ECLI:NL:RBMNE:2026:523

ECLI:NL:RBMNE:2026:523

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 04-02-2026
Datum publicatie 18-02-2026
Zaaknummer 11877348 MC EXPL 25-5081 D/954
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almere

Samenvatting

Dexia; effectenlease.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Almere

zaaknummer: 11877348 MC EXPL 25-5081 D/954

Vonnis van 4 februari 2026

inzake

de besloten vennootschap

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verder ook te noemen Dexia,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: USG Legal Professionals,

tegen:

[gedaagde] , in haar hoedanigheid van wettelijke erfgename van wijlen [A] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. G. van Dijk.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 29 augustus 2025, met producties;

de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties;

de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, met producties;

de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, met producties;

de conclusie van dupliek in reconventie.

Hierna is vonnis bepaald.

2. De feiten

Wijlen [A] , hierna te noemen [A] , heeft de volgende leaseovereenkomsten (hierna: de overeenkomsten) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia:

Nr

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

I

[contractnummer 1] oorspronkelijk

24-6-1999

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

€ 9.408,42

II

[contractnummer 2]

oorspronkelijk

21-9-1999

WinstVerDriedubbelaar

36 mnd

€ ?

III

[contractnummer 3]

oorspronkelijk

16-12-1999

Legio IB *Plan

60 mnd

€ 4.997,72

De overeenkomsten I en II zijn in 2002 met 36 maanden verlengd. Overeenkomst III is in 2004 met 36 maanden verlengd.

Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:

Nr.

Datum eindafrekening

Resultaat

Betaald

I

23-6-2005

- € 2.530,08

Deels nog open

€ 1.965,94

II

5-8-2005

- € 2.212,50

Deels nog open € 2.137,50

III

17-12-2007

-€ 635,27

Deels nog open € 634,57

Volgens opgave van Dexia heeft [A] op grond van de oorspronkelijke overeenkomsten II en III– al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 3.436,73 aan maandtermijnen betaald. Volgens die opgave heeft [A] ten aanzien van die oorspronkelijke overeenkomsten € 336,22 aan dividenden ontvangen en € 587,02 aan fiscaal voordeel genoten.

Bij brief van 16 juni 2025 heeft Dexia [gedaagde] uitgenodigd om hetzij te bevestigen dat geen sprake meer is van enige vordering, hetzij toe te lichten waarom wel sprake is van een vordering. Afnemer heeft hierop gereageerd in die zin dat zij Dexia uitgenodigd heeft een aanvullend voorstel te doen. Dexia bleek hiertoe niet bereid.

3. De vorderingen en het verweer

Dexia vordert, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten:

[gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.552,78, vermeerderd met de wettelijke rente ter zake overeenkomst I over € 279,22 vanaf 3 juli 2005, ter zake overeenkomst II over € 662,50 vanaf 15 augustus 2005 en ter zake overeenkomst III over € 211,06 vanaf 27 december 2007,- voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten I, II en III niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is,- [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten.

[gedaagde] voert verweer tegen de vorderingen van Dexia en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van Dexia, althans afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten en de nakosten.

[gedaagde] vordert dat bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

- voor recht te verklaren dat Dexia onrechtmatig jegens [gedaagde] (de kantonrechter begrijpt [A] ) heeft gehandeld en/of toerekenbaar tekort is geschoten;

- voor recht te verklaren dat ten aanzien van de overeenkomsten sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last conform het zogenaamde Hofmodel;

Dexia te veroordelen tot betaling aan [gedaagde] van 2/3e deel van de inleg, vermeerderd met de wettelijke rente tot aan de dag van algehele voldoening;

- Dexia te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, de proceskosten en de nakosten.

Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

4. De beoordeling

Algemeen 4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenlease-overeenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 á 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een optoutverklaring ingediend, onder wie [A] .

De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

er is sprake van huurkoop;

er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

afnemer heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;

er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

Hierna zal achtereenvolgend worden ingegaan op:

de vaststelling van de schade wegens termijnen en de schade wegens restschuld;

het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel;

de eigen schuld (art. 6:101 BW);

een wel of niet onaanvaardbaar zware financiële last;

de consequenties van het voorgaande voor de verdeling van de (resterende) schade;

wat elke partij gelet op het voorgaande nog aan de andere partij verschuldigd is;

wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

Waar hierna sprake is van ‘leasetermijnen’ ‘restschuld’, ‘dividenden en claims’, ‘waarde effecten’, ‘restant hoofdsom beëindiging’, ‘uitkering’ en ‘fiscaal voordeel’ wordt gedoeld op de bedragen die bij de (betreffende) overeenkomst worden vermeld op het (meest recent) door Dexia overgelegde financiële overzicht (de laatste twee genoemde onder het kopje ‘Overige voordelen’). Nu Afnemer de juistheid van de daarop vermelde gegevens niet (voldoende gemotiveerd) heeft betwist wordt daarvan uitgegaan.

De vaststelling van de schade wegens termijnen en de schade wegens restschuld

De schade die als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia is ontstaan, bestaat uit de schade wegens de door [A] verschuldigde termijnen, dat wil zeggen zowel de betaalde termijnen als de bij de eindafrekening nog achterstallige termijnen, en uit een (eventuele) restschuld.

Het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel

Op de door [A] geleden schade dient eerst in mindering te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW. Dit bestaat uit de in verband met de betreffende overeenkomst ontvangen inkomsten uit ‘Dividenden en claims’ en het genoten fiscaal voordeel.

[gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie biljetten van een proces overgelegd waaruit volgens haar volgt dat Dexia het verkeerde belastingtarief (50%) heeft gebruikt over 1999 en 2000. Dexia heeft dit niet betwist en dat betekent dat in deze zaak bij de berekening van het fiscaal voordeel moet worden uitgegaan van het lagere, door [gedaagde] genoemde tarief.

Indien daarvan sprake is behoort tot het op de schade in mindering te brengen voordeel eveneens het batig saldo uit andere effectenleaseovereenkomsten tenzij deze meer dan een jaar vóór het aangaan van de overeenkomst waarbij de schade zich voordoet zijn beëindigd. Onder batig saldo wordt verstaan hetgeen aan opbrengst resteert nadat alle betalingen door de afnemer in mindering zijn gebracht.

Voor zover sprake is van voordeel als hiervoor bedoeld, dient dit eerst in mindering te worden gebracht op de schade die [A] heeft geleden wegens verschuldigde termijnen. Resteert dan nog een niet verrekend deel van het voordeel en is er sprake van meerdere verlieslatende overeenkomsten, dan dient vervolgens verrekening plaats te vinden met de schade wegens termijnen uit de volgende verlieslatende overeenkomst(en), en daarna met de restschuld, tot alle voordeel is verrekend.

Een eventueel reeds door Dexia betaalde (gedeeltelijke) schadevergoeding behoort niet tot de hier bedoelde voordelen.

De eigen schuld (art. 6:101 BW), wel of niet een onaanvaardbare financiële last

Op grond van artikel 6:101 BW diende [A] een deel van de na verrekening van eventuele voordelen als hiervoor bedoeld resterende schade, (hierna: de resterende schade) wegens eigen schuld zelf te dragen. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de resterende schade bestaande uit de verschuldigde termijnen en de resterende schade bestaande uit een (eventuele) restschuld.

Onderzocht moet worden of nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van deze overeenkomsten had behoren te ontraden, omdat daardoor naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op [A] werd gelegd. Indien het aangaan van de overeenkomsten voor [A] een onaanvaardbaar zware financiële last met zich bracht, diende [A] een derde deel van de resterende schade uit zowel verschuldigde termijnen (de inleg) als de restschuld zelf te dragen.

Indien geen sprake was van een dergelijke last diende [A] de resterende schade wegens verschuldigde termijnen geheel zelf te dragen en van de schade wegens restschuld een derde deel. Of sprake is van een zodanig onaanvaardbaar zware financiële last wordt beoordeeld door toepassing van de zogenoemde Hof-formule als weergegeven in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981). [gedaagde] dient de gegevens die nodig zijn voor deze beoordeling te verstrekken en met stukken te onderbouwen.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last moeten alle bekende omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de financiële ruimte van een belegger in aanmerking worden genomen. De hiervoor gehanteerde vuistregel, de Hof-formule luidt: X - W - A- B- C < Y + 0,1 xY + 0,15 x (X-Y). De factor X staat voor het besteedbare netto-maandinkomen van Afnemer. De factor Y betreft de NIBUD-basisnorm voor het betrokken type huishouden. De factor W staat voor de maandelijkse huur-of hypotheeklasten voor de eigen dan wel gehuurde woning voor zover deze het daarvoor door het NIBUD gehanteerde basisbedrag overtreffen. De factor A staat voor de verplichtingen die voortvloeien uit de leaseovereenkomst, factor B staat voor eventuele financiële verplichtingen uit andere, eerder aangegane lease-overeenkomsten. De factor C staat voor eventuele (daadwerkelijk bestaande) rente- en aflossingsverplichtingen uit andersoortige eerdere kredietovereenkomsten.Indien sprake is van vermogen van méér dan € 5.000 (bij alleenstaanden) of € 10.000 (bij een meerpersoonshuishouden) waaruit de verplichtingen uit de overeenkomst hadden kunnen worden voldaan, dan dient dit meerdere te worden gedeeld door het aantal maanden waarvoor de overeenkomst is aangegaan, waarbij de uitkomst (‘factor V’) dient te worden opgeteld bij de bestedingsruimte.

Tussen partijen is (onder meer) in geschil of het aangaan van de overeenkomst II en III voor [A] een onaanvaardbaar zware financiële met zich bracht. Tussen partijen is in het bijzonder in geschil of [A] als alleenstaande moet worden aangemerkt of als gehuwde nu [gedaagde] en [A] op [1999] op de Filipijnen zijn gehuwd, de hoogte van de in aanmerking te nemen woonlasten en de vraag of bij de verlenging van de overeenkomsten opnieuw dient te worden aangetoond dat sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last.

Factor Y

[gedaagde] heeft ten aanzien van de overeenkomsten II en III gesteld dat [A] als alleenstaande moet worden aangemerkt omdat zij pas in de loop van 2000 naar Nederland is gekomen en bij [A] is gaan wonen. In de periode daarvoor woonde zij nog op de Filipijnen en moest zij zelf rondkomen en haar eigen lasten dragen en was zij niet in staat om [A] te ondersteunen. Feitelijk leefden zij in 1999 dus afzonderlijk.

Tot de omstandigheden die in aanmerking moeten worden genomen bij toepassing van het Hofmodel behoren niet alleen de inkomens- en vermogenspositie van de afnemer zelf maar ook van degene met wie de afnemer destijds een gemeenschappelijke huishouding voerde. Niet van belang is in welke juridische verhouding de afnemer tot zijn partner staat. Het gaat slechts om de feitelijke omstandigheden waaruit blijkt in hoeverre de afnemer door een gemeenschappelijke huishouding met zijn partner te voeren deel heeft of kan hebben aan de welstand die daaruit voortvloeit. Omdat niet is betwist dat [gedaagde] pas in 2000 feitelijk een gemeenschappelijke huishouding is gaan voeren met [A] , moet [A] ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten II en III als alleenstaande worden aangemerkt.

Factor W

Gelet op het voorgaande is de vraag wat de hoogte van de huur was, niet meer relevant omdat ook indien geen rekening wordt gehouden met extra woonlasten boven de NIBUD-norm, sprake is van een onaanvaardbaar zware last bij het aangaan van de oorspronkelijke overeenkomsten II en III. Voor de berekeningen wordt verwezen naar de berekeningen bij de conclusie van antwoord in conventie van eis in reconventie en bij de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie.

Verlengingen overeenkomsten

Anders dan [gedaagde] meent, dient bij de verlenging van de overeenkomsten opnieuw een beoordeling plaats te vinden van de financiële situatie van een afnemer. Het beroep op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 februari 2024 ( ECLI:NL:RBROT:2024:1374: kantonrechter leest 1372) kan haar niet baten nu in die zaak Dexia op dit punt geen verweer had gevoerd. Vastgesteld wordt dat [gedaagde] geen voor de hier bedoelde beoordeling noodzakelijke (schriftelijke onderbouwing van de) financiële en andere persoonlijke gegevens heeft overgelegd. Zij heeft dan ook niet onderbouwd dat bij het aangaan van de verlenging van de overeenkomsten sprake was van het ontstaan van een onaanvaardbaar zware financiële last, zodat de daaruit volgende schade wegens termijnen geheel voor rekening van [A] blijft en de schade uit de restschulden voor 1/3.

ten aanzien van overeenkomst 1( oorspronkelijk)

Met betrekking tot deze overeenkomst heeft [gedaagde] geen berekening overgelegd en evenmin anders onderbouwd dat sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last als gevolg van het aangaan daarvan. Dit betekent dat slechts de door haar gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is.

Uit het voorgaande volgt dat de resterende schade wegens verschuldigde termijnen geheel voor rekening van [A] blijft.

ten aanzien van de overeenkomsten II en III (oorspronkelijk)

Uit het voorgaande volgt dat de schade wegens verschuldigde termijnen gedurende de oorspronkelijke looptijd voor 1/3 deel voor rekening van [A] blijft.

Wat elke partij nog aan de andere partij verschuldigd is

Nu de overeenkomsten niet rechtsgeldig zijn vernietigd of ontbonden zal [gedaagde] aan de daaruit voortkomende betalingsverplichtingen dienen te voldoen. Anderzijds zal Dexia de resterende schade dienen te vergoeden die volgens het bovenstaande voor haar rekening komt.

Op grond van het voorgaande en de door Dexia (meest recent) overgelegde financiële gegevens van de onderhavige overeenkomsten zullen partijen in staat zijn te berekenen:

a. wat de schade is aan verschuldigde termijnen en restschuld;

b. wat de in mindering te brengen voordelen zijn (inclusief eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten) en wat na aftrek daarvan aan schade resteert;

c. of en zo ja tot welk bedrag [A] een resterende schade wegens termijnen en wegens restschuld dient te dragen;

d. wat [A] op grond van nakoming van betalingsverplichtingen uit de overeenkomsten in totaal aan Dexia verschuldigd is.

[gedaagde] heeft in verband met die overeenkomsten jegens Dexia aanspraak op schadevergoeding indien en voor zover [A] ter zake van een bepaalde overeenkomst méér aan Dexia heeft betaald dan het onder d. bedoelde bedrag verminderd met het totaal van de onder c. bedoelde bedragen en verminderd met een (eventueel) reeds door Dexia betaalde schadevergoeding (exclusief wettelijke rente).

De wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten

Een aanspraak op wettelijke rente over nadeel, dat bij de voordeelstoerekening wordt verrekend met de voordelen, moet worden geacht niet te zijn ontstaan, aangezien die de schadeberekening te zeer zou compliceren. Slechts over het nadeel dat na voordeelstoerekening resteert, kan overeenkomstig de uitspraak van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198) wettelijke rente worden toegewezen (Hoge Raad 3 februari 2017 ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). De wettelijke rente wordt, als onvoldoende bestreden, toegewezen over het bedrag aan schadevergoeding voor zover deze nog door Dexia verschuldigd is. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 ECLI:NL:RBAMS:2021:7910).

Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten vormen de stellingen geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019 dat partijen bekend is. De enkele omstandigheid dat de gemachtigde van [gedaagde] uitgenodigd heeft om een schikkingsvoorstel te doen zonder dat daadwerkelijk reële schikkingsonderhandelingen hebben plaatsgevonden, is daartoe onvoldoende.

Ten aanzien van de restschuld van overeenkomst I

Uit het voorgaande volgt tevens dat de vordering van Dexia ten aanzien van deze toewijsbaar, die voor het overige ook niet door [gedaagde] is bestreden, als na te melden toewijsbaar is.

Omdat [gedaagde] in reconventie grotendeels inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [gedaagde] gevallen.

De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris gemachtigde € 576,00 ( x tarief € 288,00)

- nakosten € 144,00

Totaal € 720,00.

Gelet op de uitkomst van het geding in conventie, ziet de kantonrechter aanleiding voor compensatie van de kosten.

De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.

5. De beslissing

ten aanzien van de vorderingen van Dexia:

verklaart voor recht dat Dexia jegens [gedaagde] aan al haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst I ( oorspronkelijk en verlenging), II (verlenging) en III (verlenging) heeft voldaan;

veroordeelt [gedaagde] met betrekking tot overeenkomst I tot betaling van € 279,22, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2005 tot de dag der algehele voldoening;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af;

ten aanzien van de vorderingen van [gedaagde] :

verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten onrechtmatig heeft gehandeld jegens [A] en dat ten aanzien van de overeenkomsten II (oorspronkelijk) en III (oorspronkelijk) sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last conform het zogenaamde Hofmodel;

veroordeelt Dexia aan [gedaagde] te betalen ter zake de overeenkomst II en III het bedrag dat Dexia volgens r.o. 4.25. en volgende nog verschuldigd is aan [gedaagde] , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te berekenen vanaf het moment dat alle voordeel is verrekend en met toepassing van de uitgangspunten als geformuleerd in r.o. 4.27. tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen:

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. van Dijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?