RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12022631 \ AV EXPL 25-55
Verstek vonnis in kort geding van 3 februari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. K. van Polen,
tegen
[gedaagde] ,
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 januari 2026, met producties,- de mondelinge behandeling van 27 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Tenslotte is bepaald dat vandaag het vonnis wordt gewezen.
2. De kern van de zaak
[eiseres] verhuurt een kantoorruimte aan [gedaagde] . Omdat [gedaagde] een huurachterstand heeft van € 12.303,35 (4 maanden) vordert [eiseres] ontruiming van de kantoorruimte, betaling van de huurachterstand en dat [gedaagde] een vergoeding per maand moet betalen zolang hij de kantoorruimte niet heeft ontruimd. Daarnaast vordert [eiseres] de contractuele boete van € 300,00 per maand, wettelijke handelsrente, daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten (€ 3.500,00) en een schadevergoeding vanwege het mislopen van huurpenningen tot en met 6 maanden na de ontruiming. De vorderingen van [eiseres] worden bij verstek grotendeels toegewezen.
3. De beoordeling
Tegen [gedaagde] is verstek verleend
[gedaagde] was niet aanwezig op de mondelinge behandeling (zitting) en heeft ook niet op een andere manier inhoudelijk gereageerd. Daarom is tijdens de mondelinge behandeling tegen hem verstek verleend. De zaak is dus zonder aanwezigheid of reactie van [gedaagde] behandeld. Dit betekent dat de vorderingen tegen [gedaagde] worden toegewezen, tenzij de kantonrechter vindt dat deze in strijd zijn met de wet of een geldige reden ervoor ontbreekt.
Toetsingskader in kort geding
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing van een vordering in kort geding moet aan twee voorwaarden worden voldaan. Er moet sprake zijn van een spoedeisend belang én het moet zeer waarschijnlijk zijn dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen.
[eiseres] heeft een spoedeisend belang
Een spoedeisend belang is aanwezig als van [eiseres] niet verwacht kan worden dat zij de uitkomst van een normale, uitgebreide procedure (bodemprocedure) afwacht. Dat is hier het geval. [gedaagde] heeft een huurachterstand van 4 maanden, die steeds verder oploopt. Daarnaast volgt uit (de stukken bij) de dagvaarding [gedaagde] slechts 2 maanden huur heeft betaald sinds het sluiten van de huurovereenkomst en dat het lastig is om contact te krijgen met [gedaagde] over deze kwestie.
[gedaagde] moet de kantoorruimte ontruimen
[gedaagde] moet de kantoorruimte ontruimen, want het is zeer waarschijnlijk dat de kantonrechter in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal beëindigen en de ontruiming zal toewijzen. De huurachterstand was in december 2025 al opgelopen tot € 12.303,35 (4 maanden). Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van [eiseres] verteld dat de huur voor januari 2026 ook niet is betaald. [eiseres] heeft er belang bij om de kantoorruimte te kunnen verhuren aan een andere huurder die wel op tijd de huur betaalt.
[eiseres] heeft deze vordering dus niet zonder geldige reden ingesteld. De gevorderde ontruiming is ook niet in strijd met de wet.
De ontruimingstermijn is één week
[eiseres] heeft een ontruimingstermijn van 3 dagen gevorderd, maar deze termijn vindt de kantonrechter te kort. Uit de huurovereenkomst (productie 2 bij de dagvaarding) volgt dat de kantoorruimte die [gedaagde] van [eiseres] huurt bijna 200m2 is. De ontruimingstermijn wordt daarom vastgesteld op een week na betekening van dit vonnis, zodat [gedaagde] iets meer tijd heeft om de kantoorruimte leeg en netjes achter te laten.
[gedaagde] moet de huurachterstand van € 12.303,35 betalen
[eiseres] vordert € 12.303,35 aan huurachterstand tot en met december 2025. Deze vordering wordt toegewezen nu niet (onderbouwd) is weersproken dat deze verschuldigde huur nog niet is betaald.
De gevorderde gebruiksvergoeding, schadevergoeding en contractuele boete worden toegewezen; de wettelijke handelsrente wordt afgewezen
De door [eiseres] gevorderde gebruiksvergoeding, schadevergoeding en contractuele boete worden ook toegewezen, omdat deze vorderingen niet in strijd zijn met de wet en niet zonder een geldige reden zijn ingesteld.
Dit betekent dat [gedaagde] € 3.061,18 per maand moet blijven betalen voor het gebruik van het gehuurde totdat de kantoorruimte daadwerkelijk wordt ontruimd.
[gedaagde] moet ook tot en met 6 maanden ná de ontruiming € 3.061,18 per maand aan [eiseres] betalen als schadevergoeding voor het mislopen van huurpenningen door de vroegtijdige ontruiming. [eiseres] moet in die periode wel proberen haar schade te beperken door een nieuwe huurder te zoeken. Als [eiseres] binnen die 6 maanden een nieuwe huurder vindt, dan moeten die (huur)inkomsten in mindering worden gebracht op wat [gedaagde] moet betalen.
Daarnaast moet [gedaagde] een contractuele boete van € 300,00 per maand betalen vanwege het niet op tijd betalen van de huur. Deze boete moet [gedaagde] betalen op basis van artikel 23.2 van de algemene huurvoorwaarden. De gevorderde wettelijke handelsrente wordt echter afgewezen, omdat dit als schadevergoeding moet worden aangemerkt en deze vordering daarom teveel een dubbeling vormt met de ook al gevorderde contractuele boete.
De gevorderde advocaatkosten worden afgewezen
[eiseres] vordert ook € 3.500,00 aan daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten. [eiseres] baseert deze vordering op artikel 28.1 van haar algemene huurvoorwaarden waarin staat dat [gedaagde] álle in en buiten rechte gemaakte kosten moet betalen, waaronder de kosten van juridische bijstand. De kantonrechter wijst deze vordering af omdat het om meerdere redenen niet zeer waarschijnlijk is dat deze in een bodemprocedure wordt toegewezen.
De daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten worden in principe alleen in uitzonderlijke gevallen toegewezen, zoals bij misbruik van procesrecht. De kantonrechter moet dus terughoudend omgaan met het toewijzen van daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten en niet gesteld of gebleken is dat hier sprake is van een uitzonderlijk geval. [eiseres] beroept zich weliswaar op een artikel uit de algemene huurvoorwaarden in combinatie met een factuur, maar [eiseres] heeft niet met een betaalbewijs onderbouwd dat deze kosten daadwerkelijk zijn betaald. Daarbij komt dat de algemene huurvoorwaarden door [eiseres] zijn opgesteld, nergens uit volgt dat partijen over deze bepaling hebben onderhandeld en [gedaagde] een eenmanszaak is. Verder staat op de overgelegde factuur een ‘fixed fee’ van € 3.500,00 (excl. Btw) voor een kort geding procedure. Zonder specificatie, die ontbreekt, valt niet in te zien dat dit bedrag in verhouding staan tot het opstellen van één dagvaarding en het bijwonen van één zitting die 10 minuten heeft geduurd. Daarnaast heeft [eiseres] ook al een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten gevorderd en die wordt toegewezen (zie 3.14).
[gedaagde] moet € 910,03 aan buitengerechtelijke incassokosten betalen
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Partijen zijn een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Omdat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, mag van de wettelijke regeling worden afgeweken. Daarom zal de vordering worden getoetst aan de oriëntatiepunten in het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De door [eiseres] gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal worden toegewezen, omdat de verschuldigdheid ervan niet is betwist en de kantonrechter geen aanleiding ziet om (ambtshalve) de gevorderde vergoeding te matigen. Daarom zal een bedrag van € 910,03 worden toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
129,54
- griffierecht
€
1.504,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.354,54
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kantonrechter verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad, zoals [eiseres] heeft gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om binnen een week na betekening van dit vonnis de kantoorruimte aan [adres] ( [postcode] ) te [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiseres] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiseres] ,
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eiseres] :
a. a) € 12.303,35 aan achterstallige huur tot en met 1 december 2025,
b) € 3.061,18 per maand vanaf 1 januari 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
c) € 300,00 per maand, zoals overeengekomen in artikel 23.1 van de algemene huurvoorwaarden, wegens het niet tijdig voldoen van de huurtermijn, een en ander conform de bepalingen van artikel 6:91 e.v. BW,
d) € 3.061,18 per maand als schadevergoeding wegens misgelopen huurpenningen, voor een periode van 6 maanden die ingaat vanaf het moment van ontruiming, verminderd met eventuele inkomsten uit herverhuur gedurende deze periode,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 910,03 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.354,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.
61312