RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11690844 \ LC EXPL 25-1038
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
in [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. L. Koolen, werkzaam bij Ad Fundum Juridisch Advies & Incasso B.V.,
tegen
[gedaagde] , (voorheen) h.o.d.n. [handelsnaam],
in [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: E.P. de Jong, werkzaam bij Koppert Legal.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek,- de conclusie van dupliek,- de akte van [eiseres] .
Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.
2. De kern van de zaak
[gedaagde] huurde van vanaf 20 januari 2023 voor 2 jaar een winkelruimte in Lelystad van [eiseres] . In de huurovereenkomst is opgenomen dat [gedaagde] de ruimte uitsluitend als winkel in levensmiddelen moet gebruiken en in de algemene bepalingen is een exploitatieverplichting opgenomen. Per 5 maart 2024 heeft [gedaagde] de exploitatie in de winkelruimte gestaakt. Ondanks diverse aanmaningen van [eiseres] en een veroordelend vonnis heeft [gedaagde] de exploitatie niet hervat. In deze procedure vordert [eiseres] de contractuele boetes op het niet-exploiteren, in totaal (na deelbetaling) € 69.951,13, met nevenvorderingen. [gedaagde] verzoekt om matiging. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] € 34.975,57 aan boetes moet betalen, plus rente en kosten.
3. De beoordeling
De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde] zo, dat [gedaagde] wel erkent dat hij boetes verschuldigd is geworden maar dat hij verzoekt om matiging. [gedaagde] lijkt zich bij zijn conclusie van antwoord nog wel te beroepen op een schikking die tussen partijen overeengekomen zou zijn, maar daaraan gaat de kantonrechter voorbij. De voorwaarden voor die schikking (overeengekomen op de zitting in kort geding op 12 juli 2024) waren dat [gedaagde] binnen 7 dagen drie maanden huur zou betalen en de inventaris in de winkel compleet zou laten staan. Aan die voorwaarden heeft [gedaagde] niet voldaan, zoals [eiseres] onweersproken stelt.
De kantonrechter matigt de boete. Bij dat oordeel heeft geen rol gespeeld dat [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij in financiële problemen zou zitten. Betalingsonmacht staat niet in de weg aan betalingsplicht. Wel van belang zijn de volgende omstandigheden:
De exploitatieverplichting is uitsluitend opgenomen in de algemene bepalingen, waarover (iets anders blijkt niet) niet is onderhandeld of gesproken. In de huurovereenkomst staat alleen “Het gehuurde zal door of vanwege huurder uitsluitend worden bestemd om te worden gebruikt als winkel in levensmiddelen.”, waaruit op zichzelf geen verplichting tot exploitatie blijkt.
De aanvangshuur bedroeg € 2.833,33 exclusief btw per maand. Het gefixeerde boetebedrag is € 250,00 per dag, dus (30 x € 250,00 =) € 7.500,00 per maand, dus ruim 2,5 keer de maandhuur. Als prikkel tot nakoming van een voorwaarde die niet eens in de huurovereenkomst zelf is opgenomen, is dat onbillijk.
[eiseres] heeft aangevoerd dat haar belang bij exploitatie van de winkel is om verpaupering tegen te gaan. Daardoor zou (zo stelt [eiseres] ) de waarde van haar andere panden in de buurt verminderen en zou [eiseres] schade lijden. Maar [eiseres] heeft op geen enkele manier duidelijk gemaakt wat de orde van grootte van zo’n schade is. Helder is dat een dergelijke schade moeilijk te kwantificeren valt, maar op zijn minst had [eiseres] kunnen stellen hoeveel panden zij in de buurt bezit en wat een procentuele achteruitgang van die waarde concreet in geld betekent. Omdat [eiseres] dat niet doet, blijft volstrekt onduidelijk hoe hoog de schade van [eiseres] is.
Als prikkel tot nakoming voldeed de boete op een gegeven moment niet meer. Nadat [gedaagde] de exploitatie had gestaakt in maart 2024 heeft [eiseres] [gedaagde] naar behoren aangemaand om deze terug op te pakken, inclusief een door [eiseres] aangespannen kort gedingprocedure. Kennelijk heeft [gedaagde] € 30.000,00 aan dwangsommen betaald aan [eiseres] . Maar nadat dat allemaal niet tot gevolg had dat [gedaagde] zijn verplichtingen nakwam, moet duidelijk zijn geweest dat [gedaagde] dat niet meer ging doen. Volledige verschuldigdheid van de boete tot aan het eind van de huurperiode acht de kantonrechter dan onbillijk. Van belang daarbij is ook dat [gedaagde] kennelijk de huur altijd heeft doorbetaald.
Op grond van dit alles, matigt de kantonrechter de boetes op de voet van artikel 6:94 BW tot de helft. [gedaagde] wordt in hoofdsom veroordeeld tot betaling van (50% x € 69.951,13 =) € 34.975,57. De wettelijke rente daarover wordt zoals gevorderd toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding, 14 april 2025, tot de betaling.
[eiseres] vordert primair vergoeding van de contractuele buitengerechtelijke incassokosten (€ 1.784,16). Maar in de algemene bepalingen is niet concreet te herleiden hoe dat bedrag is berekend. Subsidiair vordert [eiseres] betaling van buitengerechtelijke incassokosten op basis van de wet, namelijk artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan die eisen voor toekenning is voldaan. De hoogte van het toe te wijzen bedrag moet worden berekend aan de hand van de staffel van het Besluit. Berekend over de toe te wijzen hoofdsom is dat € 1.124,76. De gevorderde rente daarover zal worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding, 14 april 2025, tot de betaling.
[gedaagde] is het meest in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
120,21
- griffierecht
€
1.461,00
- salaris gemachtigde
€
1.442,50
(2,5 punten × € 577,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.176,71
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 34.975,57, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.124,76 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.176,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
RW1368