer 3] , overleden. De verdachte heeft dit slachtoffer zes keer geraakt. Hij is uiteindelijk overleden aan de gevolgen van één inschot aan het hoofd en vier doorschoten aan de romp. Uit de beelden blijkt dat het slachtoffer is gestorven in pijn en angst. De verdachte heeft het slachtoffer het meest fundamentele recht, het recht op leven, op een gruwelijke wijze ontnomen.
Door zijn handelen heeft de verdachte ook onvoorstelbaar en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. Uit hun spreekrechtverklaringen blijkt hoeveel verdriet het gemis van het slachtoffer heeft veroorzaakt. Dit leed zullen zij voor de rest van hun leven moeten dragen. Daarnaast moeten zij leven met de wetenschap dat hun zoon, broer of vader door geweld om het leven is gebracht. De rechtbank realiseert zich dat geen enkele straf de pijn en het verdriet van het gemis kan wegnemen.
Daarnaast heeft de verdachte geprobeerd om [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] te doden. De verdachte heeft met zijn handelen het leven van deze slachtoffers op ernstige en onaanvaardbare wijze in gevaar gebracht. Dat zij het hebben overleefd is een gelukkige omstandigheid die niet aan het handelen van de verdachte is te danken. Het is uiterst kwalijk dat hij zijn problemen met de slachtoffers heeft beslecht door het gebruik van een vuurwapen. Deze keuze van de verdachte heeft ernstige, blijvende gevolgen voor het lichamelijk en geestelijk welzijn en functioneren van de slachtoffers. Zo is [slachtoffer 2] in haar borst geraakt en heeft de kogel dusdanige schade aangericht dat haar milt moest worden verwijderd en zij een incomplete dwarslaesie heeft opgelopen. Ze kan, met hulpmiddelen, kleine afstanden lopen en voor langere afstanden is ze afhankelijk van een rolstoel. Daarnaast heeft de verdachte drie kogels afgevuurd op [slachtoffer 1] . Hij is geraakt in zijn been, bovenarm en schouderblad. [slachtoffer 1] heeft een complete dwarslaesie opgelopen. Er is sprake van totale verlamming en gevoelsverlies van beiden benen. Hij zal nooit meer kunnen lopen en is voor de rest van zijn leven volledig afhankelijk van een rolstoel.
De verdachte heeft een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en heeft de kwaliteit van het leven van de slachtoffers zeer ernstig aangetast. Naast de lichamelijke gevolgen moeten de slachtoffers ook omgaan met psychisch leed. De moeder van [slachtoffer 2] heeft het voorgaande namens hen benadrukt in haar schriftelijke slachtofferverklaring die zij op zitting heeft voorgelezen. De feiten hebben begrijpelijkerwijs ook grote invloed gehad op de overige familieleden van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] .
De rechtbank weegt ook mee dat het schietincident op klaarlichte dag in een woonwijk vlakbij een speeltuin heeft plaatsgevonden. Dit heeft uiteraard tot grote beroering geleid in Dronten. Een dergelijk gewelddadig feit heeft niet alleen ingrijpende gevolgen voor de slachtoffers, maar vergroot ook de onrust en het algemene gevoel van onveiligheid voor de directe omwonenden en de samenleving.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:
- een Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van de verdachte van 11 november 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit;
- een Pro Justitia rapport van 12 maart 2025, opgesteld door J.C. Laheij, psychiater;
- een Pro Justitia rapport van 27 februari 2025, opgesteld door M.D. Beijer-Holtman, GZ-psycholoog;
- een door de verdediging in gebracht pro Justitia rapport van 15 december 2025, opgesteld door J.M.J.F. Offermans, psychiater;
- een reclasseringsrapport van 15 december 2025, opgesteld door M. Vlutters.
Adviezen psychiater L.C. Laheij en GZ-psycholoog Beijer-Holtman
Over de verdachte is een psychiatrisch en een psychologisch rapport uitgebracht, waarin het volgende is opgenomen.
De verdachte is een veteraan die tweemaal naar Afghanistan uitgezonden is geweest, en daar ingrijpende ervaringen heeft gehad. De deskundigen concluderen dat als gevolg hiervan bij de verdachte sprake is van een posttraumatische stresstoornis (PTSS) en een persistent depressieve stoornis. Uit de rapportages blijkt dat de verdachte al geruime tijd in behandeling is bij de GGZ voor zijn psychiatrische problematiek, die gepaard gaat met onder andere slaapstoornissen, suïcidale gedachten, prikkelbaarheid en boosheidgevoelens. De verdachte is beperkt in staat bij zichzelf emoties te voelen of spanningen waar te nemen.
Er spelen al lange tijd onmachtgevoelens bij de verdachte over zijn psychiatrische problemen, zijn behandeling en de afhandeling door defensie, de werksituatie en over het conflict met de buren. In verschillende situaties heeft hij geprobeerd te praten en afspraken te maken om problemen te voorkomen. De verdachte heeft zich vaker niet gehoord gevoeld door defensie en zijn werkgever, maar ook door de wijkagent, de woningbouw en de buren. Hij heeft om hulp gevraagd, omdat hij bang was dat de buren dreigementen zouden uitvoeren en zijn gezin gevaar zou lopen, maar dit heeft niks opgeleverd. Frustraties en spanningen namen toe, maar ook zijn klachten. De verdachte sliep slechter, werd prikkelbaarder en zijn wantrouwen nam toe. Hij heeft in juni 2024 gebonk en schoten gehoord die er niet waren. Dit duidt erop dat zijn controle en realiteitstoetsing dusdanig onder druk waren komen te staan, dat er vanuit de PTSS zelfs tijdelijke psychotische overschrijdingen ontstonden. De verdachte accepteerde medicatie wat tot enig herstel heeft geleid, maar wilde vanuit zijn wens om grip en controle over de situatie te houden zo min mogelijk sedatie. Hij besloot uit voorzorg en angst, deels voortkomend uit maar in ieder geval versterkt door zijn stoornis, een vuurwapen aan te schaffen.
Volgens de deskundigen was de verdachte op de dag van de gepleegde feiten nog meer gespannen dan anders. Hij verwachtte een reactie van de buren, omdat hij zich weer tot de politie had gewend in verband met overlast. Ook had hij slecht geslapen en had hij stress op zijn werk. Het werd hem te veel toen hij een telefoontje van zijn partner kreeg die had gehuild en een beroep op hem deed om met de buren te gaan praten. Het raakte waarschijnlijk aan enkele van zijn trauma’s ten tijde van de uitzendingen: hulp vragen, niet gehoord worden en machteloosheid. Het is ook aannemelijk dat zijn PTSS verder werd geactiveerd en hij dacht dat zijn angsten uitkwamen, waarop zijn reeds beperkte emotieregulatie te kort schoot en woede en angstgevoelens de overhand kregen. De verdachte is naar huis gereden, heeft het vuurwapen bij zich gestoken en heeft nog enige tijd in de tuin zitten roken om zijn spanning te minderen. De situatie liep uit de hand toen hij naar buiten stapte om de confrontatie aan te gaan, zijn partner aan het schreeuwen sloeg en de verdachte meende dat één van de slachtoffers op hem afkwam. Hij verloor de rest van zijn controle vanuit zijn stoornis, dacht dat hij daadwerkelijk zijn gezin moest beschermen en ging over tot handelen. De verdachte heeft verteld dat hij zich sinds het telefoongesprek met zijn partner als in een film waande waarin geluiden niet binnenkwamen en hij een totaal gebrek aan emoties en gedachten zou hebben gehad. Hij beschrijft iets wat lijkt op een dissociatieve toestand. Dit is echter niet te verifiëren. Het is wel aannemelijk dat bij de verdachte sprake was van een beperkte keuzevrijheid door afwijkende cognities en een gestoorde emotie- en agressieregulatie vanuit zijn PTSS.
Ten gevolge van de langdurige angst, alertheid en het wantrouwen, voortkomend uit de PTSS en hopeloosheid vanuit de depressieve stoornis, is de verdachte psychisch ontregeld geraakt en is hij de grip op zichzelf verloren. Om hulp vragen heeft hij eerder gedaan, maar hij heeft zich hierin onvoldoende gehoord gevoeld. Dit hebben de hopeloosheid en angst bij de verdachte versterkt. Tijdens het schietincident was bij de verdachte sprake van een cumulatie van stressorende factoren. Hierdoor was hij verminderd in staat om de gevolgen van zijn handelen te overzien of gedragsalternatieven tegen elkaar af te wegen. Desondanks heeft hij nog wel besef gehad van de ontoelaatbaarheid van zijn handelen. Hij had het wapen verstopt en heeft het niet bij de behandelinstelling gemeld. Hij was, en is zich ervan bewust dat het verkeerd is wat hij deed. Alles overziend adviseren zowel Laheij als Beijer-Holtman de verdachte alle bewezen feiten (tenminste) verminderd toe te rekenen.
Ook schatten Laheij en Beijer-Holtman het recidiverisico op vergelijkbaar agressief gedrag in op matig-hoog, vanwege de ernst van het klinisch beeld. Zij adviseren de verdachte te behandelen in het kader van een TBS-maatregel onder voorwaarden. Indien de strafmaat dit niet toelaat, rest er niets anders dan de TBS-maatregel met dwangverpleging op te leggen.
Advies psychiater Offermans
Er bestaat een verschil in de diagnostiek tussen voorgaande adviezen en het advies van Offermans, dat door de verdediging is ingebracht. Volgens Offermans is er sprake van een persistent depressieve stoornis, terwijl Laheij en Beijer-Holtman een depressieve stoornis beschrijven. Verder is Offermans het nadrukkelijk oneens met de risicotaxatie uit de bovengenoemde rapportages. Offermans komt tot een licht tot hooguit matig recidiverisico, waar Laheij en Beijer-Holtman dit matig-hoog inschatten.
Offermans geeft aan dat op grond van het risicotaxatie-instrument HCR-20V3 het recidiverisico wordt ingeschat op matig, maar dat hij op basis van het klinisch onderzoek tot een laag tot matig recidiverisico concludeert. Hij betrekt daarbij dat de verdachte een first offender is die eerder neigt zich terug te trekken bij conflicten dan de strijd aan te gaan, en de buitengewoon ernstige situationele factoren die een rol hebben gespeeld bij de feiten. Offermans beschouwd de woonsituatie van de verdachte en met name zijn buren als uiterst relevant voor de inschatting van het recidiverisico. Er waren zeker nog andere problemen in het leven van de verdachte, maar deze stonden niet in verhouding tot de ernstige conflicten en onenigheid met de buren.
Nadere toelichting Laheij en Offermans
De deskundigen Laheij en Offermans hebben nadere toelichtingen aan de rechtbank verschaft. Laheij heeft in een schriftelijk stuk vragen van de rechtbank (met aanvullingen van de raadsman) beantwoord. Beide deskundigen hebben op de zitting (al dan niet telefonisch) een verklaring afgelegd,
Volgens Offermans valt op basis van het risicotaxatie-instrument HCR-20V3, gelet op de historie van de verdachte, niet te verwachten dat hij zal recidiveren. Opnieuw benoemt Offermans de situationele aspecten: als de verdachte andere buren zou hebben gehad, had hij onderhavige feiten niet gepleegd.
Laheij geeft aan dat de HCR-20V3 een risicotaxatie-instrument is dat uit meerdere items bestaat, die allemaal moeten worden meegewogen. Het is dus oneigenlijk om de historische items eruit te lichten en alleen deze mee te nemen bij de risicotaxatie. De kracht van het instrument zit juist in het combineren van de weging op diverse wetenschappelijk onderbouwde risicofactoren. Bij de uitkomst worden vervolgens ook beschermde factoren en een klinische taxatie van de onderzoeker betrokken om tot een volledige risicotaxatie te komen. Relevante factoren die zijn meegewogen in de klinische taxatie zijn de eerdere suïcidaliteit van de verdachte, zijn beperkte ziekte-inzicht en de problemen met het aanvoelen en reguleren van zijn emoties. Ten aanzien van de diagnostiek merkt Laheij op dat de verdachte voldoet aan de criteria van een depressieve stoornis, wat beduidend ernstiger is dan een persisterende depressieve stoornis die Offermans heeft gesteld.
Daarnaast merkt Laheij op dat er in haar onderzoek op meerdere plekken is stilgestaan bij de moeizame relatie van de verdachte met zijn buren. Dat de relatie met de buren van invloed is geweest op zijn handelen is correct, maar er was sprake van meerdere stressoren bij de beperkt draagkrachtige verdachte. Volgens Laheij doet de deskundige een uitspraak over de mate van verwijtbaarheid, terwijl de beoordeling van de verwijtbaarheid aan de rechtbank is.
Laheij vindt voortzetting van de ambulante behandeling niet zinvol, omdat de verdachte vanaf 2017 ambulant werd behandeld en hierbij slechts beperkt baat heeft gehad gezien het huidig psychiatrisch beeld, de lijdensdruk die hij ervaart en de diverse sociale stressoren die meewegen in de risicotaxatie. De ernst en complexiteit van de hardnekkige psychiatrische problematiek, de beperkte belastbaarheid en acceptatieproblemen, alsook de neiging zich te (laten) overvragen en/of te gaan vermijden, maken een intensieve, langdurende klinische behandeling de enige passende en noodzakelijk interventie. Bovendien zijn Centrum ’45 en Trauma Centrum Nederland (TCN), zoals voorgesteld door Offermans, gericht op zorg en niet op het verlagen van het recidiverisico, terwijl dit laatste ook onderdeel van de behandeling moet zijn.
Ten aanzien van de behandelsetting acht Laheij een FPK geschikter dan een Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA), omdat de verdachte beperkt draagkrachtig is, reeds geprikkeld is en zich psychotische overschrijdingen hebben voorgedaan bij toename van stress. Het is momenteel niet goed in te schatten hoe de verdachte zal reageren wanneer hij bij intensieve behandeling geconfronteerd wordt met zijn problematiek en zijn emoties minder kan vermijden. Daarnaast is een FPA meer gericht op resocialisatie en is de kans aanwezig dat de verdachte door zijn acceptatieproblemen, vermijding maar ook het niet voldoende kunnen aangeven van zijn emoties, wordt overschat in zijn draagkracht.
Reclasseringsadvies
Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van een rapport van de reclassering. De reclassering vindt een langdurig klinisch traject noodzakelijk, gelet op de complexe problematiek van de verdachte, en adviseert positief over TBS met voorwaarden. Wel is volgens de reclassering de kans aanwezig dat de verdachte wordt overvraagd, gelet op zijn problematiek en beperkte draagkracht.
Beoordeling door de rechtbank; op te leggen maatregel
Op grond van mede de nadere uitleg van psychiater Laheij over de correcte toepassing van het risicotaxatie-instrument sluit de rechtbank zich aan bij de adviezen van Laheij en Beijer-Holtman. De toepassing van het risicotaxatie-instrument is een weging van verschillende factoren, en bij die weging is het niet wenselijk om de historische factoren er specifiek uit te lichten. De uitleg van Laheij over de toepassing van het risicotaxatie-instrument maakt dat de rechtbank zich kan vinden in hetgeen zij (samen met haar mederapporteur) heeft geadviseerd als ook hoe zij tot dat advies is gekomen. Daar komt bij dat de rechtbank acht heeft geslagen op de omstandigheid dat de situatie met de buren (situationele factoren) in het rapport van Lahij en Beijer-Holtman wel zijn meegenomen, en meer zijn ingebed in de algehele afweging van factoren. Het voorgaande maakt dat de rechtbank de adviezen en conclusies van de NIFP deskundigen over neemt en die tot de hare maakt. Dat betekent dat de bewezen feiten in verminderde mate aan de verdachte zijn toe te rekenen en dat behandeling binnen een TBS-maatregel aangewezen is. Uit de rapportages volgt dat er zonder interventie een matig-hoog recidiverisico is.
De TBS-maatregel is aan de orde wanneer de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen dit vereist en andere, minder ingrijpende, maatregelen niet effectief zijn (geweest). Anders dan de raadsman heeft bepleit, oordeelt de rechtbank dat het opleggen van TBS met dwangverpleging noodzakelijk is. Hierboven is aangegeven dat bij de verdachte tijdens het begaan van de feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, te weten PTSS en een persistent depressieve stoornis. Verder is er sprake van een misdrijf zoals genoemd in artikel 37a Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.), en eist de algemene veiligheid van personen het opleggen van de TBS met bevel tot dwangverpleging, omdat een minder verstrekkend therapeutisch kader onvoldoende resultaat heeft gehad. TBS met voorwaarden komt niet in zicht gezien de duur van de naast de maatregel op te leggen gevangenisstraf, die de vijf jaar te boven gaat.
Op te leggen straf
Gelet op de aard en ernst van de feiten, zoals hiervoor uiteengezet, kan niet worden volstaan met een maatregel maar is ook oplegging van een gevangenisstraf van lange duur passend en geboden. Bij de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, waarbij wordt opgemerkt dat dit bij levensdelicten met elk hun heel specifieke aard en omstandigheden een breed spectrum oplevert.
Ook heeft de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in aanmerking genomen. De verdachte is twee keer uitgezonden geweest naar Afghanistan en heeft hieraan een langdurige PTSS overgehouden. Deze stoornis was van invloed op de keuzevrijheid van de verdachte en hij is daardoor verminderd toerekenbaar voor de feiten. Het is een buitengewoon treurige en desastreuze samenloop van omstandigheden te achten dat juist deze getroebleerde veteraan naast buren kwam te wonen waarvan hij zoveel overlast heeft ondervonden. Dat deze overlast er is geweest blijkt wel uit de meldingen bij de politie, de verklaring van een getuige en het advies van de wijkagent aan de woningbouwvereniging om in ieder geval geen gezin met kinderen naast de slachtoffers te huisvesten. De door de verdachte ervaren overlast rechtvaardigt op geen enkele manier zijn buitensporig gewelddadige actie, maar onderstreept wel de genoemde samenloop van omstandigheden
De rechtbank komt tot een aanzienlijk lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is geëist. Hierbij speelt, naast de persoonlijke omstandigheden, mee dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie: (poging tot) doodslag in plaats van (poging tot) moord. Ook weegt de rechtbank de verminderde toerekenbaarheid (zwaarder) mee dan de officier van justitie. Voorts oordeelt de rechtbank dat de lengte van de gevangenisstraf ook moet worden bezien in verband met de TBS maatregel die wordt opgelegd. De rechtbank acht het in het belang van de maatschappij als geheel (en dus ook in het belang van de verdachte) dat er tijdig gestart kan worden met de TBS behandeling, terwijl ook algemeen bekend is dat de wachtlijsten voor de start van de behandeling lang zijn. Ten slotte heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare zaken, en is gebleken dat deze straffen aanzienlijk lager liggen dan zoals door de officier van justitie geëist.
Alles afwegend zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf van twaalf jaar opleggen, met aftrek van het voorarrest.
TBS ongemaximeerd
De TBS met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd voor misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Dit betreffen de bewezenverklaarde feiten 1 tot en met 3. Bij dergelijke misdrijven is er geen maximale duur van de TBS. Dat betekent dat de TBS pas zal eindigen als de rechter van oordeel is dat de verdachte niet langer een gevaar vormt voor de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen.
38z-maatregel
De rechtbank is van oordeel dat het voorkomen van recidive van groot belang is. Hieraan kan oplegging van een maatregel tot vrijheidsbeperking en gedragsbeïnvloeding als bedoeld in artikel 38z Sr bijdragen. Hiermee kan er na de TBS, indien nodig, hulp en behandeling worden gecontinueerd zodat het risico op herhaling wordt geminimaliseerd. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van deze maatregel is voldaan. De rechtbank oordeelt dat de oplegging van deze maatregel noodzakelijk is ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen. De rechtbank zal deze maatregel daarom aan de verdachte opleggen.
Tenuitvoerlegging van de straf
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de TBS-maatregel met dwangverpleging aanvangt.
8. In beslag genomen voorwerpen
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank zal de volgende in beslag genomen voorwerpen onttrekken aan het verkeer:
- een sok (omschrijving: PL0900-2024286320-G3402729);
- een sok (omschrijving: PL0900-2024286320-G3402734).
De sokken zijn door middel van een verzwaringsmiddel geschikt gemaakt als wapen. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
De rechtbank zal eveneens de volgende in beslag genomen voorwerpen onttrekken aan het verkeer:
- een stroomstootwapen (omschrijving: PL0900-2024286320-G3402718);
- een pistool (omschrijving: PL0900-2024286320-G3402573);
- munitie (omschrijving: PL0900-2024286320-3402728);
- verdovende middelen (omschrijving: PL0900-2024286320-3402737);
- een stuk vuurwerk (omschrijving: PL0900-2024286320-G3405150);
- onderdeel vuurwapen (omschrijving: PL0900-2024286320-G3402961);
- hulzen en projectielen (omschrijvingen: PL0900-2024286320-3404461, PL0900-2024286320-3404462, PL0900-2024286320-3404464, PL0900-2024286320-3404027, PL0900-2024286320-3404028, PL0900-2024286320-3402961, PL0900-2024286320-3402985, PL0900-2024286320-3402987, PL0900-2024286320-3402988, PL0900-2024286320-3402989, PL0900-2024286320-3402990, PL0900-2024286320-3402991, PL0900-2024286320-3402992, PL0900-2024286320-3402993, PL0900-2024286320-3402995, PL0900-2024286320-3402997, PL0900-2024286320-3402998, PL0900-2024286320-3402999, PL0900-2024286320-3403000, PL0900-2024286320-3403001, PL0900-2024286320-3403002, L0900-2024286320-3402909).
Genoemde voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de feiten zijn begaan, terwijl deze voorwerpen van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
9. Vordering benadeelde partij
De vorderingen van de benadeelde partijen
[slachtoffer 1]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en heeft in verband met de feiten 1 tot en met 3 een vordering tot schadevergoeding ingediend. Hij vordert een schadevergoeding van € 455.377,14, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit:
- € 105.377,14 materiële schade;
- € 300.000,00 smartengeld;
- € 35.000,00 shockschade;
- € 15.000,00 affectieschade.
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
- ziekenhuis- en revalidatiedaggeldvergoeding: € 7.785,00;
- niet vergoede zorgkosten: € 156,18;
- kosten eigen risico 2025: € 385,00;
- toekomstig eigen risico: € 14.245,00;
- eigen bijdrage Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo): € 42,00;
- toekomstige eigen bijdrage Wmo: € 9.324,00;
- medische hulpmiddelen: € 410,56;
- huishoudelijke hulp: € 5.239,00;
- mantelzorg: € 5.239,00;
- zelfwerkzaamheid: € 306,40;
- kosten opvragen informatie: € 132,12;
- kosten aangepaste auto: € 52.112,88;
- pro forma schadepost: € 10.000,00.
[slachtoffer 2]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en heeft in verband met de feiten 1 tot en met 3 een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert een schadevergoeding van € 302.141,26, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit:
- € 200.000,00 smartengeld;
- € 35.000,00 shockschade;
- € 15.000,00 affectieschade;
- € 52.141,26 materiële schade.
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
- ziekenhuis- en revalidatiedaggeldvergoeding: € 3.014,00;
- niet vergoede zorgkosten: € 295,79;
- kosten eigen risico 2024: € 187,25;
- kosten eigen risico 2025: € 375,00;
- toekomstig eigen risico: € 11.250,00;
- eigen bijdrage Wmo: € 210,00;
- toekomstige eigen bijdrage Wmo: € 7.560,00;
- medische hulpmiddelen: € 405,33;
- huishoudelijke hulp: € 5.239,00;
- mantelzorg: € 5.239,00;
- zelfwerkzaamheid: € 229,80;
- kosten CBR behouden rijbewijs en auto (aangepast ter zitting): € 10.545,25;
- kosten woning: € 2.214,13;
- reiskosten: € 326,71;
- kosten informatieverzoek: € 50,00;
- pro forma schadepost: € 5.000,00.
[benadeelde 1]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en heeft in verband met de feiten 1 tot en met 3 een vordering tot schadevergoeding ingediend op grond van shockschade. Zij vordert een schadevergoeding van € 23.354,74. Dit bedrag bestaat uit € 3.354,74 materiële schade en € 20.000,00 smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[benadeelde 2]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en heeft in verband met de feiten 1 tot en met 3 een vordering tot schadevergoeding ingediend. Hij vordert € 15.000,00 aan smartengeld in de vorm van shockschade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Nabestaanden van [slachtoffer 3]
[nabestaande 1]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert een schadevergoeding, na wijziging, van € 10.541,29, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[nabestaande 2]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert een schadevergoeding van € 25.687,75, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 8.197,75 materiële schade en € 17.500,00 smartengeld wegens affectieschade.
[nabestaande 3]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert een schadevergoeding van € 20.000,00 bestaande uit affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Aanvangsdatum wettelijke rente
De benadeelde partijen hebben zich op het standpunt gesteld dat de wettelijke rente bij concreet begrote schade opeisbaar is vanaf het moment waarop de benadeelde partij zelf aan een derde moet betalen en dat de wettelijke rente bij abstract begrote schade opeisbaar is vanaf de pleegdatum. De ingangsdatum voor de wettelijke rente bij de immateriële schade is volgens de benadeelde partijen dus opeisbaar vanaf de pleegdatum van het strafbare feit.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de vorderingen van [nabestaande 1] , [nabestaande 2] , [nabestaande 3] en [benadeelde 2] volledig toewijsbaar.
De officier van justitie acht de vordering van [benadeelde 1] toewijsbaar, met uitzondering van het gevorderde toekomstige eigen risico. Met betrekking tot het toekomstige eigen risico heeft de officier van justitie gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
De officier van justitie acht de door [slachtoffer 2] gevorderde immateriële schade, shockschade en affectieschade volledig toewijsbaar. De officier van justitie acht de gevorderde materiële schade toewijsbaar tot € 47.141,26. Het overige dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De officier van justitie acht de namens [slachtoffer 1] gevorderde immateriële schade, shockschade en affectieschade volledig toewijsbaar. De officier van justitie acht de gevorderde materiële schade toewijsbaar tot € 90.799,39. Het overige dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
Namens de verdachte heeft mr. Wouters verweer gevoerd voor zover het de vorderingen van de benadeelde partijen betreft. Primair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat alle benadeelde partijen niet ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen, gezien de gevoerde verweren ten aanzien van de strafuitsluitingsgronden putatief noodweerexces en psychische overmacht.
Indien de rechtbank hieraan voorbij gaat, refereert de verdediging zich ten aanzien van de vorderingen van [nabestaande 1] , [nabestaande 2] en [nabestaande 3] aan het oordeel van de rechtbank.Ten aanzien van de overige vorderingen heeft de verdediging het hiernavolgende aangevoerd.
Shockschade en affectieschade
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] stellen een LAT-relatie met elkaar te hebben en eerder al bevriend te zijn geweest. Zij beschrijven hun vriendschap met [slachtoffer 3] allebei als zeer hecht. Ook is gesteld dat [benadeelde 1] als zus van [slachtoffer 1] en [benadeelde 2] als zijn zwager in een nauwe affectieve band tot de slachtoffers staan. Al deze ingenomen stellingen zijn niet met stukken onderbouwd. Een nauwe en affectieve band kan niet worden aangenomen op basis van de enkele stelling dat een (familie)band bestaat. De benodigde nadere toelichting en onderbouwing ontbreekt. De aard en hechtheid van de gestelde relaties kan ook niet uit het dossier worden afgeleid. Wegens gebrek aan nadere onderbouwing wordt het bestaan van de gestelde nauwe en affectieve persoonlijke band betwist. Om de aard en hechtheid van de band tussen de benadeelde partijen en de slachtoffers vast te kunnen stellen, is nadere toelichting en onderbouwing met stukken vereist, maar dit zal een onevenredige belasting van het strafgeding vormen. Voorts is voor zowel voor [slachtoffer 1] als voor [slachtoffer 2] de ernst van het geestelijk letsel en het causaal verband met de confrontatie onvoldoende vast te stellen en daarmee betwist. Ook in verband met affectieschade is niet aangetoond dat het letsel van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kan worden gekenschetst als ‘ernstig en blijvend letsel’ als bedoeld in artikel 6:107 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Ten aanzien van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] is voorts onvoldoende onderbouwd dat er sprake is geweest van een rechtstreekse confrontatie met de gevolgen, dan wel dat er hierdoor geestelijk letsel bestaat.
De verdediging heeft daarom primair verzocht [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten aanzien van de shockschade niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de gevorderde bedragen te matigen.
De verdediging heeft voorts primair verzocht de vorderingen tot vergoeding van affectieschade van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] af te wijzen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de benadeelde partijen ten aanzien van de vergoeding van de affectieschade niet-ontvankelijk te verklaren.
Ten aanzien van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft de verdediging primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de gevorderde bedragen te matigen.
Materiële en immateriële schade [slachtoffer 1]
De verdediging heeft zich ten aanzien van de gevorderde ziekenhuis- en revalidatiedaggeldvergoeding (€ 7.785,00), niet vergoede zorgkosten (€ 156,18), eigen risico 2025 (€ 385,00), eigen bijdrage Wmo (€ 42,00), medische hulpmiddelen (€ 410,56) en kosten opvragen informatie (€ 132,12) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De benadeelde partij moet ten aanzien van het toekomstig eigen risico tot en met 2055 (€ 14.245,00), de kosten voor huishoudelijke hulp (€ 5.239,00), mantelzorg € 5.239,00), zelfwerkzaamheid (€ 306,40) en de aangepaste auto (€ 52.112,88) niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Het gevorderde bedrag voor de toekomstige eigen bijdrage Wmo (€ 9.324,00) moet worden afgewezen of de benadeelde partij moet ten aanzien van deze post niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ten aanzien van de immateriële schade moet [slachtoffer 1] primair niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering gelet op de onduidelijkheid omtrent de mate van invaliditeit, de omvang en complexiteit van de medische stukken, de late indiening van de vordering, de onvoldoende onderbouwing van psychische klachten en de overlap met reeds gevorderde shock- en affectieschade, waardoor de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair dient het bedrag aanzienlijk te worden gematigd en moet aansluiting worden gezocht bij de ondergrens van de relevante bandbreedte van de categorie paraplegie van de Rotterdamse schaal, te weten een bedrag van € 150.000,00.
Materiële en immateriële schade [slachtoffer 2]
De verdediging heeft zich ten aanzien van de gevorderde ziekenhuis- en revalidatiedaggeldvergoeding (€ 3.014,00), niet vergoede zorgkosten (€ 295,79), de kosten voor het eigen risico 2024 en 2025 (€ 562,25), eigen bijdrage Wmo (€ 210,00), de reiskosten (€ 326,71), de kosten voor huishoudelijke hulp voor de eerste drie maanden (€ 4.927,00) en de kosten informatieverzoek (€ 50,00) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De benadeelde partij moet ten aanzien van het toekomstig eigen risico tot en met 2055 (€ 11.250,00), de toekomstige eigen bijdrage Wmo (€ 7.560,00), de medische hulpmiddelen (€ 405,33), de kosten voor huishoudelijke hulp na de eerste drie maanden (€ 312,00), de kosten voor het CBR voor het behouden van het rijbewijs en de kosten voor de auto (€ 10.545,25) en de kosten voor de woning (€ 2.214,13) niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
Ten aanzien van de immateriële schade moet [slachtoffer 2] primair niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard vanwege de omvang en complexiteit van de medische stukken, de late indiening van de vordering, de onduidelijkheden omtrent en onvoldoende onderbouwing van psychische klachten en de overlap met reeds gevorderde shock- en affectieschade, waardoor de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair moet het bedrag aanzienlijk worden gematigd en moet aansluiting worden gezocht bij het gemiddelde van de relevante bandbreedte van de categorie ernstig beenletsel (b) van de Rotterdamse schaal, te weten een bedrag van € 49.000,00.
Aanvangsdatum wettelijke rente
De verdediging sluit zich ten aanzien van de aanvangsdatum van de wettelijke rente wat betreft de materiële schade aan bij het standpunt van de benadeelde partijen. Ten aanzien van de immateriële schade betwist de verdediging de aanvangsdatum van de wettelijke rente. Volgens de verdediging moet bij toewijzing van immateriële schadevergoeding de aanvangsdatum van de wettelijke rente worden bepaald op de datum van het vonnis, omdat dit het moment is waarop de vaststelling van het bedrag (en de waardering) plaatsvindt.
Het oordeel van de rechtbank
[slachtoffer 1]
Materiële schade
Ten aanzien van de volgende gevorderde kosten geldt dat zij allemaal voldoende zijn onderbouwd, en in rechtstreeks verband staan tot de door de verdachte gepleegde strafbare feiten, zodat zij voor vergoeding in aanmerking komen:
- ziekenhuis- en revalidatiedaggeldvergoeding: € 7.785,00;
- niet vergoede zorgkosten: € 156,18;
- kosten eigen risico 2025: € 385,00;
- toekomstig eigen risico: € 14.245,00;
- eigen bijdrage Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo): € 42,00;
- toekomstige eigen bijdrage Wmo: € 9.324,00;
- medische hulpmiddelen: € 410,56;
- huishoudelijke hulp: € 5.239,00;
- mantelzorg: € 5.239,00;
- zelfwerkzaamheid: € 306,40;
- kosten opvragen informatie: € 132,12;
- kosten aangepaste auto: € 44.717,17.
Ten aanzien van de toekomstige eigen bijdrage Wmo en het toekomstige eigen risico merkt de rechtbank op dat deze kosten gezien de medische situatie voorzienbaar zijn en concreet en inzichtelijk zijn gemaakt. Ook de kosten voor de huishoudelijke hulp, mantelzorg en zelfwerkzaamheid zijn voldoende onderbouwd en concreet gemaakt.
Ten aanzien van de kosten voor de aangepaste auto merkt de rechtbank het volgende op. De offerte is verlopen, maar de schade is nog aanwezig. [slachtoffer 1] kon voor het schietincident autorijden en kan dat nu niet meer. De benadeelde partij heeft voldoende inzichtelijk gemaakt welke kosten de aanschaf van een aangepaste auto meebrengt. De kosten voor de elektrisch bedienbare rugleuning (€ 4.577,75) en elektrisch bedienbare parkeerrem (€ 1.603,82) zijn onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van deze kosten niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan voor dat deel worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Het overige bedrag van € 44.717,17 zal worden toegewezen.
De rechtbank zal ten aanzien van de gevorderde materiële schade dus een bedrag van € 87.981,43 toewijzen.
De rechtbank zal benadeelde partij [slachtoffer 1] ten aanzien van de gevorderde pro forma schadepost niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Immateriële schade
Smartengeld
Benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. Anders dan door de verdediging is bepleit, is de rechtbank van oordeel dat de vordering van immateriële schade niet zodanig omvangrijk of gecompliceerd is, dat deze een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert of dat de verdediging onvoldoende verweer heeft kunnen voeren.
Bij [slachtoffer 1] is lichamelijk letsel geconstateerd, zodat hij op grond van artikel 6:106 onder b BW aanspraak maakt op vergoeding van immateriële schade. Ten aanzien van de hoogte overweegt de rechtbank het volgende. Bij de begroting van de schade heeft de rechtbank gekeken naar vergelijkbare zaken en gelet op de omstandigheden waaronder de onderhavige strafbare feiten zijn gepleegd. Met inachtneming van het letsel, waaronder een complete dwarslaesie en daarnaast het beschreven psychisch letsel, heeft de rechtbank gebruik gemaakt van haar schattingsbevoegdheid en aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal. De rechtbank is van oordeel dat aansluiting kan worden gezocht bij de categorie paraplegie onder paragraaf 1.2. In deze categorie wordt uitgegaan van een bedrag tussen de € 150.000,00 en € 195.000,00. De rechtbank oordeelt dat in deze zaak een schadevergoeding van € 200.000,00 billijk is, mede gelet op de ernst van het letsel en het ontbreken van zicht op herstel. De rechtbank zal de vordering dan ook tot dat bedrag toewijzen. Het meer gevorderde wijst de rechtbank af.
Affectieschade
Benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft ook een bedrag van € 15.000,00 gevorderd ter zake van affectieschade. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij al lange tijd een nauwe persoonlijke relatie heeft met [slachtoffer 2] .
Op 1 januari 2019 is de Wet affectieschade en verplaatste schade in werking getreden. Op grond van deze wet is het voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade te vorderen. Het letsel of overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. De kring van gerechtigden die zonder meer aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade is in het Besluit vergoeding affectieschade uitdrukkelijk beperkt tot echtgenoten en geregistreerd partners, levensgezellen, (pleeg-)kinderen, (pleeg-)ouders, duurzame zorg in gezinsverband en een persoon in een nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer staat.
De rechtbank is van oordeel dat de nauwe persoonlijke relatie tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als bedoeld in artikel 6:107, tweede lid onder g BW voldoende is komen vast te staan. Uit het dossier blijkt namelijk dat zij een LAT-relatie met elkaar hadden en hebben. Ook de verdachte en medeverdachte hebben verklaard dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] eerder een punt achter hun relatie hadden gezet, maar zij op een gegeven moment weer bij elkaar kwamen en [slachtoffer 1] toen bij [slachtoffer 2] is ingetrokken. Ook is voldoende gebleken dat bij [slachtoffer 2] sprake is van ernstig en blijvend letsel als bedoeld in artikel 6:107, eerste lid onder b BW. [slachtoffer 1] komt daarom in aanmerking voor vergoeding van affectieschade. Het gevorderde bedrag van € 15.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Shockschade
Benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft ook shockschade gevorderd, wegens de rechtstreekse confrontatie met de gevolgen van het schietincident waarbij zijn vriend, [slachtoffer 3] , is overleden en zijn partner [slachtoffer 2] ernstig letsel heeft opgelopen, als gevolg waarvan bij hem een hevige emotionele schok teweeg is gebracht waaruit geestelijk letsel voortvloeit.
Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit de rechtbank aan bij de vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (I) het waarnemen van het ten laste gelegde, of (II) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, of indien het geestelijk letsel, bij ontbreken van een dergelijk ziektebeeld, gelet op aard, duur en gevolgen ernstig en dus voldoende objectiveerbaar is.
Uit de stukken die namens de benadeelde partij zijn overgelegd, blijkt dat hij een forse PTSS heeft opgelopen als gevolg van het schietincident en daarom EMDR-therapie heeft gehad. Het trauma ziet, blijkens het schrijven van de psycholoog (bijlage 1 bij de vordering), mede op flashbacks van het moment waarop [slachtoffer 2] is neergeschoten.
De rechtbank is van oordeel dat het bestaan van een hechte en affectieve relatie als bedoeld in bovengenoemde jurisprudentie tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] onvoldoende is onderbouwd en ook overigens niet is gebleken. Wel is de hechte en affectieve relatie van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] voldoende aangetoond. [slachtoffer 1] kan daarom in zoverre aanspraak maken op vergoeding van shockschade, omdat het geestelijk letsel (mede) in verband staat met de confrontatie met het neerschieten van [slachtoffer 2] . Ten aanzien van de hoogte overweegt de rechtbank het volgende. Bij de begroting van de schade heeft de rechtbank gebruik gemaakt van haar schattingsbevoegdheid, gekeken naar vergelijkbare zaken, gelet op de omstandigheden waaronder de onderhavige strafbare feiten zijn gepleegd en aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de Rotterdamse schaal, aansluiting kan worden gezocht bij de categorie posttraumatische stressstoornis onder paragraaf 14.2 (b) ‘ernstig’. In deze categorie wordt uitgegaan van een bedrag tussen de € 16.000,00 en € 41.000,00. De rechtbank oordeelt dat in deze zaak een schadevergoeding van € 25.000,00 billijk is. De rechtbank zal de vordering dan ook tot dat bedrag toewijzen. De rechtbank zal het meer gevorderde afwijzen.
[slachtoffer 2]
Materiële schade
Ten aanzien van de volgende gevorderde kosten geldt dat zij allemaal voldoende zijn onderbouwd, en in rechtstreeks verband staan tot de door de verdachte gepleegde strafbare feiten, zodat zij voor vergoeding in aanmerking komen:
- ziekenhuis- en revalidatiedaggeldvergoeding: € 3.014,00;
- niet vergoede zorgkosten: € 295,79;
- kosten eigen risico 2024: € 187,25;
- kosten eigen risico 2025: € 375,00;
- toekomstig eigen risico: € 11.250,00;
- eigen bijdrage Wmo: € 210,00;
- toekomstige eigen bijdrage Wmo: € 7.560,00;
- medische hulpmiddelen: € 405,33;
- huishoudelijke hulp: € 5.239,00;
- mantelzorg: € 5.239,00;
- zelfwerkzaamheid: € 229,80;
- kosten CBR behouden rijbewijs: € 45,25;
- aanschaf auto met automaat € 10.500,00;
- kosten woning: € 50,00;
- reiskosten: € 326,71;
- kosten informatieverzoek: € 50,00.
Ten aanzien van de toekomstige eigen bijdrage Wmo en het toekomstige eigen risico merkt de rechtbank op dat deze kosten gezien de medische situatie voorzienbaar zijn en concreet en inzichtelijk zijn gemaakt. Ook de kosten voor de huishoudelijke hulp, mantelzorg en zelfwerkzaamheid zijn voldoende onderbouwd en concreet gemaakt.
Ten aanzien van de kosten voor de aanschaf van een auto met automaat merkt de rechtbank op dat [slachtoffer 2] door de schietpartij een incomplete dwarslaesie heeft opgelopen waardoor lopen lastig voor haar is. Zij kan slechts kleine afstanden lopen. Uit voorgaande volgt dat voldoende onderbouwd is dat een de aanschaf van een auto met automaat noodzakelijk is.
De benadeelde partij heeft onvoldoende onderbouwd waarom de kosten voor een nieuwe vloer in de woning (€ 2.164,13) noodzakelijk waren. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van deze kosten niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan voor dat deel worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
De rechtbank zal ten aanzien van de gevorderde materiële schade dus tot een bedrag van € 44.977,13 toewijzen.
Immateriële schade
Smartengeld
Benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd.
Anders dan door de verdediging is gesteld, is de rechtbank van oordeel dat de vordering van immateriële schade niet zodanig omvangrijk of gecompliceerd is, dat deze een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert of dat de verdediging onvoldoende verweer heeft kunnen voeren.
Bij [slachtoffer 2] is lichamelijk letsel geconstateerd, zodat op grond van artikel 6:106 onder b BW aanspraak gemaakt kan worden op vergoeding van immateriële schade. Ten aanzien van de hoogte overweegt de rechtbank het volgende. Bij de begroting van de schade heeft de rechtbank gekeken naar vergelijkbare zaken en gelet op de omstandigheden waaronder de onderhavige strafbare feiten zijn gepleegd. Gelet op het letsel, waaronder een incomplete dwarslaesie en verwijdering van de milt en daarnaast het beschreven psychisch letsel, heeft de rechtbank gebruik gemaakt van haar schattingsbevoegdheid en aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het letsel van [slachtoffer 2] aansluiting kan worden gezocht bij de categorie paraplegie onder paragraaf 1.2. In deze categorie wordt uitgegaan van een bedrag tussen de € 150.000,00 en € 195.000,00. De rechtbank acht in deze zaak een schadevergoeding van € 150.000,00 billijk. De rechtbank zal de vordering dan ook tot dat bedrag toewijzen. Het meer gevorderde wijst de rechtbank af.
Affectieschade
Benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft ook een bedrag van € 15.000,00 gevorderd ter zake van affectieschade. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij al lange tijd een nauwe persoonlijke relatie heeft met [slachtoffer 1] . De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat de nauwe persoonlijke relatie tussen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] als bedoeld in artikel 6:107, tweede lid onder g BW voldoende is komen vast te staan. Ook is voldoende gebleken dat bij [slachtoffer 1] sprake is van ernstig en blijvend letsel als bedoeld in artikel 6:107, eerste lid onder b BW. [slachtoffer 2] komt daarom in aanmerking voor vergoeding van affectieschade. Het gevorderde bedrag van € 15.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Shockschade
Benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft ook shockschade gevorderd, wegens de rechtstreekse confrontatie met de gevolgen van het schietincident waarbij haar vriend, [slachtoffer 3] , is overleden en haar partner, [slachtoffer 1] , ernstig letsel heeft opgelopen, als gevolg waarvan een hevige emotionele schok teweeg is gebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit.
Uit de stukken die namens de benadeelde partij zijn overgelegd, blijkt dat zij traumaklachten heeft opgelopen als gevolg van het schietincident en daarom is gestart met EMDR-therapie. Het trauma ziet, blijkens het schrijven van de psycholoog (bijlage 2 bij de vordering), mede op herbelevingen van de beschieting van [slachtoffer 1] .
De rechtbank is van oordeel dat het bestaan van een hechte en affectieve relatie als bedoeld in bovengenoemde jurisprudentie tussen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] onvoldoende is onderbouwd en hiervan ook overigens niet is gebleken.
De hechte en affectieve relatie tussen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] is daarentegen voldoende aangetoond. [slachtoffer 2] kan daarom in zoverre aanspraak maken op vergoeding van shockschade, omdat het geestelijk letsel (mede) in verband staat met de confrontatie met het neerschieten van [slachtoffer 1] . Ten aanzien van de hoogte overweegt de rechtbank het volgende. Bij de begroting van de schade heeft de rechtbank gebruik gemaakt van haar schattingsbevoegdheid, gekeken naar vergelijkbare zaken, gelet op de omstandigheden waaronder de onderhavige strafbare feiten zijn gepleegd en aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het geestelijk letsel van [slachtoffer 2] aansluiting kan worden gezocht bij de categorie posttraumatische stressstoornis onder paragraaf 14.2 (b) ‘ernstig’. In deze categorie wordt uitgegaan van een bedrag tussen de € 16.000,00 en € 41.000,00. De rechtbank oordeelt in deze zaak dat een schadevergoeding van € 25.000,00 billijk is. De rechtbank zal de vordering dan ook tot dat bedrag toewijzen. De rechtbank zal het meer gevorderde afwijzen.
[benadeelde 1] (zus van slachtoffer [slachtoffer 1] )
Materiële en immateriële schade (shockschade)
Benadeelde partij [benadeelde 1] heeft ook shockschade gevorderd, wegens de rechtstreekse confrontatie met de gevolgen van het schietincident waarbij [slachtoffer 3] is overleden en haar broer en schoonzus ernstig letsel hebben opgelopen, als gevolg waarvan een hevige emotionele schok teweeg is gebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit.
De rechtbank is van oordeel dat het bestaan van een hechte en affectieve relatie als bedoeld in bovengenoemde jurisprudentie tussen [benadeelde 1] en [slachtoffer 3] onvoldoende is onderbouwd en ook overigens niet is gebleken. Dat ligt anders ten aanzien van de hechte relatie van [benadeelde 1] met haar broer en schoonzus. Hiervoor weegt, naast de familierelatie, mee dat zij op 9 september 2024 gezamenlijk op een begrafenis waren geweest, en elkaar nadien bij de slachtoffers thuis weer zouden treffen. Ten aanzien van de relatie van [benadeelde 1] en [slachtoffer 2] merkt de rechtbank ook op dat [slachtoffer 2] haar schoonzus wilde bellen toen zij was neergeschoten en op de grond lag. Een hechte en affectieve relatie tussen [benadeelde 1] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is hiermee voldoende aangetoond.
Verder staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat [benadeelde 1] direct geconfronteerd is geweest met de gevolgen van het neerschieten van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Uit de vordering en het dossier blijkt immers dat zij kort erna ter plaatse kwam, waar zich de zwaargewonde slachtoffers bevonden. Ook is gebleken dat [slachtoffer 2] haar had gebeld, toen zij gewond op de grond lag.Uit de stukken die namens de benadeelde partij zijn overgelegd, blijkt dat zij PTSS heeft opgelopen als gevolg van de confrontatie met de gevolgen van het schietincident. Hiervoor heeft zij geruime tijd onder behandeling gestaan. Uit de brief van de GZ-psycholoog van 6 januari 2026 blijkt dat de klachtenlast geleidelijk aan lijkt af te nemen en dat de verwachting is dat de kwaliteit van leven weer aanzienlijk kan verbeteren door vermindering van de PTSS-symptomen.De benadeelde partij kan daarom aanspraak maken op vergoeding van shockschade. Deze bestaat uit en materieel en een immaterieel gedeelte.
De materiële schade ter hoogte van € 3.354,74 komt voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank oordeelt dat de schade voldoende is onderbouwd.
Ten aanzien van de hoogte van de immateriële overweegt de rechtbank het volgende. Bij de begroting van de schade heeft de rechtbank gebruik gemaakt van haar schattingsbevoegdheid, gekeken naar vergelijkbare zaken, gelet op de omstandigheden waaronder de onderhavige strafbare feiten zijn gepleegd en aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het letsel van [benadeelde 1] aansluiting kan worden gezocht bij de categorie posttraumatische stressstoornis onder paragraaf 14.2 (c) ‘middelzwaar’. In deze categorie wordt uitgegaan van een bedrag tussen de € 5.500,00 en € 16.000,00. De rechtbank oordeelt in deze zaak dat een schadevergoeding van € 10.000,00 billijk is. De rechtbank zal de vordering dan ook tot dat bedrag toewijzen. De rechtbank zal het meer gevorderde afwijzen.
[benadeelde 2] (partner van [benadeelde 1] )
Benadeelde partij [benadeelde 2] heeft ook shockschade gevorderd, wegens de rechtstreekse confrontatie met de gevolgen van het schietincident waarbij [slachtoffer 3] is overleden en [slachtoffer 1] (de broer van zijn partner [benadeelde 1] ) en diens partner [slachtoffer 2] ernstig letsel hebben opgelopen, als gevolg waarvan bij [benadeelde 2] een hevige emotionele schok teweeg is gebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit.
De rechtbank is van oordeel dat benadeelde partij [benadeelde 2] geen aanspraak kan maken op een vergoeding van shockschade, omdat een hechte en affectieve band met de slachtoffers in de zin van reeds genoemde jurisprudentie onvoldoende is onderbouwd en ook anderzins niet is aangetoond. De rechtbank zal benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Hij heeft de mogelijkheid om de vordering bij de burgerlijke rechter aan te brengen.
[nabestaande 1] (zus van slachtoffer [slachtoffer 3] )
Materiële schade
De schade ter hoogte van € 10.541,29 komt voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank oordeelt dat de schade voldoende is onderbouwd.
[nabestaande 2] (moeder van slachtoffer [slachtoffer 3] )
Materiële schade
De schade ter hoogte van € 8.197,75 komt voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank oordeelt dat de schade voldoende is onderbouwd.
Immateriële schade (affectieschade)
Benadeelde partij [nabestaande 2] heeft een bedrag van € 17.500,00 gevorderd ter zake van affectieschade als moeder van het overleden slachtoffer [slachtoffer 3] . De rechtbank is van oordeel dat Van ’t Klooster op grond artikel 6:108, derde en vierde lid BW in aanmerking komt voor vergoeding van affectieschade. Het gevorderde bedrag van € 17.500,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
[nabestaande 3] (dochter van slachtoffer [slachtoffer 3] )
Op grond van artikel 6:108, derde en vierde lid BW heeft de benadeelde partij, als kind van slachtoffer [slachtoffer 3] , recht op vergoeding van immateriële schade bestaande uit affectieschade. Het verzochte bedrag van € 20.000,00 zal worden toegewezen, overeenkomstig het bepaalde in het Besluit vergoeding affectieschade.
Ook bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij [nabestaande 3] te openen rekening met een BEM (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen)-clausule.
Wettelijke rente
Ten aanzien van alle benadeelde partijen
De rechtbank heeft voor de hoogte van de shockschade en het smartengeld steeds aangeknoopt bij de Rotterdamse schaal. Bij de daarin genoemde richtbedragen is geïndexeerd voor het tijdsverloop. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de aanvangsdatum van de rente voor zover het immateriële schade betreft te bepalen op de uitspraakdatum, te weten 13 februari 2026. Anders zou tweemaal compensatie worden geboden voor het tijdsverloop, namelijk zowel door indexering als door toewijzen van rente. Voor de toegekende affectieschade, die is ontleend aan het Besluit Affectieschade uit 2019, is geen sprake van een dergelijke ‘dubbele compensatie’ voor tijdsverloop. Voor de affectieschade zal de aanvangsdatum van de wettelijke rente daarom worden bepaald op de datum waarop de schade is ontstaan, te weten de pleegdatum 9 september 2024.
Voor wat betreft de materiële schade worden de toegewezen bedragen vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente, te rekenen vanaf de volgende data:
[slachtoffer 1]
- ziekenhuis- en revalidatiedaggeldvergoeding: 10 oktober 2024, te weten de factuurdatum;
- niet vergoede zorgkosten: 29 oktober 2025, te weten de laatste behandeldatum van de niet vergoede zorgkosten in 2025;
- kosten eigen risico 2025: 17 april 2025;
- toekomstig eigen risico: 13 februari 2026, te weten de uitspraakdatum;
- eigen bijdrage Wmo: 25 november 2025, te weten de factuurdatum;
- toekomstige eigen bijdrage Wmo: 13 februari 2026, te weten de uitspraakdatum;
- medische hulpmiddelen: 11 december 2025, te weten de laatste factuurdatum;
- huishoudelijke hulp: 9 maart 2025, te weten dag waarop de periode van huishoudelijke hulp eindigt;
- mantelzorg: 9 maart 2025, te weten de dag waarop de periode van mantelzorg eindigt;
- zelfwerkzaamheid: 9 september 2024, te weten de dag waarop de schade is ontstaan;
- kosten opvragen informatie: 26 november 2025, te weten de factuurdatum;
- kosten aangepaste auto: 5 december 2025, te weten de factuurdatum.
[slachtoffer 2]
- ziekenhuis- en revalidatiedaggeldvergoeding: 23 januari 2025, te weten de datum van de ontslagbrief van [naam] ;
- niet vergoede zorgkosten: 30 juni 2025;
- kosten eigen risico 2024: 9 september 2024, te weten de datum waarop het zorgvervoer heeft plaatsgevonden en het eigen risico van 2024 is verbruikt;
- kosten eigen risico 2025: 25 november 2025, te weten de laatste datum waarop de benadeelde partij haar eigen risico van 2025 heeft verbruikt;
- toekomstig eigen risico: 13 februari 2026, te weten de uitspraakdatum;
- eigen bijdrage Wmo: 25 november 2025, te weten de factuurdatum;
- toekomstige eigen bijdrage Wmo: 13 februari 2026, te weten de uitspraakdatum;
- medische hulpmiddelen: 29 april 2025;
- huishoudelijke hulp: 9 maart 2025, te weten de dag waarop de periode van huishoudelijke hulp eindigt;
- mantelzorg: 9 maart 2025, te weten de dag waarop de periode van mantelzorg eindigt;
- zelfwerkzaamheid: 9 september 2024, te weten de dag waarop de schade is ontstaan;
- kosten CBR behouden rijbewijs: 22 februari 2025, te weten de datum waarop deze kosten zijn betaald;
- kosten aanschaf auto met automaat € 10.500,00: 12 mei 2025, te weten datum vermeld op de factuur van de auto;
- kosten woning: 22 januari 2025, te weten de datum waarop deze kosten zijn betaald;
- reiskosten: 14 november 2025;
- kosten informatieverzoek: 17 november 2025, te weten de factuurdatum.
[benadeelde 1]
- kosten eigen risico 2025: 19 februari 2025;
- kosten eigen risico 2026: 13 februari 2026, te weten de uitspraakdatum;
- kosten extra gereden kilometers: 18 september 2025, te weten de laatste datum waarop de extra kilometers zijn gereden.
[nabestaande 1]
- kosten gedenkteken: 29 september 2025, te weten de factuurdatum;
- kosten gedenktekenrecht: 4 februari 2026, te weten de factuurdatum.
[nabestaande 2]
- kosten uitvaart: 14 oktober 2024, te weten de factuurdatum.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor de betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partijen aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde toegewezen bedragen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf de hiervoor genoemde aanvangsdata tot de dag van de volledige betaling. Als door de verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
10. Toegepaste wetsartikelen
De beslissing is gebaseerd op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 37a, 37b, 38z, 45, 57, 287 van het Wetboek van Strafrecht.
11. De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte de (impliciet) primair ten laste gelegde feiten 1 t/m 3 heeft gepleegd en spreek de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de (impliciet) subsidiair ten laste gelegde feiten 1 t/m 3 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 6 is vermeld;
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
Oplegging straf en maatregel
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) jaren;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Beslag
- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1]
- shockschade van € 25.000,00 vanaf 13 februari 2026;
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2]
- shockschade van € 25.000,00 vanaf 13 februari 2026;
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 1]
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde 2]
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [nabestaande 1]
- kosten gedenkteken van € 10.090,29 vanaf 29 september 2025;
- kosten gedenktekenrecht € 451,00 vanaf 4 februari 2026;
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [nabestaande 2]
Vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [nabestaande 3]
Dit vonnis is gewezen door mr. B.F. Hammerle, voorzitter, mrs. A. Blanke en V.A. Groeneveld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Tressel als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
(in de zaak met parketnummer 16.289232.24)
1
hij op of omstreeks 9 september 2024 te Dronten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 3] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door meermalen (van dichtbij) met een vuurwapen kogels in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 3] af te vuren, en die [slachtoffer 3] in het hoofd en/of lichaam te raken, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 3] is overleden;
2
hij op of omstreeks 9 september 2024 te Dronten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, meermalen (van dichtbij) met een vuurwapen kogels in de richting van het hoofd en/of de borst en/of het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft afgevuurd, en die [slachtoffer 2] in de borst en/of het lichaam heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3
hij op of omstreeks 9 september 2024 te Dronten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, meermalen (van dichtbij) met een vuurwapen kogels in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft afgevuurd, en die [slachtoffer 1] in het lichaam heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.