ECLI:NL:RBMNE:2026:5086

ECLI:NL:RBMNE:2026:5086

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 22-07-2026
Datum publicatie 02-08-2026
Zaaknummer 11990883 \ UC EXPL 25-9620
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

incassowerkzaamheden op 'no cure no pay'-basis? informatie op website en uitzonderingen in algemene voorwaarde. dwaling

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: 11990883 \ UC EXPL 25-9620

Vonnis van 22 juli 2026

in de zaak van

de vennootschap onder firma

[opposant] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

(oorspronkelijk) eiseres, gedaagde in het verzet,

hierna te noemen: [opposant] ,

gemachtigde: mr. J. Tukker.

tegen

[geopposeerde] , voorheen handelend onder de naam [handelsnaam 1] en thans handelend onder de naam [handelsnaam 2],

wonend in [woonplaats] ,

(oorspronkelijk) gedaagde, eiser in het verzet,

hierna te noemen: [geopposeerde] ,

procederend in persoon.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verstekvonnis van de kantonrechter te Utrecht van 22 oktober 2025 met zaaknummer 11909594 UC EXPL 25-7759 met de daarin genoemde stukken;

- de verzetdagvaarding van 17 november 2025 met als bijlage een ‘pleitnota’ van [geopposeerde] ;

- de akte overlegging producties van [opposant] ;

- de mondelinge behandeling van 23 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De kern van de zaak

[opposant] heeft [geopposeerde] een factuur gestuurd voor in opdracht van [geopposeerde] verrichte incassowerkzaamheden. [geopposeerde] heeft die factuur niet betaald. Volgens hem is de overeenkomst gesloten op basis van ‘no cure no pay’, zoals op de website van [opposant] staat vermeld. Omdat het [opposant] niet is gelukt om de vordering te incasseren is er geen reden om voor de werkzaamheden te betalen. [opposant] stelt zich op het standpunt dat de ‘no cure no pay’-regeling niet voor de vordering van [geopposeerde] gold.

De kantonrechter volgt [opposant] niet en wijst haar vordering alsnog af.

3. De beoordeling

Inleiding

[opposant] houdt zich bedrijfsmatig bezig met incassowerkzaamheden en het voeren van gerechtelijke procedures.

Op 31 januari 2023 heeft [geopposeerde] via de website van [opposant] een digitaal opdrachtformulier ingediend om een onbetaald gebleven factuur van € 2.177,60 op [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) geïncasseerd te krijgen.

Ondanks sommatie door [opposant] heeft [bedrijf] de openstaande factuur niet betaald. [bedrijf] is op 21 maart 2023 failliet gegaan. [opposant] heeft het dossier gesloten en een bedrag van € 431,23 inclusief btw bij [geopposeerde] in rekening gebracht.[geopposeerde] is het niet eens met de factuur van [opposant] en heeft die niet betaald.

De vordering van [opposant] tot betaling van € 626,62 (€ 431,23 aan hoofdsom,

€ 130,71 aan wettelijke handelsrente en € 64,68 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 20 september 2025, en van de proceskosten, is op 22 oktober 2025 bij verstek toegewezen.

Het verzet is tijdig ingesteld

Het verzet is met de verzetdagvaarding op 17 november 2025 tijdig en op de juiste wijze ingesteld. Door het verzet wordt behandeling van de zaak bij de kantonrechter heropend. De verzet dagvaarding geldt als een conclusie van antwoord.

[geopposeerde] heeft gedwaald bij de totstandkoming van de overeenkomst

[opposant] heeft zich op het standpunt gesteld dat in deze zaak de ‘no cure no pay’-regeling niet geldt. De vordering van [geopposeerde] werd namelijk door [bedrijf] betwist en [geopposeerde] bleek eerder een derde partij te hebben ingeschakeld om de vordering te incasseren. In de algemene voorwaarden staat dat die situaties zijn uitgesloten van de ‘no cure no pay’-regeling.

[geopposeerde] voert het verweer dat [opposant] hem heeft gezegd dat er geen kosten voor [geopposeerde] zouden zijn behalve als de zaak naar de rechtbank zou gaan. Die ‘no cure no pay’- regeling staat ook zo vermeld op de website van [opposant] . Op de mondelinge behandeling heeft [geopposeerde] verklaard dat hij nooit aan de incasso-opdracht was begonnen als hij had geweten dat hij ook moest betalen voor, zakelijk weergegeven, de buitengerechtelijke werkzaamheden van [opposant] als betaling door [bedrijf] uitbleef.

[geopposeerde] beroept zich dus op dwaling. In de wet is bepaald dat een overeenkomst die bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten vernietigbaar is indien de dwaling is te wijten aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou zijn gesloten. In artikel 6:228 lid 1 onder a BW ligt dus de veronderstelling besloten dat voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst door de wederpartij een inlichting is verstrekt die de onjuiste veronderstelling heeft veroorzaakt.

De kantonrechter is van oordeel dat die situatie zich hier voordoet. De beoordeling van de vraag of [opposant] de door [geopposeerde] gestelde telefonische mededeling heeft gedaan - [opposant] betwist dat - kan in het midden blijven omdat [geopposeerde] al op grond van de mededeling op de website van [opposant] , in combinatie met het ontbreken van de kennelijk in dit verband relevante vragen op het opdrachtformulier, ervan uit mocht gaan dat de buitengerechtelijke incasso van de vordering op [bedrijf] op ‘no cure no pay’-basis zou plaatsvinden.

Op de website van [opposant] staat onder het kopje ‘NO CURE NO PAY’ namelijk het volgende:

“ [opposant] werkt volgens het no cure no pay principe. Dat betekent dat de debiteur verplicht is de incassokosten en de wettelijke rente te betalen. Indien de debiteur dit niet wil betalen, kunnen wij dit, op basis van de wet, via de rechter afdwingen. Wij zijn namelijk van mening dat een incassotraject niets mag kosten en zelfs rente moet opleveren. (zie voor verdere uitleg onze algemene voorwaarden).”

Op de website wordt echter niet vermeld dat de klant ( [geopposeerde] ) een basisvergoeding van € 55,- verschuldigd is (10.1 van de algemene voorwaarden). Evenmin staat op de website vermeld dat ‘no cure no pay’ niet geldt voor een vordering die inhoudelijk wordt betwist (ook 10.1) en voor een vordering die eerder of tegelijkertijd door een derde partij is getracht te incasseren (10.3). In die gevallen brengt [opposant] bij de opdrachtgever ( [geopposeerde] ) incassoprovisie in rekening als ware de vordering volledig geïncasseerd naast het verschuldigde uurtarief.

Gelet op de financiële gevolgen voor de opdrachtgever ( [geopposeerde] ) in het geval het [opposant] niet lukt de vordering buitengerechtelijk te incasseren, had het op de weg van [opposant] gelegen hierover tijdig duidelijkheid te creëren en deze (belangrijke) uitzonderingen op ‘no cure no pay’ onder de aandacht van de opdrachtgever te brengen. Bijvoorbeeld door in het opdrachtformulier, dat [geopposeerde] via de website van [opposant] heeft ingevuld, de vraag op te nemen of de vordering door de debiteur wordt betwist en of de opdrachtgever heeft geprobeerd de vordering eerder te laten incasseren en daarbij te vermelden dat in die gevallen ‘no cure no pay’ niet geldt. Dat heeft [opposant] niet gedaan. Evenmin heeft [opposant] [geopposeerde] op een later moment laten weten dat voor het buitengerechtelijk traject kosten verschuldigd worden omdat de vordering (alsnog) inhoudelijk wordt betwist door [bedrijf] . Daarmee is de mededeling over ‘no cure no pay’ op de website van [opposant] op zijn minst als onjuist en onvolledig aan te merken.

[geopposeerde] hoefde uit de mededeling op de website dan ook niet te begrijpen dat er wèl kosten verschuldigd zouden zijn in het geval het [opposant] niet zou lukken de vordering op [bedrijf] buitengerechtelijk te incasseren. [geopposeerde] heeft de overeenkomst met [opposant] dus gesloten met een onjuiste voorstelling van zaken. Daarnaast heeft [geopposeerde] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de overeenkomst niet zou hebben gesloten, als hij de juiste informatie zou hebben gekregen. [geopposeerde] had immers zelf al geruime tijd tevergeefs geprobeerd de vordering te incasseren en hij zou nog meer financieel benadeeld worden als het [opposant] (ook) niet zou lukken. Het beroep van [geopposeerde] op dwaling wordt daarom gehonoreerd. Dat betekent dat de vordering van [opposant] geen grondslag meer heeft en voor afwijzing klaarligt. De nevenvorderingen delen hetzelfde lot.

De dwaling komt voor rekening van [opposant]

[opposant] heeft benadrukt dat zij op haar website heeft verwezen naar de algemene voorwaarden voor verdere uitleg van het ‘no cure no pay’-principe. [geopposeerde] had in de algemene voorwaarden kunnen lezen dat ‘no cure no pay’ niet inhield dat het buitengerechtelijke incassotraject niets zou kosten. De kantonrechter begrijpt dat [opposant] hiermee betoogt dat de dwaling voor rekening van [geopposeerde] moet blijven maar daarin volgt de kantonrechter [opposant] niet. De aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat de dwaling voor rekening van de dwalende moet blijven, maar daar is in dit geval geen sprake van. Uitgangspunt is dat [opposant] , als bedrijfsmatig aanbieder van incassowerkzaamheden, tegenover haar wederpartij verplicht is om binnen redelijke grenzen maatregelen te nemen om te voorkomen dat die wederpartij onder invloed van onjuiste veronderstellingen de opdracht tot incasso verstrekt. Dat heeft [opposant] onvoldoende gedaan. De kantonrechter verwijst naar dat wat hierboven in 3.12 is overwogen. Verder merkt de kantonrechter op dat de uitzonderingen op ‘no cure no pay’ onduidelijk en cryptisch zijn geformuleerd in de algemene voorwaarden waardoor het voor een wederpartij zonder specifieke juridische kennis lastig is om het exacte gevolg van de opgesomde uitzonderingssituaties te doorgronden. Al deze uitzonderingen komen neer op een (aanzienlijke) betalingsverplichting voor de opdrachtgever en dat staat haaks op het ‘no cure no pay’- principe zoals dat op de website staat verwoord.

Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat op de website vermeld staat: ‘U ontvangt de wettelijke rente’ terwijl de rente volgens 10.1 van de algemene voorwaarden toekomt aan [opposant] als vergoeding voor buitengerechtelijke werkzaamheden. Ook dit is een onjuiste mededeling op de website van [opposant] .

Conclusie en verzoek van [geopposeerde]

De conclusie is dat het verzet van [geopposeerde] gegrond is, zodat het tussen partijen gewezen verstekvonnis niet in stand kan blijven. Het verstekvonnis zal dan ook worden vernietigd en [geopposeerde] wordt ontheven uit de tegen hem uitgesproken veroordelingen.

[geopposeerde] heeft in zijn ‘pleitnota’ opgemerkt dat hij aan de veroordeling uit het verstekvonnis heeft voldaan en een bedrag van € 1.944,30 aan [opposant] heeft betaald. [geopposeerde] verzoekt de kantonrechter om te bepalen dat dat bedrag aan hem moet worden terugbetaald. [opposant] heeft dat niet weersproken zodat de kantonrechter het verzoek van [geopposeerde] zal toewijzen als onder de beslissing staat vermeld.

Proceskosten

[opposant] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kosten voor het uitbrengen van de verzetdagvaarding zullen echter op grond van artikel 141 Rv voor rekening van [geopposeerde] komen, omdat deze kosten een gevolg zijn van het feit dat [geopposeerde] in eerste instantie niet is verschenen. De proceskosten van [geopposeerde] worden begroot op € 50,- aan reis-, verblijf-, en verletkosten.

4. De beslissing

De kantonrechter

vernietigt het vonnis van 22 oktober 2025 van de kantonrechter te Utrecht, gewezen onder zaaknummer 11909594 UC EXPL 25-7759, en ontheft [geopposeerde] van de in dat vonnis tegen hem uitgesproken veroordelingen,

veroordeelt [opposant] om aan [geopposeerde] te betalen een bedrag van € 1.944,40,

en opnieuw beslissend

wijst de vorderingen van [opposant] af,

veroordeelt [opposant] in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [opposant] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.

1257

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Prg. 2026/275
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand