RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/204390-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 17 februari 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [2007] in [geboorteplaats] ,
adres: [adres] in [woonplaats] ,
hierna: [verdachte] .
1. Zitting
De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van
3 februari 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 20 juni 2024 in Utrecht leraren en/of leerlingen en/of medewerkers van het Amadeus Lyceum en/of het Utrechts Stedelijk Gymnasium en/of het St. Bonifatiuscollege en/of Unic Utrecht heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;
feit 2
in de periode van 20 juni 2024 tot en met 23 juni 2024 in Utrecht heeft geprobeerd om leraren en/of leerlingen en/of medewerkers van het St. Bonifatiuscollege en/of het Amadeus Lyceum te bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] beide feiten heeft gepleegd, met dien verstande dat ten aanzien van feit 1 vrijspraak dient te volgen voor de bedreiging van het Amadeus Lyceum, het Utrechts Stedelijk Gymnasium en Unic Utrecht. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om [verdachte] ten aanzien van feit 1 primair algeheel vrij te spreken en subsidiair partieel vrij te spreken van de bedreiging van medewerkers en leerlingen van het Amadeus Lyceum, het Utrechts Stedelijk Gymnasium en Unic Utrecht. Daarnaast verzoekt de advocaat de rechtbank om [verdachte] vrij te spreken van feit 2. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
Oordeel van de rechtbank
Gedeeltelijke vrijspraak
De rechtbank spreekt [verdachte] ten aanzien van feit 1 vrij van de bedreiging van het Amadeus Lyceum, het Utrechts Stedelijk Gymnasium en Unic Utrecht. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging. Uit de bewijsmiddelen volgt echter niet dat de bedreiging deze scholen heeft bereikt.
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat beide feiten voor het overige zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:
De verklaring van [verdachte] op de zitting van 3 februari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb op 19 juni 2024 met de telefoon waarmee de bedreigingen zijn gedaan 112 en 113 gebeld om te testen of deze nummers bereikbaar waren zonder beltegoed.
Ik heb op 23 juni 2024 gezocht naar telefoonnummers van docenten van het [school] en ik heb het telefoonnummer van docent [B] gevonden.
Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door [verbalisant 1] , van 20 juni 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op donderdag 20 juni 2024 kwamen er drie 112 gesprekken binnen bij de alarmcentrale
waarin bedreigingen werden geuit. Ik hoorde dat de stem van de persoon die inbelde
klonk als een vrouwelijke computerstem. Onderstaand heb ik één van de gesprekken uitgewerkt. C= centralistB= bedreigerC: Alarmcentrale 112. Wilt u Politie, Brandweer of Ambulance?B: Einde maken aan mijn leven. Het Amadeus, het Bonifatius college en het Stedelijk gymnasium gaan plat. Zij willen mij niet helpen, dan helpen zij niemand meer. En o ja,sommige leerlingen gaan speciaal neer voor wat zij hebben aangericht. Ik ga zoveel mogelijk leraren en leerlingen neerschieten. Als dat mislukt gaan de scholen plat met of zonder leerlingen. Jullie kunnen gaan zoeken voor explosieven maar die gaan jullie niet vinden. Er zullen namelijk chemische explosies plaatsvinden die op afstand af zullen gaan.
Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door [verbalisant 1] , van 20 juni 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op donderdag 20 juni 2024 kwamen er drie 112 gesprekken binnen bij de alarmcentrale waarin bedreigingen werden geuit. Ik hoorde dat de stem van de persoon die inbeldeklonk als een vrouwelijke computerstem. Onderstaand heb ik één van de gesprekken uitgewerkt. C= centralistB= bedreigerC: Alarmcentrale 112. Wilt u Politie, Brandweer of Ambulance?B: Oké, luister. Ik ben in de war en wil een einde aan mijn leven maken. Het Amadeus, het Bonifatius college en het Stedelijk gymnasium gaan plat. Zij willen mij niethelpen, dan helpen zij niemand meer. En o ja, sommige leerlingen gaan speciaal neer voor wat zij hebben aangericht. Ik ga zoveel mogelijk leraren en leerlingenneerschieten. Als dat mislukt gaan de scholen plat met of zonder leerlingen. Jullie kunnen gaan zoeken voor explosieven maar die gaan jullie niet vinden. Er zullennamelijk chemische explosies plaatsvinden die op afstand af zullen gaan. Jullie gaan zien. Jullie gaan dood zeg ik jullie. Jullie kunnen de toetsweek verschuiven maar ofjullie dit gaan voorkomen is de vraag. Ook al gaat er iemand dood dan is dat. Jullie gaan dood of ik ga dood. Jullie zullen denken dat dit nep is maar ik zal er allesaan doen om het onverwachts te doen.
Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door [verbalisant 1] , van 20 juni 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op donderdag 20 juni 2024 kwamen er drie 112 gesprekken binnen bij de alarmcentrale waarin bedreigingen werden geuit. Onderstaand heb ik het derde gesprek uitgewerkt. Ikhoorde tijdens dit gesprek een mannelijke stem die zacht/fluisterend sprak.C=centralistB=bedreigerO=opmerkingC: 112 Politie, wat is de locatie van het noodgeval?B: eh, Amadeus college.C: Ja?B: Er gaat een aanslag gebeuren op het Bonifatius College, het Amadeus College en eh onverstaanbaar (klinkt als Uni).C: Oké, meerdere scholen begrijp ik. En door wie?O: veel geruis en slecht verstaanbaarB: Ja, ik zat net in de trein en hoordeC: Ik hoor u niet meer zo goed.B: Er waren drie man in de trein.C: Er waren drie mannen in de trein. En welke trein?B: Naar Utrecht.C: Naar Utrecht.B: Vanuit 's Hertogenbosch.C: Vanuit 's Hertogenbosch. Oké, en hoe weet u dat er een aanslag gepleegd gaat worden op deze scholen? Heeft u dat gehoord?B: Ik zat achter hun.C: Oh, u zat achter hun. Nou goed dat u belt. En u heeft dat gehoord dat dat dus gezegd werd. Waar bent u nu? Waar bent u nu? Ja, kan ik ophangen dan?
Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door [verbalisant 2] , van 13 april 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 20 juni 2024 zijn verschillende sms-berichten verstuurd vanaf telefoonnummer [telefoonnummer] naar alarmcentrale 112. Hieronder zijn de berichten weergegeven.
Kort na de sms-berichten verstuurd aan 112, om 16:47:49 uur en 19:29 uur, vinden twee
telefoongesprekken met 112 plaats, waarin bedreigingen geuit worden. Deze gesprekken zijn
hieronder weergegeven.
Op 23 juni 2024 zijn er twee verschillende sms-berichten vanaf telefoonnummer [telefoonnummer] verstuurd aan verschillende telefoonnummers. Hieronder zijn de berichten weergeven.
In het onderzoek naar de bedreigingen zijn de opwaardeergegevens van [telefoonnummer] gevorderd. De gegevens werden door de provider geleverd. Daaruit bleek dat het nummer tot en met 20 juni 2024 niet was geactiveerd en nog niet was opgewaardeerd. Wanneer men een telefoonnummer niet opwaardeert, kan men er niet mee bellen of sms’en. Gezien deze informatie is het aannemelijk dat de sms-berichten niet bij de ontvanger zijn
aangekomen. De telefoongesprekken naar 112 konden wel doorkomen, omdat de alarmcentrale altijd bereikbaar is, ook zonder beltegoed of geactiveerd nummer.
Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , van 24 juni 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Uit CIOT bevraging en navraag bij de directeur van het [school] blijken
de telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer] , [telefoonnummer] , [telefoonnummer] , [telefoonnummer] en [telefoonnummer] (de rechtbank begrijpt: eindigend op [telefoonnummer]) aan leerlingen van het [school] te zijn gekoppeld. Op zondag 23 juni hebben we drie van deze leerlingen van het [school] de drie geluidsfragmenten laten horen (de rechtbank begrijpt: van de hierboven genoemde telefoongesprekken met 112). [getuige] , een van deze leerlingen van het [school] , gaf daarop het volgende antwoord: het is een Marokkaanse stem. Ik herken de stem als zijnde van [verdachte] . Hij heeft in de derde bij mij in de klas gezeten. Het is een heel rustige jongen. Ik heb op dit moment geen contact meer met hem.
Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , van 24 juni 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
We zijn met de directrice van het [school] in gesprek gegaan over de nieuwe dreigingen die op 23 juni 2024 richting de school door middel van een SMS bericht zijn verzonden, onder meer naar docent [B] . De directrice van het [school] gaf aan dat het telefoonnummer [telefoonnummer] het vaste telefoonnummer van de school is. We hebben de directrice en twee docenten de drie geluidsfragmenten laten horen (de rechtbank begrijpt: van de hierboven genoemde telefoongesprekken met 112).
Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door [verbalisant 2] , van 10 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Van het St. Bonifatiuscollege vernam ik dat de beelden van 20 juni 2024 tussen 9:00 en 10:00 uur niet meer beschikbaar waren.
Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door [verbalisant 2] , van 30 december 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
In dit proces verbaal is een tijdlijn opgesteld van 20 juni 2024 aan de hand van de beelden van de school en de historische verkeersgegevens van het IMEI-nummer waarmee 112 gebeld is om de bedreigingen te uiten.
Een proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door [verbalisant 5] , van 25 juni 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op woensdag 24 juni 2024 deed ik voorlopig onderzoek naar de gebruiker en inhoud van een
iPhone 14 pro max. Deze telefoon werd 23 juni 2024 inbeslaggenomen bij de aanhouding van verdachte [verdachte] .
Ik zag dat op 19 juni 2024 het nummer [telefoonnummer] gebruikt werd in combinatie met IMEI [IMEI nummer] . Ik zag dat enkel contact heeft gemaakt met een antenne van de mast op de [adres] , dichtbij het woonadres van de verdachte. Ik zag dat de telefoon, in de periode dat de combinatie [telefoonnummer] / [IMEI nummer] contact maakte met de antenne, zich ook in het vermoedelijke dekkingsgebied van deze mast ophield. Verder zag ik dat op 20 juni 2024 het nummer [telefoonnummer] gebruikt werd in combinatie met IMEI [IMEI nummer] . Ik zag dat deze telefoon (de rechtbank begrijpt: de bij [verdachte] in beslag genomen iPhone) zich op alle momenten in de buurt van de door [telefoonnummer] / [IMEI nummer] gebruikte antennes bevond. Ook zag ik dat de telefoon (de rechtbank begrijpt: de bij [verdachte] in beslag genomen iPhone) van 19:17 tot 19:30 vermoedelijk meereist met dit nummer. Daarnaast zag ik dat op 23 juni 2024 opnieuw het nummer [telefoonnummer] gebruikt werd. Ik zag dat alle verkeersgegevens, waaronder 18 sms-berichten naar 9 verschillende nummers, contact hadden met antennes in de nabijheid van het Neude. Ik zag dat de telefoon (de rechtbank begrijpt: de bij [verdachte] in beslag genomen iPhone) zich rondom de momenten van deze contacten steeds in de vermoedelijke dekkingsgebieden van deze masten bevond. Al met al bevond de telefoon (de rechtbank begrijpt: de bij [verdachte] in beslag genomen iPhone) zich altijd in de buurt bij de onderzochte verkeersgegevens van IMEI [IMEI nummer] met daarin telefoonnummer [telefoonnummer] . Dit maakt het voor mij zeer waarschijnlijk dat deze telefoon (de rechtbank begrijpt: de bij [verdachte] in beslag genomen iPhone) en de combinatie van [IMEI nummer] en [telefoonnummer] met elkaar mee reisden.
Zoals eerder genoemd werden op 23 juni 2024 18 sms-berichten verzonden aan 9 verschillende nummers. Uit onderzoek bleek dat tenminste 7 van deze nummers voorkwamen als contact in de telefoon (de rechtbank begrijpt: de bij [verdachte] in beslag genomen iPhone).
Ik zag dat er op 20 juni 2024 tussen 12:00 en 12:15 meermaals gezocht is op “politie sms” (de rechtbank begrijpt: op de bij [verdachte] in beslag genomen iPhone). Ik merkte op dat dit ongeveer 25 minuten is voordat er vanaf [telefoonnummer] / [IMEI nummer] een sms verstuurd wordt naar 112.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewijsoverwegingen
De getuigenverklaring van [getuige]
De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat de getuigenverklaring van [getuige] (hierna: [getuige] ) als niet betrouwbaar dient te worden beschouwd en daarom niet voor het bewijs gebruikt kan worden. Volgens de advocaat is [getuige] bij de herkenning van de stem van [verdachte] mogelijk door anderen beïnvloed.
De rechtbank verwerpt dit verweer en is van oordeel dat de getuigenverklaring van [getuige] voldoende betrouwbaar is en bruikbaar is voor het bewijs. Daarvoor is van belang dat de politie de gebruikers van de telefoonnummers aan wie de dreigberichten gericht waren heeft achterhaald door deze telefoonnummers met de directie van het [school] te delen. Hieruit kwam naar voren dat [getuige] één van de gebruikers van de betreffende telefoonnummers was. Vervolgens heeft de politie de geluidsfragmenten aan haar en de andere gebruikers van de betreffende telefoonnummers laten horen. Op het geluidsfragment waarbij met een mannelijke stem zacht/fluisterend werd gesproken, herkende zij de stem van [verdachte] en omschreef zij daarbij aan welke onderscheidende kenmerken zij de stem herkende. Uit het dossier blijkt niet dat de naam van [verdachte] voorafgaand aan haar verklaring bij de politie en/of anderen bekend was en met [getuige] gedeeld is. Integendeel: uit het dossier volgt juist dat [getuige] de stem van [verdachte] zelfstandig herkende en dat de verdenking tegen [verdachte] is ontstaan ná en vanwege de door [getuige] afgelegde verklaring. Naar aanleiding van haar getuigenverklaring heeft de politie de telefoon van [verdachte] onderzocht en kon hij op basis daarvan als verdachte worden aangemerkt.
Kan [verdachte] aangemerkt worden als pleger?
De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] wel een (voorbereidende) rol heeft gehad bij de ten laste gelegde feiten, maar dat hij de feitelijke bedreigingshandelingen niet zelf heeft verricht. Daarom kan [verdachte] niet als pleger van de ten laste gelegde feiten worden aangemerkt en moet hij volgens de advocaat worden vrijgesproken.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen is dat het [verdachte] is geweest die de dreigtelefoontjes gepleegd heeft en heeft geprobeerd om de dreigberichten te versturen.
De verdediging heeft ter terechtzitting een alternatief scenario naar voren gebracht door te stellen dat de dreigtelefoon steeds werd doorgegeven, dat [verdachte] slechts een beperkte rol heeft gehad in het geheel en dat anderen de feitelijke dreigementen (in zijn bijzijn) gepleegd hebben. De rechtbank acht dit scenario niet aannemelijk. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat het de stem van [verdachte] is die door [getuige] is herkend en dat het [verdachte] is die tot tweemaal toe in zijn eentje het klaslokaal verlaat kort voordat een dreigtelefoontje wordt gepleegd. Ook op de andere camerabeelden die rondom de bedreigingen zijn gemaakt is te zien dat [verdachte] zich steeds in zijn eentje, dus zonder anderen, verplaatst. De rechtbank verwerpt dan ook het door de verdediging geschetste scenario.
De poging tot bedreiging (feit 2)
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat [verdachte] de dreigberichten naar 112 en leerlingen en medewerkers van St. Bonifatiuscollege en naar het Amadeus Lyceum heeft verzonden. Omdat de telefoon waarmee [verdachte] deze berichten had verzonden geen beltegoed had en er geen aanmelding bij 112 had plaatsgevonden, zijn deze berichten echter niet aangekomen bij 112 en bij de gebruikers van de telefoonnummers aan wie de berichten gericht waren. Zij zijn dus niet daadwerkelijk op de hoogte geraakt van de bedreigingen, ook al zag de opzet van [verdachte] hier wel op. Hierdoor zijn deze bedreigingen niet voltooid, waardoor er enkel sprake is van een strafbare poging tot bedreiging.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
feit 1
op 20 juni 2024 te Utrecht,
leraren en leerlingen en medewerkers van de scholengemeenschap
St. Bonifatiuscollege heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en
met zware mishandeling, door deze indirect via de meldkamer van de politie
telefonisch en mondeling de woorden toe te voegen, zakelijk weergegeven,
- dat de scholen plat gaan en
- dat leraren en leerlingen worden neergeschoten speciaal voor wat zij hebben
aangericht en
- dat chemische explosies gaan plaatsvinden en
- dat leraren en leerlingen dood gaan en
- dat aanslagen zullen gebeuren,
althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
feit 2
in de periode van 20 juni 2024 tot en met 23 juni 2024 te Utrecht,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
(telkens) opzettelijk leraren en leerlingen en medewerkers van de
scholengemeenschappen St. Bonifatiuscollege en Amadeus Lyceum te
bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling,
heeft geprobeerd om sms-berichten gericht aan de telefoonnummers van het St. Bonifatiuscollege en leerlingen van het St. Bonifatiuscollege en 112
te versturen, inhoudende:
- " Bom en schiet aanslag ergens deze week op school Bonifatius en Amadeus jullie
te laat"
- " aanslag school Boni in Utrecht en Amadeus en bom aanslag"
- " morgen of overmorgen en of daarna zullen we met z'n alle terug keren naar jezus.
we samen met de school dood gaan. de ene zal slapen de and",
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermalen gepleegd;
feit 2
poging tot bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid feiten en verdachte De feiten en [verdachte] zijn strafbaar.
5. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:
een jeugddetentie van 12 dagen, met aftrek van het voorarrest;
een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uren, met een proeftijd van twee jaren, met de algemene en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) in haar rapport van 3 januari 2026. De officier van justitie eist hierbij ook de oplegging van de verplichting tot het volgen van ambulante behandeling, indien en voor zover de jeugdreclassering dat nodig acht.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om rekening te houden met de ontwikkelingen in het leven van [verdachte] sinds de tenlastegelegde feiten. [verdachte] loopt al geruime tijd in een schorsing van de voorlopige hechtenis en laat goed gedrag zien, waardoor ambulante behandeling niet meer nodig is en met een proeftijd van een jaar kan volstaan. Ook is de redelijke termijn overschreden.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
[verdachte] heeft zich op 20 juni en 23 juni 2024 schuldig gemaakt aan ernstige bedreigingen. Op 20 juni 2024 heeft hij meerdere keren 112 gebeld met de mededeling dat er een (bom)aanslag zou worden gepleegd op (onder meer) het St. Bonifatiuscollege, waarbij leraren en leerlingen dood zouden gaan, en dat er een ‘school shooting’ zou plaatsvinden, waarbij leraren en leerlingen zouden worden neergeschoten. Op 20 en 23 juni 2024 heeft [verdachte] bovendien SMS-berichten verstuurd naar 112, het algemene telefoonnummer van het St. Bonifatiuscollege en telefoonnummers van docenten en leerlingen van het St. Bonifatiuscollege, waarin hij schreef dat op het St. Bonifatiuscollege en het Amadeus een aanslag zou worden gepleegd, te weten een bomaanslag of een ‘school shooting’, waarbij leraren en leerlingen dood zouden gaan, respectievelijk insinueerde dat er op het St. Bonifatiuscollege iets zou plaatsvinden waardoor leraren en leerlingen zouden sterven. Deze SMS-berichten zijn niet verzonden, maar wel onderschept door de politie.
Bij de personen die kennis kregen van deze berichten, hebben deze berichten gevoelens van angst, onrust en onveiligheid teweeg gebracht. De politie heeft de bedreigingen serieus genomen en onverwijld capaciteit ingezet om zo snel mogelijk te achterhalen wie de bedreigingen had geuit om zodoende een eventuele dreiging weg te nemen. [verdachte] lijkt de bedreigingen te hebben geuit om onder een toetsweek uit te komen, die hem - kennelijk - veel stress bezorgde. Mogelijk dat [verdachte] , zoals hij zelf verklaart, met zijn handelen ook aansluiting probeerde te vinden bij een bepaalde vriendengroep. De rechtbank neemt het [verdachte] , hoe dan ook, kwalijk dat hij zich bij zijn handelen kennelijk niet heeft bekommerd om de mogelijke gevolgen van zijn handelen voor de medewerkers en de andere leerlingen van de school en om de gevoelens van angst, onrust en onveiligheid die zijn berichten ook buiten de school hadden kunnen teweegbrengen.
De rechtbank neemt het [verdachte] kwalijk dat hij, nadat de bedreigingen op 20 juni 2024 niet de kennelijk door hem beoogde sluiting van de school tot gevolg had gehad, op 23 juni 2024 opnieuw berichten met bedreigingen naar (medewerkers en leerlingen van) de school heeft verzonden. Dat de nadelige gevolgen van de bedreigingen beperkt zijn gebleven, is te danken aan het feit dat zijn telefoon niet opgewaardeerd was (waardoor de SMS-berichten niet daadwerkelijk zijn verzonden), maar met name ook aan het adequate optreden van de school en de politie. Als het (destijds) aan [verdachte] had gelegen, was de school de impact van zijn bedreigingen veel groter geweest.
De rechtbank neemt het [verdachte] ook kwalijk dat hij maar beperkt openheid van zaken heeft gegeven en daarmee ook maar beperkt verantwoording heeft genomen, door te blijven volharden in zijn verklaring dat anderen de gesprekken met 112 hebben gevoerd en de berichten hebben verzonden, en dat hij slechts een kleine rol had in het geheel.
Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van [verdachte] van 5 januari 2026, waaruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
De rechtbank heeft ook gekeken naar de Pro Justitia Rapportage 16 oktober 2024, opgesteld door GZ-psycholoog M.G.E. Hobbelen. In de Pro Justitia Rapportage komt naar voren dat [verdachte] is gediagnosticeerd met een ‘andere gespecificeerde angststoornis’ (gegeneraliseerde angst die een hoogtepunt bereikt als prestaties moeten worden geleverd). Ook is er vastgesteld dat er bij [verdachte] sprake is van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling (sprake van preoccupatie met prestatie, perfectionisme, gebrek aan hechte vriendschappen en ingeperkt affect). De deskundige adviseert om een voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een jeugdreclasseringsmaatregel, de verplichting om mee te werken aan poliklinische behandeling, een schoolplan en aan vrijetijdsbesteding.
De rechtbank heeft verder gekeken naar het rapport van de Raad van 3 januari 2026. De Raad heeft opgeschreven dat [verdachte] zich de afgelopen periode goed heeft gedragen en dat de kans op recidive laag is. De Raad heeft verder opgeschreven dat begeleiding door de jeugdreclassering verstandig is, gelet op de aard van de verdenking en de forse impact die recidive zou hebben. Volgens de Raad dient ook te worden meegewogen dat [verdachte] zichzelf nog steeds flink belast met school en mogelijk wordt overvraagd. Hij heeft vorig jaar zijn eindexamen vwo niet gehaald en heeft ervoor gekozen om dit jaar opnieuw examen te doen, omdat hij daarna naar de universiteit wil. Gezien de verdenking en de uitkomsten van de Pro Justitia Rapportage, brengt dat het risico met zich mee dat [verdachte] weer vastloopt. De Raad heeft verder opgeschreven dat het verstandig is om rekening te houden met het gegeven dat de verdenking ruim anderhalf jaar geleden heeft plaatsgevonden. De Raad adviseert een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest, met oplegging van de jeugdreclasseringsmaatregel, met in het kort de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de jeugdreclassering, de verplichting om mee te werken aan een (behandel)traject en het realiseren/behouden van prosociale dagbesteding. De Raad adviseert daarbij om een proeftijd voor de duur van één jaar op te leggen.
Tot slot heeft de rechtbank gekeken naar het rapport van Samen Veilig Midden-Nederland (SAVE) van 19 januari 2026. SAVE heeft opgeschreven dat [verdachte] een positieve ontwikkeling heeft laten zien en dat hij gedurende de schorsing van zijn voorlopige hechtenis voldaan heeft aan de schorsingsvoorwaarden. SAVE adviseert een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest met als bijzondere voorwaarden de jeugdreclasseringsmaatregel en verplichting om mee te werken aan individuele behandeling of therapie.
Overschrijding redelijke termijn
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is aangevangen op 23 juni 2024, de dag waarop [verdachte] is aangehouden en bekend is geworden met de verdenking tegen hem. De termijn tussen de aanhouding op 23 juni 2024 en de uitspraak is ruim twintig maanden. Voor de behandeling van de zaak door de rechtbank geldt voor jeugdigen als uitgangspunt dat die binnen zestien maanden dient te zijn afgerond, gerekend vanaf het moment dat een verdachte in redelijkheid mocht verwachten dat tegen hem strafvervolging wordt ingesteld. Dit betekent dat de redelijke termijn met ruim vier maanden is overschreden. De termijnoverschrijding is niet toe te rekenen aan [verdachte] en er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn kunnen rechtvaardigen. De rechtbank houdt hier in strafverminderende zin rekening mee, in die zin dat de rechtbank vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, naast de tijd die [verdachte] al in voorarrest heeft doorgebracht, alleen nog een voorwaardelijke straf zal opleggen.
Conclusie
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. In beginsel is voor een bedreiging gepleegd door een first offender een taakstraf een passende straf.
Gelet op hetgeen is overwogen met betrekking tot de ernst en de potentiële impact van de feiten, acht de rechtbank geen andere straf dan de oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie passend en geboden. De rechtbank zal volstaan, gelet op hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de persoon van [verdachte] , met een straf die geen vrijheidsbeneming van langere duur met zich meebrengt dan verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank zal [verdachte] dan ook een jeugddetentie van 12 dagen, met aftrek van het voorarrest, opleggen.
Omdat de impact van het voorarrest voor [verdachte] groot is geweest ( [verdachte] was hiervoor nog nooit eerder met politie en justitie in aanraking gekomen), de redelijke termijn is overschreden, [verdachte] zich gedurende bijna 20 maanden goed aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en een positieve wending aan zijn leven heeft weten te geven, zal de rechtbank hem daarnaast een geheel voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 uren opleggen. Deze voorwaardelijke straf is bedoeld om [verdachte] ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Ook geeft dit de rechtbank de mogelijkheid om daaraan de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden waaraan [verdachte] zich moet houden.
[verdachte] heeft aangevoerd dat hij behandeling, naast de begeleiding vanuit de jeugdreclassering, niet nodig vindt, nu hij met behulp van de jeugdreclassering structuur in zijn leven heeft weten aan te brengen en heeft kunnen omgaan met het feit dat hij afgelopen jaar zijn vwo eindexamen niet heeft gehaald. Daaruit blijkt, aldus [verdachte] , dat de door het NIFP vastgestelde stoornissen achterhaald zijn en dat behandeling niet langer nodig is. De rechtbank ziet dat anders. Gelet op de ernst van de feiten vindt de rechtbank dat [verdachte] nog wel behandeling nodig heeft om te leren hoe hij om kan gaan met mogelijke tegenslagen in de toekomst. Dat [verdachte] met behulp van de jeugdreclassering structuur heeft weten te brengen in zijn leven, neemt niet weg - zoals de jeugdreclasseerder ter zitting ook zelf opmerkte - dat [verdachte] nog niet dat aan de onderliggende problematiek heeft gewerkt.
De rechtbank zal daarom naast de algemene voorwaarden de bijzondere voorwaarden opleggen zoals geadviseerd, waaronder de ambulante behandeling. De rechtbank vindt daarbij een proeftijd van twee jaar noodzakelijk, zodat [verdachte] over een langere periode verzekerd is van behandeling en begeleiding, mocht dat nodig zijn.
Alles afwegende vindt de rechtbank een jeugddetentie van 12 dagen, met aftrek van het voorarrest en een geheel voorwaardelijke taakstraf van 100 uren, met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. De rechtbank legt daarbij de algemene en bijzondere voorwaarden op, zoals hieronder opgenomen in de beslissing.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
6. In beslag genomen voorwerpen
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het in beslaggenomen vuurwerk moeten worden onttrokken aan het verkeer.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het in beslaggenomen vuurwerk onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
7. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 36b, 36d, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 285 van het Wetboek van Strafrecht.
8. De beslissing
beslag
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat [verdachte] de feiten heeft gepleegd, zoals in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van 12 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
- veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uren;
- beveelt dat voor het geval [verdachte] de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 50 dagen jeugddetentie;
- bepaalt dat de werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;
- als algemene voorwaarden gelden dat [verdachte] :
zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- als bijzondere voorwaarden gelden dat [verdachte] :
zich gedurende de proeftijd en op door de gecertificeerde instelling te bepalen tijdstippen zal melden, zo frequent en zo lang die instelling dat gedurende deproeftijd noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
meewerkt aan een behandeltraject bij een daartoe geschikte instelling, zoals bijvoorbeeld De Waag, zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt;
meewerkt aan het realiseren/behouden van een pro sociale dagbesteding waar sport, werk en naar mening van de jeugdreclassering passend onderwijs deel van uitmaken;
- geeft aan de gecertificeerde instelling, te weten SAVE te Utrecht, de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
- 1 STK Vuurwerk (goednummer 820230);
- 1 STK Vuurwerk (goednummer 820229);
- 1 STK Vuurwerk (goednummer 820228);
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.T. Könning, voorzitter, mr. I.G.C. Bij de Vaate en mr.
J.E.S. Dolmans, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Belhadi als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 20 juni 2024 te Utrecht, in elk geval in Nederland,
leraren en/of leerlingen en/of medewerkers van de scholengemeenschappen
Amadeus Lyceum en/of Utrechts Stedelijk Gymnasium en/of St. Bonifatiuscollege
en/of Unic Utrecht heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of
met zware mishandeling, door
deze indirect via de meldkamer van de politie telefonisch en/of mondeling de
woorden toe te voegen, zakelijk weergegeven,
- dat de scholen plat gaan en/of
- dat leraren en leerlingen worden neergeschoten speciaal voor wat zij hebben
aangericht en/of
- dat chemische explosies gaan plaatsvinden en/of
- dat leraren en leerlingen dood gaan en/of
- dat aanslagen zullen gebeuren,
althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
2
hij in of omstreeks de periode van 20 juni 2024 tot en met 23 juni 2024 te Utrecht, in
elk geval in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
(telkens) opzettelijk leraren en/of leerlingen en/of medewerkers van de
scholengemeenschap(pen) St. Bonifatiuscollege en/of Amadeus Lyceum te
bedreigen
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
heeft geprobeerd om sms-bericht(en) gericht aan telefoonnummers van die
scholengemeenschap(pen), leerlingen van die scholengemeenschap(pen) en/of 112
te versturen, inhoudende:
- " Bom en schiet aanslag ergens deze week op school Bonifatius en Amadeus jullie
te laat"
- " aanslag school Boni in Utrecht en Amadeus en bom aanslag"
- " morgen of overmorgen en of daarna zullen we met z'n alle terug keren naar jezus.
we samen met de school dood gaan. de ene zal slapen de and", althans woorden
van gelijke dreigende aard en/of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.