ECLI:NL:RBMNE:2026:5204

ECLI:NL:RBMNE:2026:5204

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 06-08-2026
Datum publicatie 06-08-2026
Zaaknummer 16/297380.25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Veroordeling voor mishandeling en dwang van ex-partner en dochter. Door de ex-partner aan de haren de woning in te trekken terwijl zij haar driejarige dochter in de handen had, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan dwang jegens hen beiden. Vrijspraak van psychische mishandeling en van wederrechtelijke vrijheidsberoving. De rechtbank legt een contactverbod op in afwachting van een beslissing van de familierechter over de omgang met de dochter.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/297380-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 augustus 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] ,

(hierna: de verdachte).

1. Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 23 juli 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

2. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

Feit 1

op 5 november 2025 in Utrecht [slachtoffer] heeft mishandeld door haar met kracht aan haar haren te trekken, te slaan tegen haar lichaam en te trappen in haar buik;

Feit 2

op 5 november 2025 in Utrecht zijn kind [minderjarige] heeft gedwongen om toe te kijken naar kort gezegd de onder feit 1 en feit 4 opgenomen beschuldiging.

Feit 3

op 5 november 2025 in Utrecht zijn kind [minderjarige] psychisch heeft mishandeld door in haar aanwezigheid haar moeder te mishandelen en haar moeder van haar vrijheid te beroven.

Feit 4 primair

op 5 november 2025 in Utrecht [slachtoffer] van haar vrijheid heeft beroofd door haar aan haar haren mee te trekken zijn woning in.

en voor het geval die beschuldiging niet tot een veroordeling zou leiden, subsidiair

op 5 november 2025 in Utrecht [slachtoffer] heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden door haar aan haar haren mee te trekken richting zijn woning en haar vervolgens zijn woning in te trekken.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3. Bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 4 primair heeft gepleegd. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 3.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 2, 3 en 4 primair en subsidiair. Daarnaast verzoekt de advocaat om de verdachte partieel vrij te spreken van de onder feit 1 opgenomen handeling van het slaan.

De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 4.3.

Oordeel van de rechtbank

Inleiding

De verdachte en [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) hebben in 2021 korte tijd een relatie gehad. Uit deze relatie is hun dochter (hierna: [minderjarige] ) geboren. Tussen de verdachte en [slachtoffer] is sprake van een langlopend conflict over de erkenning van en de omgang met [minderjarige] . Er zijn diverse civiele rechtszaken geweest en verschillende hulpverlengingsinstanties betrokken. Op 15 november 2025 bracht [slachtoffer] [minderjarige] naar de verdachte. Daar heeft tussen [slachtoffer] en de verdachte een geweldsincident plaatsgevonden, wat heeft geleid tot de verschillende beschuldigingen.

Vrijspraak feit 3

De rechtbank oordeelt dat feit 3 niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De verdachte wordt beschuldigd van ‘psychische mishandeling’, maar dit is niet zelfstandig strafbaar in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:1005.

Bewijsmiddelen feit 1, feit 2 en feit 4 subsidiair

De rechtbank oordeelt dat de feiten 1, 2 en 4 subsidiair zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan. De rechtbank zal eerst de feiten die zien op [slachtoffer] bespreken (feit 1 en feit 4) en daarna het feit dat is gericht op [minderjarige] (feit 2).

Bewijsoverwegingen

De mishandeling van [slachtoffer] (feit 1)

De rechtbank komt op basis van de bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van feit 1. Daarbij spreekt zij de verdachte partieel vrij van de onder dit feit opgenomen handeling van het slaan. Alleen aangeefster heeft verklaard dat zij geslagen is tegen haar lichaam. Haar verklaring wordt op dit punt niet ondersteund door de getuigenverklaringen en/of door de camerabeelden. Gelet op het hiervoor besproken conflict tussen de verdachte en aangeefster gaat de rechtbank behoedzaam om met haar verklaring. Zij zal daarom alleen de geweldshandelingen bewezen verklaren waarvoor ook ander bewijs is.

De wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] (feit 4 primair)

De rechtbank oordeelt dat feit 4 primair niet bewezen is en zal de verdachte van dit feit vrijspreken. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte [slachtoffer] aan haar haren zijn woning in heeft getrokken. Uit het dossier volgt verder dat de deur van de woning niet dicht is gegaan, dat buurtbewoners binnen enkele seconden in de geopende deuropening stonden en dat [slachtoffer] binnen enkele minuten weer buiten de woning stond. De rechtbank is van oordeel dat de bewegingsruimte van [slachtoffer] weliswaar beperkt is geweest maar dat dit zo kort is geweest, dat niet gesproken kan worden van een wederrechtelijke vrijheidsberoving.

De dwang van [slachtoffer] (feit 4 subsidiair)

De rechtbank overweegt dat voor een bewezenverklaring van dwang is vereist dat iemand wederrechtelijk is gedwongen iets te doen, na te laten of te dulden door geweld of enige andere feitelijkheid of door bedreiging hiermee. Daarbij is van belang dat duidelijk wordt waaruit het door de verdachte gepleegde geweld, een andere feitelijkheid of bedreiging daarmee bestond (de dwanghandeling) en wat het slachtoffer heeft gedaan, nagelaten of geduld als gevolg van de dwanghandeling (het dwanggevolg). Als er geen dwanggevolg is ingetreden, kan in beginsel geen sprake zijn van een voltooide dwang. Ook moet de dwang wederrechtelijk zijn, wat in het algemeen inhoudt ‘in strijd met het recht’ of ‘aanzienlijke overschrijding van de grenzen van de maatschappelijke betamelijkheid’.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat in de tenlastelegging niet is opgenomen welk dwanggevolg door de geweldshandeling is veroorzaakt. De rechtbank overweegt dat in de tenlastelegging als geweldshandeling is opgenomen de onder feit 1 bedoelde mishandeling. Het dwanggevolg is in de tenlastelegging echter niet verfeitelijkt. Tegen de achtergrond van de onder feit 4 ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving en wat op de zitting is besproken, begrijpt de rechtbank dat bedoeld is om de beweging van het aan de haren meetrekken in de woning van de verdachte ten laste te leggen als dwanggevolg dat [slachtoffer] heeft moeten dulden. Daarmee is in dit geval de beschuldiging voldoende specifiek.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van feit 4 subsidiair. [slachtoffer] heeft doordat zij door de verdachte aan haar haren werd getrokken, moeten dulden dat zij de woning van de verdachte in werd getrokken.

De dwang van [minderjarige] (feit 2)

De driejarige [minderjarige] bevond zich in de handen van haar moeder ten tijde van de mishandeling. Zij kon zich niet onttrekken aan deze situatie. [minderjarige] heeft in dit geval door het geweld tegen haar moeder en haar aanwezigheid daarbij, moeten dulden dat in haar aanwezigheid haar moeder werd mishandeld door de verdachte.

Uit het dossier volgt niet dat [minderjarige] haar moeder heeft aangekeken gedurende de mishandeling, de rechtbank zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van dit onderdeel van de beschuldiging. Dat raakt de kern van de beschuldiging verder niet. Het mishandelen van [minderjarige] moeder in haar aanwezigheid is zonder meer een aanzienlijke overschrijding van de grenzen van de maatschappelijke betamelijkheid; daarvoor is niet ook nog eens nodig dat zij haar moeder daarbij heeft aangekeken.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

1op 5 november 2025 te Utrecht [slachtoffer] heeft mishandeld, door meermalen- met kracht aan haar haren te trekken en/of- te trappen in haar buik;

2op 5 november 2025 te Utrecht zijn kind [minderjarige] door geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander of een derde, te weten [slachtoffer] wederrechtelijk heeft gedwongen te dulden,te weten,- het aanwezig te zijn bij hoe haar moeder, [slachtoffer] , werd mishandeld en- het aanwezig te zijn bij hoe haar moeder, [slachtoffer] , werd gedwongen het huis van verdachte in te gaanterwijl [minderjarige] zich in de armen van [slachtoffer] bevond;

4op 5 november 2025 te Utrecht, een ander, te weten [slachtoffer] , door geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, te weten [slachtoffer] [minderjarige] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te dulden,door [slachtoffer] aan haar haren mee te trekken richting zijn woning en haar vervolgens zijn woning in te trekken.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

De eendaadse samenloop van:

Feit 1: mishandeling;

Feit 2: een ander door geweld en een feitelijkheid gericht tegen die ander of een derde, wederrechtelijk dwingen iets te dulden;

Feit 4 subsidiair: een ander door geweld en een feitelijkheid gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te dulden.

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5. Straf en/of maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:

een gevangenisstraf van vier weken, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden kort gezegd het contact- en locatie met [slachtoffer] en [minderjarige] zoals momenteel geformuleerd als een van de schorsingsvoorwaarden;

een taakstraf van 120 uur, met aftrek van het voorarrest, te vervangen door 60 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.

De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).

Standpunt van de verdediging

De advocaat heeft verzocht om (1) te volstaan met een straf gelijk aan de duur van het voorarrest van zes dagen, (2) geen contact- en/of locatieverbod op te leggen en (3) het al geschorste bevel inbewaringstelling op te heffen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 60 uur op. Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte een contact- en locatieverbod met [slachtoffer] en [minderjarige] voor de duur van drie maanden op, als gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.

Bij het bepalen van deze straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich op 5 november 2025 schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn ex-partner. Deze mishandeling bestond uit het aan de haren trekken van [slachtoffer] en haar tegen het lichaam schoppen. Tijdens de mishandeling had [slachtoffer] hun driejarige dochter [minderjarige] vast. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij dit geweld heeft gepleegd in het directe bijzijn van hun driejarige dochter.

Door het geweld heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan de dwang van zijn ex-partner en hun dochter. Dit wordt meestal niet separaat ten laste gelegd, maar meegenomen als strafverzwarende omstandigheden waaronder de mishandeling is gepleegd. De rechtbank zal dat in dit geval ook doen.

De rechtbank merkt verder op dat uit het audiobestand van het incident volgt dat zowel de verdachte als [slachtoffer] niet goed in staat waren om hun gesprek af te ronden in aanwezigheid van hun dochter. Het gesprek escaleert aan beide kanten en de verdachte maakt zich vervolgens schuldig aan de bewezen verklaarde feiten. Voor dat handelen van de verdachte is absoluut geen rechtvaardiging. Het is echter wel in het belang van hun dochter dat zowel de verdachte als [slachtoffer] werken aan hun onderlinge communicatie.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft het strafblad van de verdachte van 15 juni 2026 bekeken. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 18 juni 2026. De reclassering geeft aan dat de verdachte al geruime tijd onder hoge stress staat als gevolg van de conflicten en juridische procedures over [minderjarige] . De verdachte heeft hulp gezocht bij het buurtteam en de praktijkondersteuner van de huisarts. Ook is hij sinds 2025 in behandeling bij een psycholoog voor trauma gerelateerde klachten en stressreductie. De reclassering schat het risico op herhaling van strafbare feiten en op herhaling van geweldsdelicten in als laag. Daarbij noteert de reclassering dat eventuele risico’s voornamelijk samenhangen met de aanhoudende spanningen en conflicten rondom de relatie met zijn ex-partner en de lopende procedures. De reclassering acht de zorg in een vrijwillig kader rondom de verdachte op dit moment voldoende gewaarborgd. Zij adviseert, bij veroordeling, een straf zonder bijzondere voorwaarden. Ook een contact- of locatieverbod met de ex-partner en hun dochter acht de reclassering niet noodzakelijk.

Strafkader

Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor een mishandeling met lichamelijk letsel als gevolg is een geldboete van € 1.000,-. Gelet op de omstandigheden waaronder de mishandeling is gepleegd, wijkt de rechtbank af van de oriëntatiepunten. De strafmodaliteit van een geldboete is niet passend bij de mishandeling van een ex-partner. Gelet op het lage risico op herhaling ziet de rechtbank geen noodzaak voor het opleggen van een (deels) voorwaardelijke straf. De rechtbank acht de strafmodaliteit van de onvoorwaardelijke taakstraf daarom passend. De verdachte heeft ingrijpende gevolgen ondervonden van de strafbare feiten: zo heeft hij zes dagen doorgebracht in voorarrest en heeft hij sinds de feiten – dus al 9 maanden – geen contact meer met zijn dochter. Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 60 uren met aftrek van het voorarrest op.

De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie. Dit komt omdat de rechtbank gedeeltelijk tot een andere bewezenverklaring komt en zij de feiten en omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, zoals hiervoor besproken bij de ernst van de feiten, anders weegt. De rechtbank wijkt ook af van het standpunt van de verdediging over de strafmaat. Een straf gelijk aan de duur van het voorarrest is in dit geval niet passend bij de ernst van het feit. Een dergelijke straf blijft bovendien langer op het strafblad van de verdachte staan en kan mogelijk leiden tot het minder gemakkelijk verkrijgen van een Verklaring Omtrent Gedrag.

Het contact- en locatieverbod

Door de officier van justitie is verzocht om, als bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel, een contact- en locatieverbod met [slachtoffer] en [minderjarige] op te leggen en dit dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De verdediging heeft verzocht om geen contact- en locatieverbod op te leggen zodat de verdachte het contact met zijn dochter weer kan oppakken.

Op dit moment geldt een contact- en locatieverbod met [slachtoffer] en [minderjarige] als voorwaarde bij de schorsing van het voorarrest. Als de rechtbank vonnis wijst en de voorlopige hechtenis opheft, komt dit contact- en locatieverbod te vervallen.

De rechtbank stelt voorop dat beslissingen over het contact en de omgang met [minderjarige] eerst en vooral liggen op het terrein van de familierechter in een civiele procedure. Dergelijke procedures hebben al gelopen en de Raad voor de Kinderbescherming doet momenteel onderzoek. Het lijkt erop dat de omgangsregeling, zoals die is uitgesproken door de familierechter in 2023, weer komt te herleven als de huidige strafrechtelijke voorwaarde vervalt, totdat de familierechter anders beslist.

Op het moment dat weer omgang plaatsvindt tussen de verdachte en [slachtoffer] vormt dit een risico op herhaling. Gelet daarop en ter bevordering van een soepele overgang tussen dit vonnis en het moment dat de familierechter een nadere beslissing neemt over de omgang van de verdachte met [minderjarige] , zal de rechtbank een contact- en locatieverbod met [slachtoffer] en [minderjarige] opleggen voor de duur van drie maanden. Dit wordt opgelegd als gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Op het contactverbod met [minderjarige] zal een uitzondering worden gemaakt voor zoverre het afspraken zijn die plaatsvinden met de betrokken jeugdhulpverlening, het wijkteam en Veilig Thuis. De rechtbank gaat ervan uit dat binnen de termijn van drie maanden meer duidelijkheid is over de civielrechtelijke omgang tussen de verdachte en [minderjarige] .

De rechtbank zal het contact- en locatieverbod niet dadelijk uitvoerbaar verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht, waarin de rechtbank de dadelijk uitvoerbaarheid kan bevelen.

De voorlopige hechtenis

De rechtbank heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

6. Vordering benadeelde partij

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 7.006,81 voor de feiten 1 en 4, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 3.506,81 voor vergoeding van materiële schade en € 3.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).

De materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten:

Betaling van het eigen risico voor een bedrag van € 396,81 wegens echo’s en röntgenfoto’s en aanvullend onderzoek naar de knie van de benadeelde partij;

Betaling van het eigen risico voor een bedrag van € 110,- voor massagetherapie vanwege aanhoudende spanningsklachten;

Toekomstige schade begroot op € 3.000,-.

De benadeelde partij verzoekt om haar niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering voor zover dat ziet op toekomstige schade. Tot slot verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht om de benadeelde partij te volgen in haar verzoek en haar niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering voor wat betreft de toekomstig schade en daarnaast de vordering in zijn geheel toe te wijzen met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering voor wat betreft de toekomstige schade en de materieel gevorderde schade af te wijzen wegens het ontbreken van een causaal verband. Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat deze schade afgewezen moet worden wegens het ontbreken van een causaal verband. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde schadebedrag moet worden gematigd.

Oordeel van de rechtbank

De toekomstige schade

De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de toekomstige schade niet-ontvankelijk in de vordering.

De materiële schade

Het gedeelte van de vordering dat ziet op schadepost 1 is voldoende onderbouwd en namens de verdachte onvoldoende gemotiveerd betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de onder feit 1 en feit 4 bewezen verklaarde feiten. Duidelijk is dat deze zorgkosten het gevolg zijn van de bewezen verklaarde feiten en de benadeelde partij deze kosten heeft moeten betalen. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van schadepost 2 niet-ontvankelijk in de vordering, omdat geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen deze schade en de onder feit 1 en feit 4 bewezen verklaarde feiten. Daarmee wil de rechtbank geen afbreuk doen aan de spanningsklachten die de benadeelde partij ervaart, maar duidelijk is dat de benadeelde partij zich ook al voor de bewezen verklaarde feiten in een spanningsvolle situatie bevond. Vanwege het tijdsverloop tussen bewezenverklaarde feiten (5 november 2025) en de behandeldata (7 april en 1 juni 2026) kan de rechtbank onvoldoende vaststellen of sprake is van een causaal verband tussen het bewezen verklaarde en de schade.

De immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.

De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de brief van de psycholoog volgt dat bij de benadeelde partij naar aanleiding van onder andere de onder feit 1 bewezenverklaarde mishandeling een posttraumatische stressstoornis (PTSS) is vastgesteld. Daarbij wordt opgemerkt dat de benadeelde partij ook voorafgaand aan deze mishandeling al leefde onder hoge spanning en dat zij andere ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt waarvoor zij onvoldoende ruimte heeft gehad om die te verwerken, zoals de ziekte van haar moeder.

Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. In de onderhavige zaak valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank onder de bij de posttraumatische stressstoornis opgenomen categorie (d) ‘minder ernstig’ van de Rotterdamse schaal. De rechtbank neemt de in die schaal genoemde bandbreedte van € 2.675 tot € 5.000,- tot uitgangspunt. Gelet op de hiervoor genoemde brief van de psycholoog ziet de rechtbank aanleiding om aan te sluiten bij de onderkant van deze schaal. Een bedrag van € 3.000,- is in dit geval billijk. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.

Wettelijke rente

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 5 november 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 3.396,81 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 november 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

Gijzeling

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 33 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

7. Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 55, 284, 300 van het Wetboek van Strafrecht;

8. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart feit 3 en feit 4 primair niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bewezenverklaring

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder de feiten 1, 2 en 4 subsidiair bewezen verklaarde;

straf en/of maatregel

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 60 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 30 dagen hechtenis;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;

-

- een gebiedsverbod op grond van 38v Sr, inhoudende dat de veroordeelde zich gedurende drie maanden niet bevindt op de [locatie] en op de [locatie] in Utrecht zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. Uitzondering op het verbod voor de [locatie] is wanneer hiervoor toestemming is van betrokken hulpverlenende instanties.

- een contactverbod op grond van 38v Sr., inhoudende dat de veroordeelde zich gedurende drie maanden onthoudt van – direct of indirect – contact met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1990 en zijn dochter [minderjarige] geboren op [geboortedatum] 2021, zo lang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt; contact met [minderjarige] mag in afwijking hiervan plaatsvinden conform op voorhand gemaakte afspraken met betrokken jeugdhulpverlening / wijkteam / Veilig Thuis;

- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan voornoemde maatregelen wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 14 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregelen wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregelen niet op.

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1 en feit 4 subsidiair)

voorlopige hechtenis

- heft op het reeds geschorst bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.D. Groen, voorzitter, mr. L.C. Michon en mr. K. de Meulder, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Bemmelen als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1hij op of omstreeks 5 november 2025 te Utrecht [slachtoffer] heeft mishandeld, door meermalen, althans eenmaal,- met kracht aan haar haren te trekken en/of- te slaan tegen haar lichaam en/of- te trappen in haar buik en/of tegen haar lichaam;

2hij op of omstreeks 5 november 2025 te Utrecht, een ander, te weten (zijn kind) [minderjarige] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enigeandere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of een of meer derden, te weten [slachtoffer] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden,te weten,- het aankijken en aanwezig te zijn bij hoe haar moeder, [slachtoffer] , werdgeslagen en/of geschopt, althans werd mishandeld, en/of- het aankijken en aanwezig te zijn bij hoe haar moeder, [slachtoffer] , tegen haarwil (aan haar haren) het huis van verdachte werd binnen getrokken en/of werdgedwongen het huis van verdachte in te gaan, althans haar wederrechtelijke vrijheidwerd ontnomen,door [slachtoffer] te mishandelen en/of te dwingen verdachtes huis in te gaanterwijl [minderjarige] zich in de armen van [slachtoffer] bevond;

3hij op of omstreeks 5 november 2025 te Utrecht [minderjarige] , (psychisch) heeft mishandeld, door in aanwezigheid van die [minderjarige] [slachtoffer] (haar moeder) te mishandelen en wederrechtelijk van haar vrijheid te beroven, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn kind;

4hij op of omstreeks 5 november 2025 te Utrecht opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door die [slachtoffer] (aan haar haren) mee te trekken zijn woning in;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:hij op of omstreeks 5 november 2025 te Utrecht, een ander, te weten [slachtoffer] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of een of meer derden, te weten [slachtoffer] en/of [minderjarige] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden,door [slachtoffer] (aan haar haren) mee te trekken richting zijn woning en haar vervolgens zijn woning in te trekken.

Bijlage II: Bewijsmiddelen

De verklaring van verdachte zoals afgelegd op de zitting van 23 juli 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 5 november 2025 heb ik [slachtoffer] aan haar haren mijn woning in getrokken en haar geschopt. [slachtoffer] had toen [minderjarige] vast in haar handen.

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb een relatie gehad met [verdachte] . Op [geboortedatum] 2021 is onze dochter [minderjarige] geboren. Op 5 november 2025 kwamen [minderjarige] en ik aan bij de woning van [verdachte] . Ik had [minderjarige] in mijn armen. Ineens zag en voelde ik dat ik meerdere keren geschopt werd door [verdachte] . Ik viel op de grond. Op het moment dat ik op de grond lag, zag ik dat [verdachte] rechts naast mij stond. Ik voelde dat [verdachte] met kracht trapte. Ik voelde dat [verdachte] mijn haren vastpakte. Ik voelde dat [verdachte] mij met kracht aan mijn haren naar achter trok zijn woning in waardoor ik in zijn gang lag. Volgens mij liet [verdachte] mijn haar uiteindelijk los. Op het moment dat ik buiten stond zag en voelde ik dat [verdachte] mij met kracht tegen mijn been trapte.

Het proces-verhoor van getuige [getuige 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik zag dat [verdachte] [de rechtbank begrijpt: de verdachte [verdachte]] de vrouw aan haar haren naar binnen sleurde. Ik zag dat de vrouw op de grond lag tegen de muur aan met het kind nog steeds vast. Ik zag dat [verdachte] haar haar nog steeds vast had en hier steeds aan trok. Het duurde wel even voordat hij losliet. Uiteindelijk lukte het [verdachte] om het kind uit haar armen te rukken en liep hij naar buiten. Ik zag dat de vrouw die op de grond lag ook op stond. Ik hoorde [verdachte] tegen de buurvrouw van nummer [nummer] vragen of zij het kind wilde vasthouden. Zij stond namelijk buiten voor haar woning om te kijken wat er aan de hand was. Op het moment dat [verdachte] het kind weg gaf zag ik dat hij de vrouw opeens een harde trap gaf in haar buik.

Het proces-verhoor van getuige [getuige 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik zag dat de buurman [de rechtbank begrijpt: de verdachte [verdachte]] zijn ex-vrouw aan haar haren trok en haar in haar buik schopte. Ik zag dat hij met heel veel kracht met zijn voet haar buik raakte. Ik zag dat de ex-vrouw het kind los liet en op de grond legde.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand