RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Toevoeging: [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] , kr. toev.nrs. [nummer] en [nummer]
Zaaknummer: 12061380 \ MV EXPL 26-6 AW/1583
Vonnis in kort geding van 11 februari 2026
in de zaak van
1. [eisende partij sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,2. [eisende partij sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] ,
gemachtigde: mr. I. Atay,
tegen
1. [gedaagde sub 1] , handelend onder de naam [bedrijf] ,
wonende te [woonplaats] ,2. STICHTING [gedaagde sub 2],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
niet verschenen.
1. De procedure
[eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op 26 januari 2026 in kort geding gedagvaard om op 3 februari 2026 voor de kantonrechter te verschijnen. Daarbij hebben [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] zes producties meegestuurd.
De zaak is op 3 februari 2026 bij de kantonrechter besproken. [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] zijn verschenen. [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] zijn tijdens de zitting bijgestaan door hun gemachtigde mr. Atay. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken.
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.
2. De kern van de zaak
[eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] stellen dat zij op respectievelijk 14 februari 2024 en 1 november 2023 in dienst zijn getreden bij [gedaagde sub 2] onder leiding van [gedaagde sub 1] . Niet duidelijk was of dit bij de eenmanszaak van [gedaagde sub 1] was, bij [bedrijf] B.V. of bij [gedaagde sub 2] . [bedrijf] B.V. en de eenmanszaak zijn per 1 oktober 2025 ontbonden en uitgeschreven uit de Kamer van Koophandel. [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hebben zich ziekgemeld. [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hebben vanaf 1 november 2025 geen loon meer ontvangen. [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] vorderen in dit kort geding om [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen onder andere tot betaling van hun loon. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben hiertegen geen verweer gevoerd. De kantonrechter wijst de vorderingen toe.
3. De beoordeling
Verstek
Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen, zodat tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verstek zal worden verleend.
Het toetsingskader in dit kort geding
In dit kort geding moet allereerst worden beoordeeld of [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] een spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen. Van een spoedeisend belang is sprake als, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening nodig is en van partijen niet kan worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten. Vervolgens moet worden beoordeeld of aannemelijk is dat de vorderingen van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen. In dit vonnis geeft de kantonrechter alleen een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
Spoedeisend belang
Het vereiste spoedeisend belang bij de vorderingen tot betaling van loon en de nevenvorderingen is, gelet op de aard van de vorderingen en hetgeen daarover door [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] is gesteld, aanwezig. Dit betekent dat de vorderingen van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] op die punten inhoudelijk kunnen worden behandeld.
[eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hebben ook nog gevorderd om [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] te veroordelen tot het inschakelen van een bedrijfsarts op straffe van een dwangsom. [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hebben hiervoor echter geen spoedeisend belang gesteld. Daarom moet worden aangenomen dat ten aanzien hiervan het spoedeisend belang ontbreekt. De vorderingen tot het inschakelen van een bedrijfsarts zijn om die reden niet toewijsbaar.
Het loon, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente moet worden betaald
Omdat er geen verweer is gevoerd, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] , tenzij de vorderingen haar onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
Als onweersproken staat vast dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] het loon vanaf november 2025 niet aan [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hebben betaald. De kantonrechter zal hen daarom veroordelen tot betaling van de verschuldigde loonbetalingen, inclusief het achterstallig salaris als gevorderd, en ook het loon voor iedere maand waarin [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] wegens ziekte arbeidsongeschikt zijn, zolang de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd.
Nu [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] het loon niet tijdig hebben betaald, zal ook de wettelijke verhoging worden toegewezen, zij het over het achterstallige salaris. Voor matiging van de wettelijke verhoging ziet de kantonrechter geen aanleiding.
De wettelijke rente zal ook worden toegewezen. Voor wat betreft de bedragen die opeisbaar waren voor het uitbrengen van de dagvaarding is de rente toewijsbaar vanaf 26 januari 2026 en voor wat betreft de nadien opeisbaar geworden bedragen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van die bedragen tot aan de dag van volledige betaling.
Hoofdelijkheid
De vorderingen zijn zowel tegen [gedaagde sub 1] als tegen [gedaagde sub 2] ingesteld. [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] stellen dat zij in dienst zijn getreden bij stichting [gedaagde sub 2] onder leiding van [gedaagde sub 1] , maar dat het echter niet duidelijk was of dit bij stichting [gedaagde sub 2] was of bij de eensmanszaak van [gedaagde sub 1] of bij [bedrijf] B.V. De loonstroken staan op naam van [bedrijf] en betalingen zijn vanaf verschillende bankrekeningen gedaan ( [bedrijf] B.V. en [bedrijf] ). De onduidelijkheid die is ontstaan komt, naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter, voor rekening en risico van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , zodat de kantonrechter de vorderingen (hoofdelijk) toewijsbaar acht tegen beide partijen. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten de proceskosten betalen
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] hebben geprocedeerd op basis van een toevoeging, zullen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] worden begroot op:
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
Totaal
€
814,00
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] te voldoen de verschuldigde loonbetalingen, inclusief het achterstallige salaris,
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] te betalen het loon wat verschuldigd is voor iedere maand waarin [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] wegens ziekte arbeidsongeschikt zijn, zolang de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd,
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] te betalen de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW van 50% over het achterstallige loon,
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk om aan [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] te betalen de wettelijke rente over het achterstallige salaris vanaf 26 januari 2026 en voor wat betreft de bedragen die nadien opeisbaar zijn geworden vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van die bedragen tot de dag van voldoening;
veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 814,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.